BAC 2023-13321
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 1 maart 2023 en 28 maart 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 8 januari 2025
Overdracht advies aan UHT: 25 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 19 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 30 april 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,- ingevolge de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2010 tot en met 2012 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden voor toepassing van de hardheidscompensatie.
- UHT heeft bij de bestreden beschikkingen van 1 maart 2023 en 28 maart 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012.
- Belanghebbende heeft bij brief van 5 mei 2023, ingekomen op 9 mei 2023, tegen deze beschikkingen een voorlopig bezwaarschrift ingediend. Het bezwaarschrift is op 12 maart 2024 aangevuld.
- UHT heeft op 28 maart 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 8 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010 tot en met 2012 af te wijzen.
Het inzagerecht van belanghebbende en de op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende heeft verzocht om haar persoonlijk dossier en de LIC-overzichten.
De Commissie overweegt dat belanghebbende op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzagerecht in haar dossier heeft en voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
UHT heeft gedurende de bezwaarprocedure een bezwaardossier overgelegd, waarin ook de verzochte LIC-overzichten zijn opgenomen onder producties 33 tot en met 35. Het komt de Commissie daarmee voor dat belanghebbende kan beschikken over de op haar zaak betrekking hebbende stukken. Hoewel de Commissie het belang om het persoonlijk dossier te verkrijgen begrijpt – en belanghebbende heeft hier ook recht op - staat het persoonlijk dossier los van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verzoek om afgifte van het persoonlijk dossier is in behandeling bij UHT. De Commissie heeft geen mogelijkheden om dit traject te versnellen.
Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte geen oudergesprek heeft gehad, in ieder geval niet in het bijzijn van haar gemachtigde.
De Commissie concludeert aan de hand van productie 5 dat met de toenmalige gemachtigde is afgesproken dat zij het inhoudelijke gesprek met belanghebbende zou voeren en dat zij daarna de antwoorden aan UHT zou opsturen. Die antwoorden zijn door UHT verwerkt in het gespreksverslag . Op de hoorzitting heeft UHT uitgelegd dat het gespreksverslag een letterlijke weergave is van de opgestuurde antwoorden naar aanleiding van de vragenlijst. Al met al is de gang van zaken in overeenstemming geweest met de gemaakte afspraken. Gelet hierop adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende betoogt dat het op de weg van de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) ligt om de juistheid van de toegekende KOT te beoordelen en als die beoordeling leidt tot de conclusie dat aan belanghebbende in een of meer jaren meer KOT had moeten worden toegekend, dit als een jaar mee te nemen waarin compensatie gerechtvaardigd is.
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor het herstel van de gevolgen van vooringenomen handelen, van hardheid of van een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen.
Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT over de toeslagjaren 2011 en 2012 zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Artikel 19 Awir; onderzoeksplicht vooraf
Belanghebbende stelt dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in de betreffende toeslagjaren.
Verder betoogt belanghebbende, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting ten aanzien van artikel 16 Awir, dat B/T een onderzoeksplicht vooraf had, op basis van tastbare gegevens, of aanspraak bestond op KOT voordat een voorschot KOT werd toegekend. Het niet voldoen aan deze onderzoeksplicht komt voor rekening van B/T; terugvordering mag dan niet meer.
Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen. Voor zover moet worden uitgegaan van een onderzoeksplicht voor B/T zoals door belanghebbende is betoogd, geldt hiervoor naar de Commissie meent hetzelfde; het niet hieraan voldoen is geen aanleiding om vooringenomen handelen aan te nemen.
Afwijzing compensatie 2010 tot en met 2012
Belanghebbende stelt dat onduidelijk is waarop de bestreden beschikkingen zijn gebaseerd. Daarnaast wijst belanghebbende erop dat zij gebruik heeft gemaakt van gastouderbureau Dadim, waar het CAF-11 (Hawaii) onderzoek heeft plaatsgevonden. Ook betoogt belanghebbende dat niet zonder meer mag worden uitgegaan van de betrouwbaarheid van de KOI-viewer.
UHT heeft in de beschouwing van 28 maart 2024 per toeslagjaar toegelicht op basis van welke feiten en informatie de bestreden beschikkingen zijn genomen.
De Commissie overweegt allereerst of belanghebbende onderdeel uitmaakte van een CAF-11 (Hawaii) of CAF-11 vergelijkbaar onderzoek. Indien belanghebbende onderdeel was van een CAF-11 of CAF-11 vergelijkbaar onderzoek, kan toetsing of sprake was van individuele vooringenomenheid achterwege worden gelaten. Groepsgewijze vooringenomenheid staat dan immers vast. Een en ander wordt uitgebreid toegelicht in de Memorie van Toelichting op de Fiscale verzamelwet 2021 Kamerstukken II 2019/20, 35437, nr. 3, p. 30-31).
De Commissie constateert dat belanghebbende in de periode van oktober 2010 tot en met 2011 gebruik heeft gemaakt van gastouderbureau [naam]. Het CAF-11 (Hawaii) onderzoek naar gastouderbureau [naam] startte in het jaar 2012 tot en met 2014 (productie 5, pagina 36 dossier). De KOT van belanghebbende is per 2 januari 2012 al stopgezet (productie 37). Dat belanghebbende betrokken is geweest bij het CAF-11 (Hawaii) onderzoek is al om die reden niet aannemelijk. Belanghebbende was niet betrokken bij het CAF-11 (Hawaii) onderzoek, waardoor groepsgewijze vooringenomenheid niet aannemelijk is.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of er sprake is van individuele vooringenomenheid.
De Commissie overweegt verder dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 was gelegen in een aanvankelijk te hoog vastgesteld voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen later opnieuw is berekend.
Ten aanzien van 2010 is de KOT verlaagd van €2.479,- naar €2.407,- op basis van de door belanghebbende overgelegde jaaropgave waaruit blijkt dat minder opvanguren zijn afgenomen dan waarvan eerder was uitgegaan.
Over 2011 is de KOT neerwaarts bijgesteld naar aanleiding van de stopzetting van de KOT per 1 januari 2011. Daarna is weer KOT toegekend op verzoek van belanghebbende. In de definitieve beschikking is de KOT vastgesteld op €10.006,-.
Op de hoorzitting heeft de behandelend ambtenaar toegelicht dat dit op basis van het hele toeslagjaar is geweest, van 1 januari tot en met 31 december 2011, voor 178 uur opvang per maand (productie 27). Dit komt overeen met de contra informatie genoemd in de tijdlijn onder productie 5, pagina 32 van het dossier.
Uit het dossier leidt de Commissie het volgende af.
Over 2012 is de KOT bij beschikking van 21 januari 2012 neerwaarts bijgesteld van €7.149,- naar €26,- op grond van de volgens UHT door belanghebbende doorgegeven stopzetting van 3 januari 2012 per 2 januari 2012 (productie 37). De neerwaartse bijstelling van €26,- naar €0,- in de beschikking van 6 januari 2015 is blijkens de beschouwing gebaseerd op het bericht van belanghebbende - op het antwoordformulier van 20 augustus 2013 - dat zij in het jaar 2012 helemaal geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang (productie 32, pagina 143 dossier). Dit kwam overeen met de KOI-viewer (productie 5, pagina 43 dossier).
Op de hoorzitting heeft belanghebbende betwist dat zij de stopzetting heeft doorgegeven en dat de notitie op het antwoordformulier door haar is geschreven. Zij heeft erop gewezen dat het antwoordformulier niet is ingevuld en geen datum of handtekening bevat. Ook heeft zij erop gewezen dat het invullen van de KOI-viewer destijds niet verplicht was.
Wat daar ook van zij, de Commissie stelt vast dat de (vrijwel) nihilstelling bij beschikking van 21 januari 2012 is gebaseerd op de stopzetting van de KOT van 3 januari 2012 per 2 januari 2012.
Belanghebbende heeft dit als zodanig direct ervaren; de uitbetaling van de KOT is immers aanstonds gestopt. Belanghebbende heeft zich niet eerder op het standpunt gesteld dat deze stopzetting onjuist was. De Commissie meent dat er geen aanleiding was voor B/T om aan juistheid van deze stopzetting te twijfelen. Van vooringenomen handelen is geen sprake.
Eerdergenoemde bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover ten aanzien van belanghebbende anders te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS zodat ook hieraan geen aanspraak op compensatie kan worden ontleend. De Commissie stelt vast dat de bestreden beschikkingen zijn voorzien van een toelichting per toeslagjaar en acht de toelichting van UHT met de aan het bezwaardossier toegevoegde producties 33 tot en met 38 voldoende onderbouwd.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beslistermijn UHT beslissing op bezwaar
Belanghebbende heeft de Commissie verzocht om advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen maatregelen vanwege de termijnoverschrijding bij het nemen van een beslissing op het bezwaar.
Het gevolg van een termijnoverschrijding is dat belanghebbende mogelijk recht heeft op een dwangsom. Hiertoe kan belanghebbende UHT in gebreke stellen en zo nodig in beroep gaan bij de rechter. Deze weg heeft belanghebbende ook bewandeld.
De Commissie heeft geen bevoegdheid hier een advies uit te brengen, omdat dit buiten het kader van haar bevoegdheden valt als bedoeld in artikel 3 van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen.
Nadere uitleg in beslissing op bezwaar
Belanghebbende heeft aangevoerd dat in het Informatie- en beoordelingsformulier weliswaar is aangekruist dat zij niet op de FSV-lijst staat vermeld en dat geen sprake was van een onterechte O/GS-kwalificatie, maar dat bij haar nog onduidelijkheid bestaat over deze conclusies. De Commissie adviseert UHT om in de beslissing op bezwaar nader in te gaan op deze punten om de onduidelijkheid bij belanghebbende weg te nemen.
Belanghebbende verzoekt om het bezwaarschrift door te zenden aan de Commissie Werkelijke Schade (CWS).
De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de CWS bestemd.
Voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade komt in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T, de ouder die ten onrechte een kwalificatie opzet/grove schuld heeft gekregen en daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd of de ouder waaraan ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en die ingevolge artikel 9.1 Wht een O/GS-tegemoetkoming toekomt.
Nu de Commissie van mening is dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen, komt belanghebbende ook niet in aanmerking voor een aanvullende compensatie voor werkelijke schade.
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond moet worden verklaard, is er geen aanleiding een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter