BAC 2023-13353
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 18 april 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 25 februari 2025 om 14:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 17 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 18 april 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift wordt geacht te zijn gericht tegen het volgende door UHT genomen besluit. De beschikking van 18 april 2023 met kenmerk UHT-DCH waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een definitieve compensatie van € 41.606 voor de jaren 2016 tot en met 2018 wordt toegekend. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) fouten heeft gemaakt bij de toekenning van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Voor de jaren 2011 tot en met 2015 wordt geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 23 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT. De herbeoordeling ziet op de jaren 2011 tot en met 2018.
- Bij beschikking van 23 juni 2021 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat zij op basis van de eerste toets in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000.
- UHT heeft bij beschikking van 18 april 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 41.606 voor de jaren 2016 tot en met 2018. Voor de jaren 2011 tot en met 2015 wordt geen compensatie toegekend.
- Op 9 mei 2023 heeft UHT aan belanghebbende een opzet/grove schuld (hierna: O/GS) tegemoetkoming voor de jaren 2011 en 2012 toegekend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 mei 2023 tegen de definitieve compensatieberekening een bezwaarschrift ingediend.
- Op 8 mei 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 25 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Op 3 april 2025 heeft UHT, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Commissie, een aanvullende schriftelijke beschouwing toegestuurd. Op 8 april 2025 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft dit advies behandeld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vragen of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en of terecht en op goede gronden is geconcludeerd dat belanghebbende voor toeslagjaar 2011 niet in aanmerking komt voor compensatie op basis van vooringenomenheid dan wel hardheid van het stelsel. Voorts zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar. De opgeworpen bezwaargronden ten aanzien van de toeslagjaren 2013 en 2014 zullen niet in dit advies worden betrokken, nu gemachtigde op 8 april 2025 heeft aangegeven naar aanleiding van de door UHT toegestuurde stukken, na bestudering hiervan geen op- of aanmerkingen te hebben.
Definitieve compensatieberekening
Belanghebbende stelt het niet eens te zijn met het aan haar toegekende compensatiebedrag. De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. UHT heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding gemiste KOT onjuist blijkt te zijn vastgesteld voor de jaren 2016 tot en met 2018. Ingevolge artikel 2.3 lid 7 Wht wordt, kortweg, over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van de neerwaartse correctiebeschikking, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten overeenkomstige toepassing van artikel 27 Awir. In de compensatieberekening is de rente over de gemiste KOT opgenomen onder component o. UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat in de nieuwe berekening voor bovenstaande jaren op een hogere rentevergoeding wordt uitgekomen.
Voorts heeft UHT de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriele schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar.
Ten aanzien van de aanvangsdatum stelt UHT zich op het standpunt dat de onjuiste gehanteerde datum van 16 februari 2016 niet wordt aangepast naar de datum van 21 maart 2016, nu dit in het nadeel van belanghebbende zou zijn. De Commissie heeft geen aanleiding UHT in bovenstaande standpunten niet te volgen. De Commissie adviseert UHT daarom aan haar toezeggingen uit de schriftelijke reactie gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar. De aanpassingen hebben tevens tot gevolg dat ook de aanvullende vergoeding van 1% wijzigt.
De overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en de definitieve beschikkingen. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties, de betaal- en verreken overzichten en de overige producties, de compensatieberekening en daarmee het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie gemachtigde daarom niet in de stelling dat het beginsel van 'equality of arms' geschonden zou zijn.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende betwist dat zij voor toeslagjaar 2011 de KOT met ingang van 15 juli 2011 heeft stopgezet. Daarbij stelt belanghebbende dat de telefonisch stopzetting in strijd is met de algemene beginselen van een behoorlijk bestuur, nu de stopzetting niet schriftelijk aan belanghebbende is bevestigd.
Uit het bezwaardossier volgt dat belanghebbende op 4 augustus 2011 de KOT per 15 juli 2011 zou hebben stopgezet, waardoor de KOT neerwaarts is gecorrigeerd. In de beschikking van 23 augustus 2011 is verwezen naar een doorgegeven wijziging in de situatie van belanghebbende met als ingangsdatum 15 juli 2011. De overige correcties in dit jaar zijn gebaseerd op inkomenswijzingen en op de door belanghebbende en door de kinderopvanginstelling doorgegeven wijzigingen en toegezonden informatie. Geplaatst tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden overweegt de Commissie dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen. De Commissie heeft ook in de stelling van gemachtigde dat de schriftelijke bevestiging van de stopzetting door B/T ontbreekt en dit in strijd zou zijn met de algemene beginselen van een behoorlijk bestuur, geen aanknopingspunten gevonden om hier anders over te oordelen.
Voorts overweegt de Commissie dat wanneer de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, volgens vaste uitvoeringspraktijk - zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT - sprake kan zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot recht op compensatie vanwege hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van ten minste € 1.500 is teruggevorderd.
Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste € 1.500 teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede aan belanghebbende is gekomen. De Commissie volgt UHT in het standpunt dat in dit geval, toepassing gevend aan deze praktijk, geen aanspraak bestaat op compensatie vanwege hardheid van het stelsel. UHT heeft de berekening voor het jaar 2011 in haar nadere schriftelijke beschouwing van 3 april 2025 nader toegelicht. Voor dit jaar is aannemelijk geworden dat er geen sprake is geweest van een teveel betaling aan de kinderopvanginstelling die niet ten goede is gekomen aan belanghebbende. Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de hiervoor omschreven door UHT gehanteerde vereisten om voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel in aanmerking te komen.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 18 april 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Secretaris
Fungerend voorzitter