BAC 2022-10717
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluiten: 19 september 2022 met de kenmerken: UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DH5 A en 3 oktober 2022 met kenmerk UHT-O OGS B
Hoorzitting: 13 mei 2025 om 15:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 18 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proces-kostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen vier beschikkingen:
- Definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van 19 september 2022 met kenmerk UHT-DC I;
- Definitieve beschikking afwijzing compensatie KOT van 19 september 2022 met kenmerk UHT-DC-I A;
- Beschikking herbeoordeling KOT van 19 september 2022 met kenmerk UHT-DH5 A;
- Definitieve beschikking tegemoetkoming Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS) van 3 oktober 2022 met kenmerk UHT-O OGS B.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 42.155 voor de jaren 2005 en 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2008 en 2010 tot en met 2013. Belanghebbende heeft voor de jaren 2010, 2012 en 2013 recht op een O/GS-tegemoetkoming ter grootte van € 5.582.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 1 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2007 tot en met 2013. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is de herbeoordeling aangepast naar de jaren 2005 tot en met 2013.
- UHT heeft bij beschikking van 26 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 augustus 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende 2006 tot en met 2008 en 2010 tot en met 2013 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Over de toeslagjaren 2005 en 2009 komt belanghebbende in aanmerking voor de compensatieregeling. Over de jaren 2010, 2012 en 2013 dient aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend te worden. De opgelegde boete voor het 2012 moet nog beoordeeld worden.
- UHT heeft belanghebbende met de eerste bestreden beschikking van
19 september 2022 met kenmerk UHT-DC I gecompenseerd voor de jaren 2005 en 2009 met een bedrag van € 42.155, vanwege vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). - UHT heeft met de tweede bestreden beschikking van 19 september 2022 met kenmerk UHT-DC-I A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 en 2010 tot en met 2013 vanwege vooringenomen handelen door B/T.
- UHT heeft belanghebbende met de derde bestreden beschikking van 19 september 2022 met kenmerk UHT-DH5 A laten weten dat over de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 en 2010 tot en met 2013 niet gebleken is van hardheid. Belanghebbende komt dan ook niet in aanmerking voor een tegemoetkoming.
- UHT heeft met de vierde bestreden beschikking van 3 oktober 2022 met kenmerk UHT-O OGS B belanghebbende op de hoogte gebracht dat zij in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming ter grootte van € 5.582. Deze tegemoetkoming ziet op de jaren 2010, 2012 en 2013.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 oktober 2022 tegen deze beschikkingen een voorlopig bezwaarschrift ingediend. Gemachtigde heeft bij brief van 18 september 2023 de gronden van bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 22 november 2023 schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
- Op 13 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft op 20 mei 2025 een aanvullende beschouwing, met bijgevoegde producties, ingebracht.
- Op 27 mei 2025 heeft gemachtigde op de aanvullende beschouwing gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2005 en 2009 op de juiste wijze heeft berekend.
De compensatieberekening met betrekking tot de toeslagjaren 2005 en 2009 Belanghebbende stelt dat de rente en kosten in de compensatieberekening onjuist zijn vastgesteld. De toeslagrente is niet meegenomen en de berekening van de rentevergoeding voor gemiste KOT is onduidelijk. Belanghebbende heeft juridische hulp ingeschakeld. De ingangsdatum voor de vergoeding van immateriële schade is onjuist vastgesteld.
UHT heeft gereageerd met de mededeling dat de toeslagrente voor 2005 € 469 bedraagt. Volgens de LIC-overzichten moeten de rente en kosten voor 2005 en 2009 respectievelijk € 4 en € 1.903 zijn. De ingangsdatum voor immateriële schadevergoeding is onjuist vastgesteld op 8 november 2007; de correcte datum is 31 december 2007. Dit wordt niet ten nadele van belanghebbende aangepast. Omdat het bezwaarschrift gegrond is, loopt de vergoeding door tot de datum van de beslissing op bezwaar. De rentevergoeding voor gemiste KOT moet worden bijgesteld naar € 3.192 en € 7.836.
De Commissie zal hierna ingaan op de diverse componenten van de compensatieberekening.
Toeslagrente (component d)
De toeslagrente moet, zoals de Commissie eerder heeft aangegeven (bijvoorbeeld in zaak BAC 2020-00024), worden meegenomen bij de bepaling van het bedrag onder d van de compensatieberekening. Dit is wettelijk vastgelegd in artikel 2.3, eerste lid, van de Wht.
Uit het overzicht beschikkingen toeslagen over 2005 blijkt dat UHT aan belanghebbende toeslagrente van € 469 in rekening heeft gebracht, gebaseerd op het verschil tussen de toekenning KOT (€ 5.232) en de terugvordering KOT (€ 5.701). De Commissie kan zich met de gegeven toelichting van UHT verenigen.
Daarnaast blijkt uit het LIC-overzicht van toeslagjaar 2009 dat er geen toeslagrente in rekening is gebracht. UHT heeft bij het vaststellen van component d voor toeslagjaar 2005 geen rekening gehouden met de toeslagrente, zodat deze bezwaargrond doel treft.
Rente en kosten (component i)
De Commissie merkt op dat de betaalde rente en kosten betrekking hebben op aanmaningen, dwangbevelen en invorderingsrente, zoals vastgelegd in artikel 2.3, vijfde lid, van de Wht.
Uit de LIC-overzichten blijkt dat in 2005 € 4 aan rente bij belanghebbende in rekening is gebracht en dat de kosten en rente over 2009 respectievelijk € 606 en € 1.297 bedroegen. De Commissie ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze overzichten.
In de compensatieberekening zijn voor de jaren 2005 en 2009 de bedragen € 2 en € 1.903 gehanteerd, waardoor de bezwaargrond ten aanzien van component i van toeslagjaar 2005 doel treft.
Vergoeding voor juridische hulp (component m)
Op grond van artikel 2.2, onderdeel f, in combinatie met artikel 2.3, zesde lid, van de Wht, wordt een forfaitaire vergoeding toegekend voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover deze kosten niet eerder zijn vergoed. De kosten worden vastgesteld op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), met een wegingsfactor van twee.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende in 2005 en 2009 zelf twee bezwaarprocedures heeft gevoerd zonder beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarom komt belanghebbende over deze jaren niet in aanmerking voor een vergoeding voor juridische hulp. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Vergoeding voor immateriële schade (component n)
De Commissie overweegt dat de ingangsdatum van de vergoeding voor immateriële schade, op grond van artikel 2.3, vierde lid, van de Wht, moet worden vastgesteld op de dagtekening van de eerste beschikking waarin de KOT wordt verminderd, niet toegekend, of de voorschotverlening wordt beëindigd als gevolg van vooringenomen handelen van B/T.
Uit de ingebrachte stukken blijkt dat de datum van 8 november 2007 is gekozen omdat op die dag in de interne systemen het besluit is genomen om de KOT op nihil te stellen. Met de beschikking van 31 december 2007 is de KOT op voorschotbasis daadwerkelijk aangepast naar nihil.
De Commissie adviseert UHT om vast te houden aan de startdatum van
8 november 2007, aangezien deze eerder valt dan de datum van de eerste neerwaartse beschikking.
Omdat het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is verklaard, moet de periode voor de berekening van immateriële schade doorlopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar.
Rentevergoeding voor gemiste KOT (component o)
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing van 22 november 2023 en de bijlage bij de compensatieberekening vastgesteld dat de rentevergoeding voor gemiste KOT voor de jaren 2005 en 2009 moet worden aangepast naar € 3.192 en € 7.836.
De Commissie stemt in met het standpunt van UHT dat, uitgaande van de data 1 juli 2006 en 1 juli 2010, de rentevergoeding voor gemiste KOT moet worden bijgesteld naar de genoemde bedragen.
Verder meent de Commissie dat in het bezwaardossier voldoende inzichtelijk is gemaakt hoe deze bedragen tot stand zijn gekomen.
Aanvullende vergoeding (component p)
Door de aanpassing van de eerder genoemde componenten zal UHT ook de aanvullende vergoeding opnieuw moeten berekenen.
Gelet op het voorgaande meent de Commissie dat het bezwaarschrift, gericht tegen het eerste bestreden besluit van 19 september 2022, gedeeltelijk gegrond moet worden verklaard.
De Commissie zal verder ingaan op de vraag of UHT terecht en op goede gronden heeft besloten om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2006 tot en met 2008 en 2010 tot en met 2013 af te wijzen.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende stelt dat zij in 2010 door B/T vooringenomen is behandeld, omdat de KOT voor één van haar kinderen is stopgezet toen hij naar de middelbare school ging. Tegen deze verlaging heeft zij bezwaar aangetekend, maar nooit een beslissing ontvangen.
UHT stelt dat de KOT voor 2010 gebaseerd was op één kind. B/T heeft informatie opgevraagd over de kinderopvang van haar tweede kind, maar deze niet ontvangen. Daarom is de KOT aangepast van € 17.684 naar € 9.469. Volgens UHT is er geen sprake van vooringenomenheid of onredelijke hardheid.
In de aanvullende beschouwing van 20 mei 2025 heeft UHT toegelicht dat alleen belanghebbende 1 kinderopvang heeft afgenomen. Uit de Koi-viewer blijkt niet dat belanghebbende 2 ook kinderopvang heeft afgenomen. UHT heeft niet kunnen achterhalen of er op het bezwaarschrift van 10 april 2015 een beslissing is genomen. Gemachtigde geeft in haar reactie van 27 mei 2025 aan dat op het bezwaarschrift niet is beslist en dat het niet redelijk is om van belanghebbende te verlangen meer informatie in te winnen bij B/T. De bezwaargronden - onjuiste inkomensvaststelling en onvolledige verwerking van de opvangkosten - zijn dan ook niet inhoudelijk beoordeeld.
De Commissie benadrukt dat het doel van de hersteloperatie is om gedupeerde ouders te compenseren voor ten onrechte teruggevorderde of onthouden bedragen, inclusief een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Volgens de Wht wordt compensatie toegekend aan ouders die schade hebben geleden door institutionele vooringenomenheid of onbillijkheden door de strikte toepassing van wettelijke regelingen.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende op 10 april 2015 bezwaar heeft aangetekend tegen de beschikkingen van 20 april 2011 en 9 april 2014, maar geen beslissing op bezwaar heeft ontvangen. Belanghebbende kan zich niet vinden in de kosten voor kinderopvang en de berekening van de KOT, waarbij B/T is uitgegaan van onjuiste en onvolledige informatie.
De beschikking van 20 april 2011 blijft onbesproken omdat belanghebbende al is gecompenseerd voor toeslagjaar 2009. Voor toeslagjaar 2010 heeft B/T met de voorschotbeschikking van 9 april 2014 de KOT verlaagd van € 17.684 naar € 9.469. B/T heeft drie brieven gestuurd (27 mei, 22 juli 2013 en 17 februari 2014) met het verzoek om opvanggegevens van belanghebbende over 2010. Belanghebbende heeft bij het bezwaarschrift documenten bijgevoegd, waaronder de jaaropgaven van 2009 en 2010 voor belanghebbende, maar de jaaropgave van belanghebbende over 2010 ontbreekt.
UHT verwijst naar de Koi-viewer, waaruit blijkt dat belanghebbende in 2010 in totaal 2.142 uur kinderopvang heeft afgenomen, overeenkomend met 179 uur per maand. De Koi-viewer bevat geen opvanggegevens van belanghebbende. De Commissie stelt vast dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor belanghebbende ook kinderopvang is afgenomen.
Hoewel de Commissie constateert dat B/T nalatig is geweest door niet op het bezwaar te beslissen, wordt dit niet gezien als vooringenomen handelen. Belanghebbende kan bij niet tijdig beslissen op bezwaar door B/T beroep instellen bij de rechtbank op grond van artikel 6:20 van de Awb.
De Commissie concludeert dat er geen sprake is van vooringenomen handelen of hardheid waardoor compensatie aan de orde is. De bezwaargrond treft geen doel.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting opgemerkt dat B/T over 2011 wel is uitgegaan van afgenomen kinderopvang voor twee van haar kinderen. UHT benadrukt in de aanvullende beschouwing dat in de Koi-viewer geen informatie is aangetroffen van afgenomen kinderopvang. De KOT is in 2011 ook niet neerwaarts bijgesteld, zodat compensatie niet aan de orde is.
De Commissie constateert uit de onderliggende stukken dat de KOT eerst op voorschotbasis is bepaald op € 16.924 en nadien met de beschikking van 2 juli 2013 definitief is vastgesteld op € 17.982. De Commissie concludeert dat belanghebbende in 2011 geen schade heeft geleden door vooringenomen handelen van B/T of door onbillijkheden als gevolg van de strikte toepassing van wettelijke regelingen. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Toeslagjaren 2012 en 2013
Belanghebbende stelt dat zij voor toeslagjaar 2012 een verzuimboete heeft betaald en hiervoor niet is gecompenseerd. UHT reageert dat belanghebbende in dat jaar wel vooringenomen is behandeld, maar geen recht had op KOT omdat zij geen gebruik heeft gemaakt van gekwalificeerde kinderopvang. De hardheids-regeling is niet van toepassing, dus er is geen recht op vergoeding.
Tijdens de hoorzitting voert belanghebbende aan dat haar jongste kind in 2012 en 2013 naar de kinderopvang ging en dat de KOT ten onrechte op nihil is vastgesteld. UHT heeft in de systemen van B/T geen informatie gevonden die kinderopvang bevestigt; de Koi-viewer bevat geen gegevens van afgenomen kinderopvang.
Volgens artikel 2.1, eerste lid, van de Wht komt een ouder in aanmerking voor compensatie bij bijzondere hardheid of institutionele vooringenomenheid van B/T. Echter, artikel 2.1, tweede lid, van de Wht sluit compensatie uit bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn, zoals evident geen recht op KOT. UHT stelt dat dit het geval was in 2012 en 2013, omdat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft dit niet aannemelijk gemaakt met aanvullende informatie. UHT's beleid voorziet in uitzonderlijke gevallen van hardheid, maar de beschikbare gegevens tonen geen relevante uitzonderlijke omstandigheden.
Daarom komt belanghebbende voor 2012 en 2013 niet in aanmerking voor compensatie.
De Commissie concludeert dat belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van de verzuimboete voor 2012, conform artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht.
De Commissie verklaart daarmee het bezwaar tegen de beschikkingen van
19 september 2022, met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A, ongegrond.
O/GS-kwalificatie
De Commissie merkt op dat belanghebbende in bezwaar niet nader heeft toegelicht wat de bezwaargronden zijn tegen de beschikking van 3 oktober 2022 met kenmerk UHT-O OGS B. Het bezwaar daartegen treft dan ook geen doel.
Fraudeur, FSV-lijst en werkelijke schade
De Commissie kan zich goed voorstellen dat belanghebbende zich ernstig gekwetst voelt doordat zij bij B/T als fraudeur te boek stond en was opgenomen op de FSV-lijst. Het is begrijpelijk dat zij voor deze schade gecompenseerd wil worden.
De Commissie wijst hiervoor naar de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS). Deze bezwaarschriftprocedure heeft uitsluitend betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade.
Onder werkelijke schade valt ook de gevolgschade, waaronder de terug-vorderingen van B/T die hebben geleid tot verrekeningen met andere toeslagen en de toekenning van KOT over latere jaren.
Nu de eerste bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belang-hebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen bij de hoorzitting), met een wegingsfactor van twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij om de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie de UHT om:
- het bezwaar tegen de beschikkingen van 19 september 2022 met de kenmerken: UHT-DC-I A en UHT-DH5 A en 3 oktober 2022 met kenmerk UHT-O OGS B ongegrond te verklaren;
- het bezwaar tegen de beschikking van 19 september 2022 met kenmerk UHT-
DC I gedeeltelijk gegrond te verklaren en in de compensatieberekening voor toeslagjaar 2005 de toeslagrente aan te passen naar € 269. Voorts om in de berekening voor toeslagjaar 2005 de rente en kosten aan te passen naar € 4, en om in de compensatieberekening voor het vaststellen van de vergoeding voor immateriële schade de einddatum te laten doorlopen tot en met datum van de beslissing op bezwaar. In de berekening dient verder bij de rentevergoeding voor de gemiste KOT voor de toeslagjaren 2005 en 2009 uitgegaan te worden van respectievelijk de volgende bedragen: € 3.192 en € 7.836. Tenslotte dient de aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) ook opnieuw te worden berekend; - het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter