BAC 2023-13375
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 29 maart 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 21 februari 2025 om 11:15 uur
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking met het kenmerk UH-DCH. Hierbij is aan belanghebbende over het toeslagjaar 2007 een compensatiebedrag van € 18.099 toegekend en geweigerd over de jaren 2008 tot en met 2016 compensatie toe te kennen.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over toeslagjaren 2007 tot en met 2016.
- UHT heeft bij beschikking van 16 oktober 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 29 maart 2023 voor toeslagjaar 2007 aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 18.099,- wegens vooringenomen handelen. Omdat dit bedrag lager is dan de eerder toegekende € 30.000,- heeft belanghebbende geen extra geld gekregen.
- Voor toeslagjaren 2008 tot en met 2016 is geen compensatie toegekend.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 21 februari 2025 aanvullende stukken ingediend. Gemachtigde heeft op 3 maart 2025 hierop gereageerd.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 mei 2023, ingekomen op diezelfde datum, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 24 mei 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 21 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende heeft, onder meer onder inroeping van het equality of arms-beginsel, aangevoerd dat UHT heeft verzuimd stukken te overleggen, die voor de beoordeling van het bezwaar relevant zijn. De Commissie overweegt ter zake als volgt.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke reactie met de bijbehorende producties, waaronder ook de "Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen" (LIC-overzichten), zijn tijdig aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de stellingname van belanghebbende geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Van schending van even genoemd artikellid is dan ook niet gebleken. De door belanghebbende in dit verband ontwikkelde bezwaren kunnen dan ook niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De inhoudelijke bezwaren
De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van de bestreden beschikking en de daartegen aangevoerde bezwaren, geplaatst voor de beantwoording van de vragen of UHT de compensatie over het jaar 2007 juist heeft berekend en terecht heeft besloten de jaren 2012 en 2013 niet als, kortweg, compensatiejaren aan te merken.
Compensatieberekening toeslagjaar 2007
Belanghebbende stelt dat het compensatiebedrag niet correct is vastgesteld.
De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond
van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In de beschouwing heeft UHT de componenten en de
hoogte hiervan op inzichtelijke wijze toegelicht. De Commissie ziet geen aanleiding voor het oordeel dat - behoudens de rentevergoeding over de gemiste KOT -de componenten niet juist zijn vastgesteld. UHT heeft, blijkens het gestelde in de schriftelijke beschouwing, zelf geconstateerd dat de berekening van de compensatie onjuist is voor wat betreft de rentevergoeding over de gemiste KOT. Er moet een andere start- en einddatum worden gehanteerd.
Afwijzing compensatie toeslagjaren 2012 en 2013
Belanghebbende stelt dat UHT ten onrechte heeft vastgesteld dat zij geen recht heeft op compensatie voor toeslagjaren 2012 en 2013. Zij heeft de KOT in die jaren niet zelf stopgezet. De XML-bestanden waar UHT naar verwijst zijn volgens belanghebbende interne berichten. Hierop ontbreekt een DIGID-ondertekening en dit is volgens belanghebbende het bewijs dat het gaat om een intern bericht waaruit volgt dat de KOT automatisch werd stopgezet. Belanghebbende verwijst ook naar het Heidi-systeem. Uit dit systeem kan worden afgeleid via welk IP-adres de elektronische stopzetting in 2012 en 2013 is doorgegeven. Indien belanghebbende zelf de KOT heeft stopgezet, zou dit moeten blijken uit registraties in het Heidi-systeem en uit een XML-bestand met haar DIGID-ondertekening.
De Commissie overweegt als volgt. UHT kent compensatie toe aan een aanvrager van KOT die schade heeft geleden wegens vooringenomen handelen of hardheid van de toepassing van het wettelijke systeem van de KOT. In het dossier is vermeld dat belanghebbende op 24 juni 2013 KOT heeft aangevraagd per 10 juni 2012 (productie 81) en op 9 augustus 2013 telefonisch heeft doorgegeven dat zij de KOT stopzet met ingang van 10 juni 2012 (productie 82). Van dit telefoongesprek is hierna een interne notitie gemaakt op 9 augustus 2013. In deze notitie staat dat per 10 juni 2012 KOT is aangevraagd, maar dat deze aanvraag moet komen te vervallen. De commissie ziet geen steun voor het standpunt van belanghebbende dat niettemin sprake was van een ambtshalve dan wel automatische stopzetting van de KOT door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Dit geldt ook voor de stopzetting van de KOT met betrekking tot toeslagjaar 2013. Op 7 augustus 2013 is telefonisch doorgegeven dat de KOT moet worden stopgezet per 1 januari 2013 (productie 83). Volgens de Commissie volgt niet uit de vermelding in het dossier dat de KOT 'namens burger' is stopgezet dat dit zou duiden op een ambtshalve stopzetting door B/T. De Commissie gaat er daarom vanuit dat voor zowel 2012 als 2013 een verzoek tot stopzetting van de KOT is doorgegeven en dat dit door of namens belanghebbende is gedaan. Omdat deze verzoeken telefonisch zijn gedaan, is het verklaarbaar waarom er geen XML-bestanden zijn met een DIGID-ondertekening. B/T heeft vervolgens deze verzoeken verwerkt. De stopzettingen kunnen dan ook niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen van de kant van B/T
Op de stelling van belanghebbende dat een stopzetting niet strookt met de door haar later ingediende klacht over de aanvraag KOT, merkt de Commissie nog op dat uit de tijdlijn in het informatie- en beoordelingsformulier volgt dat in overleg met de toenmalige gemachtigde van belanghebbende deze klacht als afgehandeld mocht worden beschouwd. Aan de toenmalige gemachtigde is destijds geadviseerd om een nieuwe aanvraag in te dienen. Hij zou belanghebbende hierover informeren. Een dergelijke aanvraag is echter niet ingediend. Gelet op vorenstaande adviseert de Commissie UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Ingevolge artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden proceskosten alleen vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRVB 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140, JB 2021/25), is sprake van herroepen in de zin van artikel 7:15 lid 2 Awb als het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het met dat besluit beoogde rechtsgevolg. De aanpassing van de compensatieberekening heeft niet tot gevolg dat belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan compensatie dan de al eerder uitgekeerde € 30.000,-. De aanpassing van de compensatieberekening heeft wel tot gevolg dat het vertrekpunt voor een eventuele procedure over aanvullende compensatie voor de werkelijke schade verandert. De Commissie is daarom, in lijn met de genoemde rechtspraak en gelet op het systeem van de Wht, van mening dat er sprake is van een wijziging van het rechtsgevolg. Daarom adviseert de Commissie aan UHT om een vergoeding van de proceskosten toe te kennen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunt(en). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.
Slot
De Commissie zal UHT daarom adviseren het bezwaar deels gegrond te verklaren en de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH deels te herroepen. Daarmee staat tevens vast dat de totstandkoming van de bestreden beschikking deels onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering deels niet voldoende deugdelijk. Deze gebreken zullen bij de beslissing op bezwaar worden hersteld.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT:
een proceskostenvergoeding toe te kennen zoals hiervoor omschreven.
- het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH deels gegrond te verklaren en de, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zo verre herroepen;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen zoals hiervoor omschreven.
Secretaris
Fungerend voorzitter