Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13333

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 30 maart 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 17 februari 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 3 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 30 maart 2023 genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met kenmerk UHT-DCH (hierna ook te noemen: de bestreden beschikking).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 3.526, in het kader van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000 voor het jaar 2019 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2018.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 17 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2012 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij beschikking van 2 maart 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000. De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 20 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende de jaren 2012 tot en met 2018 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 3.516. Gemachtigde heeft tegen deze vooraankondiging een zienswijze ingediend.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 30 maart 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 3.526 voor het jaar 2019 vanwege hardheid van het stelsel. Aan belanghebbende is geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2018.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 5 mei 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 1 mei 2024 bij wijze van schriftelijke beschouwing gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 24 januari 2025 heeft gemachtigde per e-mail een aanvullend stuk ingediend en UHT gevraagd aanvullende stukken te overleggen.
  • Op 17 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 12 maart 2025 een nadere schriftelijke beschouwing en producties ingediend. Gemachtigde heeft daar op 28 april 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2019 op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2012 tot en met 2018 af te wijzen.

Motivering van het besluit, volledigheid dossier en equality of arms

Belanghebbende stelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat zij bij gebreke van haar persoonlijk en volledig dossier de beschikking niet op juistheid kan controleren.

Voor zover UHT haar beoordeling bij het uitbrengen van het bestreden besluit onvoldoende zou hebben gemotiveerd, is dat gebrek door middel van het indienen van de schriftelijke beschouwing, met daarin een uitgebreide uitleg per component van de compensatieberekening, de overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC) en de overige producties hersteld. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Doordat belanghebbende niet over het volledige dossier beschikte en UHT wel, stelt belanghebbende in haar procesbelang te zijn geschaad. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 29 oktober 2024 aan gemachtigde toegezonden. Daarnaast heeft UHT op verzoek van gemachtigde op 12 maart 2025 aanvullende stukken overgelegd.

Gemachtigde en belanghebbende hebben kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikkingen en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest van de door UHT genomen beschikking. De Commissie ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad en het beginsel van "equality of arms" geschonden zou zijn. Bovendien volgt uit de jurisprudentie dat aan het beginsel 'equality of arms' geen rechtstreekse betekenis toekomt voor de bestuurlijke besluitvorming, waaronder de bezwaarprocedure (AbRvS 12 juli 2006, JB 2006/268, AB 2008). De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

UHT heeft toegezegd aan belanghebbende een persoonlijk dossier te verstrekken. Het verstrekken van dit dossier aan belanghebbende heeft geen invloed op deze bezwaarprocedure en staat er dus los van.

Beoordeling hardheid toeslagjaren 2013, 2016 en 2017

Belanghebbende stelt dat in de jaren 2013, 2016 en 2017 sprake is van hardheid, omdat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald, terwijl vervolgens bedragen van meer dan € 1.500 van belanghebbende zijn teruggevorderd.

De Commissie overweegt hierover als volgt. In deze situatie is het merendeel van de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling betaald, maar is er KOT bij de ouder teruggevorderd, omdat het recht op KOT lager bleek te zijn. Dit kan gezien worden als een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot recht op compensatie vanwege hardheid.

Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is het niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van tenminste € 1.500 is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van tenminste € 1.500 teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede aan belanghebbende is gekomen.

Uit het LIC-overzicht blijkt dat in 2013 in totaal € 8.112 aan KOT is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling. Uit de KOI-viewer volgt dat de opvangkosten in november en december 2013 € 2.279,97 bedroegen. Verder is het op basis van de stukken aannemelijk dat belanghebbende conform aanvraag van 1 februari tot en met 14 juni 2013 naar verwachting zo'n (218 uren x 6,36 uurtarief x 4,5 maand) €6.239,16 aan opvangkosten heeft gehad en heeft moeten betalen. De totale opvangkosten voor 2013 komen naar schatting daarom neer op ongeveer €8.519,13. De Commissie acht het op basis van de beschikbare gegevens aannemelijk dat de opvangkosten in 2013 hoger waren dan de aan de kinderopvanginstelling uitbetaalde KOT.

Voor 2016 blijkt uit het LIC-overzicht dat in totaal € 7.409 aan KOT aan de kinderopvanginstelling is betaald en € 395 op de rekening van belanghebbende is gestort. Volgens de KOI-viewer bedroegen de totale opvangkosten € 8.246,63. Voor 2017 blijkt uit het LIC-overzicht dat in totaal € 14.556,32 aan KOT is betaald aan de kinderopvanginstelling en € 464 is verrekend dan wel betaald uit bronnen van belanghebbende. Volgens de KOI-viewer bedroegen de totale opvangkosten €16.017,50.

De Commissie stelt vast dat er niet meer is betaald aan de kinderopvanginstelling dan de kosten voor daadwerkelijk afgenomen kinderopvang bij de kinderopvanginstelling.

Hoewel de KOT gedurende de jaren 2013, 2016 en 2017 met meer dan € 1.500 is verlaagd, is er niet te veel KOT uitbetaald aan de kinderopvanginstelling. Dat betekent ook dat de KOT aan belanghebbende ten goede is gekomen, omdat zij anders nog meer zelf had moeten betalen aan opvang. Hierdoor is de hardheidsregeling niet van toepassing en bestaat er geen aanspraak op compensatie vanwege hardheid van het stelsel. Het door belanghebbende op dit punt ingebrachte bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Voor zover belanghebbende zich op het standpunt stelt dat zij te weinig KOT toegekend heeft gekregen, merkt de Commissie op dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) en niet ziet op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. De regeling heeft niet tot doel alsnog (een hoger bedrag aan) KOT uit te keren, maar richt zich op de compensatie van ten onrechte teruggevorderde of niet toegekende KOT. Voor zover het bezwaar van belanghebbende zich richt tegen de onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen gaat de Commissie hieraan daarom voorbij. Een beoordeling van de hoogte van de KOT over de toeslagjaren 2013, 2016 en 2017 zoals deze indertijd definitief is vastgesteld valt buiten de reikwijdte van de Wht.

Beoordeling toeslagpartnerschap toeslagjaar 2016

Belanghebbende stelt dat het inkomen van haar toeslagpartner ten onrechte is meegenomen bij de berekening van de KOT in 2016. Zij heeft de gemeente destijds ingelicht over de foutieve inschrijving en dit zou met terugwerkende kracht teruggedraaid worden. Belanghebbende stelt dat het feit dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) de KOT niet met terugwerkende kracht heeft berekend, getuigt van vooringenomenheid. UHT stelt dat op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) de persoon die wordt ingeschreven op hetzelfde adres automatisch wordt aangewezen als toeslagpartner en dat in dit geval uit de BRP blijkt dat de partner en de kinderen van belanghebbende in de periode van 17 september 2015 tot en met 18 augustus 2016 op hetzelfde adres stonden ingeschreven als belanghebbende. Naar aanleiding van de melding van belanghebbende op 22 augustus 2016 is de toeslagpartner uitgeschreven en is de KOT verhoogd.

De Commissie overweegt als volgt. Uit de stukken volgt dat de KOT in 2016 automatisch is gecontinueerd op basis van de gegevens over 2015. Op 28 december 2015 heeft B/T een voorschotbeschikking afgegeven. Daarbij is uitgegaan van een geschat toetsingsinkomen van € 18.420. Op 21 januari 2016 heeft belanghebbende een wijziging doorgegeven waarbij er vanaf 19 februari 2016 minder opvanguren worden doorgegeven, namelijk nog maar 68 uur per maand in plaats van 118 uur per maand. Naar aanleiding van deze wijziging werd de KOT op 22 februari 2016 verlaagd. Op 9 mei 2016 zette belanghebbende de KOT stop met ingang van 1 juni 2016. Naar aanleiding hiervan is de KOT opnieuw berekend en op 21 juni 2016 verlaagd. Op 16 augustus 2016 vroeg belanghebbende opnieuw KOT aan met ingang van 22 augustus 2016 voor twee kinderen. Voor het eerste kind voor 59 uur per maand en voor het tweede kind voor 134 uur per maand. Als eerste werd de KOT op 22 augustus 2016 neerwaarts bijgesteld vanwege een stijging van het toetsingsinkomen. Doordat het inkomen van de toeslagpartner werd meegeteld is het toetsingsinkomen vastgesteld op €33.002. Op 22 augustus 2016 heeft een behandelaar van B/T naar aanleiding van telefonisch contact met belanghebbende de foutieve inschrijving hersteld. Dit komt ook overeen met de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP). Daarna werd de aanvraag van 16 augustus 2016 verwerkt en werd de KOT op 21 september 2016 verhoogd conform de aanvraag. Ook is het toetsingsinkomen naar beneden bijgesteld, weer terug naar €18.420. Bij de definitieve vaststelling van de KOT op 5 januari 2018 is de KOT verlaagd, omdat er uit de KOI-viewer minder uren opvang bleken. Daarnaast is het toetsingsinkomen neerwaarts bijgesteld naar € 42. De Commissie stelt vast dat het inkomen van de toeslagpartner uiteindelijk niet is meegenomen bij de definitieve vaststelling van de KOT.

De Commissie komt tot de conclusie dat de wijzigingen van de KOT in 2016 het gevolg zijn van reguliere correcties die het gevolg zijn van een inkomenswijziging, stopzetting of een wijziging in het aantal uren opvang. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden die erop wijzen dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2016 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard is geweest. Niet aannemelijk is geworden dat B/T op de door belanghebbende gemelde situatie rond de toeslagpartner heeft gereageerd zonder inachtneming van de geldende regels daarvoor. Ook is er geen sprake van een onterechte O/GS-kwalificatie, zodat ook geen aanspraak kan worden gemaakt op een hierop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaar 2017

Belanghebbende stelt dat zij in 2017 het gehele jaar opvang heeft genoten. Zij heeft verklaard dat er betalingsproblemen waren en dat het daardoor mogelijk is dat de KOI-viewer niet volledig was ingevuld. UHT stelt dat er in de maanden mei, juni en juli geen opvang is genoten en dat belanghebbende voor deze periode de KOT zelf heeft stopgezet.

De Commissie overweegt als volgt. Uit de stukken volgt dat de KOT in 2017 automatisch is gecontinueerd op basis van de gegevens over 2016. Op 28 december 2016 heeft B/T een voorschotbeschikking afgegeven. Op 20 april 2017 gaf belanghebbende een lager toetsingsinkomen door, namelijk nul, en zette zij de KOT stop met ingang van diezelfde dag. Naar aanleiding hiervan werd op 22 mei 2017 een nieuwe voorschotbeschikking afgegeven. Vervolgens vroeg belanghebbende op 1 augustus 2017 opnieuw KOT aan met ingang van diezelfde dag. Op 22 augustus 2017 verzocht B/T om informatie. Op 13 september 2017 gaf belanghebbende een wijziging door, waarbij er voor een kind minder uur aan opvang werd doorgegeven en een hoger toetsingsinkomen. Op 20 september 2017 stuurde belanghebbende de contracten door voor beide kinderen met de kinderopvanginstelling, facturen over januari tot en met april en augustus tot en met oktober 2017 en rekeningafschriften. Op 15 december 2017 werden de gegevens van belanghebbende verwerkt en werd op 9 februari 2018 een nieuwe voorschotbeschikking afgegeven waarbij de KOT werd verhoogd. Op 21 juli 2018 heeft B/T, mede op basis van de aangeleverde gegevens, de definitieve beschikking KOT vastgesteld. Hoewel het toetsingsinkomen hoger bleek, is de KOT hetzelfde gebleven.

De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2017 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard is geweest. In de eerste plaats overweegt de Commissie dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat zich de situatie voordoet dat belanghebbende of iemand namens belanghebbende op 21 april 2017 niet de KOT zou hebben stopgezet met ingang van 20 april 2017. Daarnaast blijkt ook uit de door belanghebbende aangeleverde gegevens niet dat er in de maanden mei, juni en juli 2017 opvang is genoten. Voorts is in de systemen van B/T geen informatie beschikbaar waaruit blijkt dat belanghebbende geregistreerde opvang heeft genoten in deze periode. De Commissie merkt op dat B/T in beginsel uit mag gaan van de KOI-viewer. Deze gegevens worden door de kinderopvanginstelling aangeleverd. Uit de KOI-viewer kan ook niet worden afgeleid dat er in de maanden mei, juni en juli opvanguren zijn afgenomen. Er zijn ook geen aanwijzingen dat de kinderen elders opvang hebben genoten.

Belanghebbende heeft tegen de definitieve beschikking ook geen bezwaar aangetekend of op andere wijze indertijd aangegeven dat er wel (geregistreerde) kinderopvang is afgenomen. De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden in het dossier of uit het behandelde ter zitting om voor de stelling van belanghebbende een begin van aannemelijkheid aanwezig te achten.

De Commissie komt tot de conclusie dat de wijzigingen van de KOT in 2017 het gevolg zijn van reguliere correcties die het gevolg zijn van een inkomenswijziging, stopzetting of een wijziging in het aantal uren opvang. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Verrekeningen

Belanghebbende stelt te zijn benadeeld doordat bedragen met andere toeslagen van belanghebbende zijn verrekend en daardoor niet (volledig) aan belanghebbende zijn uitbetaald.

De Commissie overweegt dat het verrekenen van terechte terugvorderingen geen compensatie op grond van hardheid oplevert. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder.

De Commissie merkt bovendien op dat bij verrekening van of beslag op toeslagen tot 1 januari 2021 ingevolge artikel 4:93 lid 4 Awb in combinatie met artikel 475c onderdeel j Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) tot 1 januari 2021 in het geheel geen beslagvrije voet van toepassing was. Vanaf 1 januari 2021 worden in de wettelijke regeling de toeslagen wel meegenomen in de beslagvrije voet (artikel 475c onderdeel j Rv), met uitzondering van de KOT. De KOT is namelijk niet bedoeld als inkomensvoorziening maar voor het bevorderen van de arbeidsparticipatie. De beslagvrije voet is dus geen belemmering voor het verrekenen van terugvorderingen KOT. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening

Naar aanleiding van het bezwaar heeft UHT ambtshalve de compensatieberekening opnieuw beoordeeld en geconstateerd dat component o van de berekening onjuist was. In de aanvullende schriftelijke beschouwing is dit toegelicht. De Commissie acht de toelichting begrijpelijk en verdedigbaar en adviseert het bedrag van € 358 in stand te laten.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit (de bestreden beschikking) te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter