BAC 2023-13306
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 24 april 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 16 december 2024 om 11:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 3 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 24 april 2023 met kenmerk UHT-DCH.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 4.977,- voor de jaren 2017 en 2018.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 7 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2017 en 2018.
- UHT heeft bij beschikking van 30 april 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 5 april 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geconcludeerd dat gedurende de maanden juli tot en met september 2017 geen geregistreerde opvang is afgenomen en daardoor voor die maanden evident geen recht bestond op KOT.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 4.977,- voor de jaren 2017 en 2018 met uitzondering van de maanden juli tot en met september 2017.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 mei 2023, ingekomen op 4 mei 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 22 juli 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 16 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2017 en 2018 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de maanden juli tot en met september 2017 af te wijzen. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen is besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.
Vooraankondiging en verbod van willekeur
Belanghebbende heeft geen vooraankondiging ontvangen, waardoor zij destijds niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat niet is aangegeven welk nadeel belanghebbende door dit nalaten heeft gehad, laat de Commissie dit bezwaar verder buiten beschouwing.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Gemachtigde meent dat bij de voorbereiding en totstandkoming van de bestreden beschikking niet de vereiste zorgvuldigheid in acht is genomen.
De Commissie onderkent dat UHT de bestreden beschikking niet uitvoerig heeft toegelicht. Dit brengt echter op zichzelf niet mee dat de motivering gebrekkig of onzorgvuldig is. De Commissie is van oordeel dat door het schriftelijke verweer, met een uitgebreide uitleg met behulp van het invul- en beoordelingsformulier en alle daarbij behorende stukken, de bestreden beschikking voldoende is toegelicht. Uitleg en onderbouwing van de ingenomen standpunten geven blijk van een voldoende zorgvuldige voorbereiding van de bestreden beschikking.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Ingevolge artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.
Volgens UHT was daarvan sprake in de maanden juli, augustus en september 2017 nu belanghebbende in die maanden geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt vervolgens niet bestreden.
Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de maanden juli tot en met september 2017 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De juistheid van de verschillende onderdelen van de compensatieberekening zijn door gemachtigde bij gebrek aan wetenschap betwist. Inmiddels beschikt belanghebbende over het bezwaardossier en heeft de zaaksbehandelaar van UHT bij de schriftelijke beschouwing ieder onderdeel van de compensatieberekening toegelicht.
Uit deze toelichting op de compensatieberekening maakt de Commissie op dat die berekening op enkele onderdelen inderdaad verkeerd is gemaakt, maar dat dit telkens in het voordeel van belanghebbende is. UHT heeft voor wat betreft deze onderdelen van de compensatieberekening verklaard dat zij niet in het nadeel van belanghebbende zal aanpassen.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2007, 2008 en 2009
Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende meegedeeld dat zij ook de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 beoordeeld wil zien omdat zij meent ook voor deze jaren recht op compensatie te hebben. Nu deze toeslagjaren (nog) niet door UHT zijn beoordeeld, kan de Commissie hier op dit moment geen advies over geven. Wel adviseert de Commissie UHT om, conform de toezegging van UHT tijdens de hoorzitting, deze toeslagjaren alsnog te beoordelen.
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade bestemd. Indien belanghebbende voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade in aanmerking wil komen, dient zij daartoe een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade in te dienen, dat door UHT voor advies wordt voorgelegd aan de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS). Dit CWS-advies is vervolgens leidend bij het nemen van het besluit met betrekking tot de aanvullende compensatie.
Proceskostenvergoeding
De bezwaren van belanghebbende zijn naar het oordeel van de Commissie ongegrond en de Commissie adviseert UHT om de bestreden beschikking niet te herroepen. Dit betekent dit dat belanghebbende geen recht heeft op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Dit volgt ook uit artikel 7:15 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Commissie adviseert UHT om geen proceskostenvergoeding toe te wijzen.
De Commissie merkt nog op dat de oorspronkelijke motivering van de bestreden beschikking, voordat dit in bezwaar is hersteld, te wensen over liet. Het lag dus alleszins voor de hand dat belanghebbende daartegen bezwaar heeft gemaakt. Dit was een adequate en vanuit haar positie bezien redelijke en zelfs noodzakelijke stap. Een advocaat die er 'blind' op zou hebben vertrouwd dat de motivering weliswaar nog ondeugdelijk was maar in een later stadium alsnog aan de maat zou blijken te zijn, en louter daarom zijn client zou hebben geadviseerd af te zien van het maken van bezwaar, zou waarschijnlijk een beroepsfout maken. De Commissie betrekt hierbij ook en ambtshalve haar ervaring dat een substantieel deel van de bezwaren waarover zij moet adviseren, op inhoudelijke gronden doel treft. Maar dat is pas vast te stellen als de onderliggende stukken compleet zijn.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter