BAC 2023-13337
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 7 september 2023 (UHT DC I en UHT-DHR)
Hoorzitting: 4 april 2025 om 11:00 uur
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advie
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de op 20 juni 2022 alsmede de op 7 september 2022 door UHT genomen definitieve beschikkingen met kenmerken UHT-DH A, UHT DC I en UHT-DHR. Hierbij is aan belanghebbende over de toeslagjaren 2011 tot en met 2016 een compensatiebedrag toegekend van € 101.080. Over de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 is geen compensatie toegekend.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 juli 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Na overleg met de persoonlijke zaakbehandelaar is dit verzoek gericht op de jaren 2011 tot en met 2019.
- UHT heeft bij beschikking van 30 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 29 maart 2022 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €96.590 en dat, gelet op het feit dat reeds €30.000 is uitbetaald, nog een bedrag van €66.590, zal worden uitbetaald.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 20 juni 2022 geen compensatie toegekend voor toeslagjaren 2017 tot en met 2019.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 7 september 2022 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €101.080.
- Gemachtigde heeft bij brieven van 4 mei 2023, ingekomen op 5 mei 2023, tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 11 april 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 4 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde de bezwaargronden aangevuld.
- Dit advies wordt uitgebracht door de Voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende heeft aangevoerd dat UHT heeft verzuimd stukken te overleggen, die voor de beoordeling van het bezwaar relevant zijn. De Commissie overweegt ter zake als volgt.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke reactie met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen” (LIC-overzichten), het informatie- en beoordelingsformulier en de compensatieberekening, zijn tijdig aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de stellingname van belanghebbende geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Van schending van even genoemd artikellid is dan ook niet gebleken. De door belanghebbende in dit verband ontwikkelde bezwaren kunnen dan ook niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom deze bezwaren ongegrond te verklaren.
De inhoudelijke bezwaren
De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van de bestreden beschikkingen en de daartegen aangevoerde bezwaren, geplaatst voor de beantwoording van de vragen of UHT terecht heeft besloten de jaren 2017 en 2018 niet als compensatiejaar aan te merken en of UHT de compensatie over de jaren 2011 tot en met 2016 juist heeft berekend.
Met betrekking tot de eerste vraag (2017 en 2018) overweegt de Commissie als volgt
Belanghebbende heeft, in de kern samengevat, betoogd dat ook 2017 en 2018 als compensatiejaren hadden moeten worden aangemerkt. Zij heeft onterecht op een toezichtlijst gestaan en werd extra streng gecontroleerd. Dit heeft tot gevolg gehad dat zij in beide jaren de KOT pas na een aantal maanden kreeg toegekend. In deze perioden heeft zij de kosten voor kinderopvang moeten voorschieten. Dit heeft financieel nadeel veroorzaakt en geleid tot veel stress, ook omdat belanghebbende in de jaren ervoor geconfronteerd werd met nihilstellingen en terugvorderingen.
De Commissie stelt op grond van de stukken vast dat belanghebbende in de periode 2011 tot en met 2018 op een toezichtlijst stond met betrekking tot de KOT. Dit betekent dat belanghebbende extra werd gecontroleerd door de Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T).
Met betrekking tot toeslagjaar 2017 is aan belanghebbende op 20 december 2016 meegedeeld dat zij nog geen KOT ontvangt, omdat haar situatie wordt gecontroleerd aan de hand van bewijsstukken. Uiteindelijk ontvangt belanghebbende op 21 maart 2017 een voorschot van € 23.393 voor de opvang van drie kinderen. Met betrekking tot toeslagjaar 2018 heeft belanghebbende bij voorschotbeschikking van 21 februari 2018 ook een bedrag van € 23.393 ontvangen. Dit heeft tot gevolg gehad dat belanghebbende in 2017 drie maanden lang de kosten voor kinderopvang heeft moeten voorschieten. In 2018 heeft zij dit twee maanden moeten doen. Dat heeft belanghebbende in financiële nood gebracht. Anders dan UHT betoogt, is de Commissie van oordeel dat belanghebbende hierdoor wel financiële schade heeft geleden. Hoewel er in 2017 en 2018 geen sprake is van een verlaging of terugvordering van KOT, neemt de Commissie in aanmerking dat belanghebbende – vanwege de plaatsing op de toezichtlijst – twee maal enkele maanden heeft moeten wachten totdat de KOT werd toegekend. Deze lange verwerkingsduur van de toekenning in combinatie met financiële problemen als gevolg van het vooringenomen handelen van B/T in de zes voorgaande jaren, leidt de Commissie tot de conclusie dat ook vooringenomenheid moet worden aangenomen voor de jaren 2017 en 2018. Een zodanige opvatting ligt, aldus de Commissie, in lijn met het bepaalde in hoofdstuk 3.1.8 van het, door UHT bij haar uitvoeringspraktijk gehanteerde, Handboek Integrale Beoordeling waarin onder meer ligt besloten dat een samenstel van omstandigheden zoals hier aan de orde een sterke indicatie is van vooringenomenheid. Van omstandigheden waarom dit in het onderhavige geval anders zou zijn is, naar het oordeel van de Commissie niet, althans onvoldoende, gebleken.
Gelet hierop adviseert de Commissie het bestreden besluit te herroepen en belanghebbende op grond van artikel 2.1, lid 1, onder a van de Wht alsnog compensatie toe te kennen voor de toeslagjaren 2017 en 2018.
Met betrekking tot de tweede vraag (2011 tot en met 2016) overweegt de Commissie als volgt
Tussen partijen is niet in geschil dat in toeslagjaar 2011 sprake was van hardheid van het stelsel en dat in de toeslagjaren 2012 tot en met 2016 B/T jegens belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld. UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht € 101.080 aan belanghebbende toegekend. UHT heeft, blijkens het gestelde in de schriftelijke beschouwing, geconstateerd dat de berekening van de compensatie over toeslagjaar 2012 in de bestreden beschikking onjuist is geweest voor wat betreft de toeslagrente over de gemiste KOT (component o). UHT heeft daarbij, onder verwijzing naar de bij die beschouwing behorende bijlage, uiteengezet hoe zij deze berekening bij de beslissing op bezwaar zal aanpassen. De Commissie adviseert UHT daarom deze toezegging bij de beslissing op bezwaar gestand te doen en de door belanghebbende op dit punt opgeworpen bezwaren gegrond te verklaren.
Proceskosten
Nu de Commissie het bezwaar tegen de bestreden beschikkingen gegrond acht en adviseert om de besluiten te herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie als volgt
- het bezwaar tegen de beschikking van 20 juni 2022 met kenmerk UHT-DH A gegrond te verklaren en deze beschikking te herroepen;
- op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen over de toeslagjaren 2017 en 2018;
- het bezwaar tegen de beschikking van 7 september 2022 met kenmerken UHT DC I en UHT-DHR deels gegrond te verklaren en de, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zo verre te herroepen;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen zoals hiervoor omschreven.
Secretaris
Fungerend voorzitter