BAC 2022-10716
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit:13 september 2022 (UHT DC I A, UHT-DC I en UHT-DH5 A)
Hoorzitting:15 januari 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 5 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gegrond te verklaren, vooringenomenheid voor de jaren 2009 en
2010 aan te nemen, de compensatieberekening aan te passen en een
vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 13 september 2022 (UHT-DC-I A, UHT-DC I en
UHT-DH5 A).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van €30.000,- voor de maanden januari tot en met juni 2008 en geen compensatie toegekend voor de maanden juli tot en met december 2008 en de jaren 2009 en 2010.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 en 2010. In overleg met belanghebbende is dat verzoek uitgebreid met het jaar 2008.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 augustus 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de maanden juli tot en met december 2008 en de jaren 2009 en 2010 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikkingen met de kenmerken UHT-DC-I A,
- UHT-DC I en UHT-DH5 A aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van €30.000,- voor de maanden januari tot en met juni 2008 en geen compensatie toegekend voor de maanden juli tot en met december 2008 en de jaren 2009 en 2010.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 oktober 2022, ingekomen op 18 oktober 2022, tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 oktober 2023, ingekomen op diezelfde datum, de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 10 juni 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 15 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de maanden januari tot en met juni 2008 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de maanden juli tot en met december 2008 en de jaren 2009 en 2010 af te wijzen.
Volledig dossier
Gemachtigde heeft verzocht om toezending van het volledige dossier.
De Commissie stelt vast dat de schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de betaal- en verrekenoverzichten van het Landelijk Incasso Centrum (LIC) en het SAS-overzicht, op 16 oktober 2024 aan gemachtigde zijn toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hiermee niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening 2008 (januari tot en met juni)
Naar aanleiding van het bezwaar heeft UHT de compensatieberekening nader bekeken en geconstateerd dat er fouten zijn gemaakt. Allereerst is in de berekening van component n, zijnde de immateriële schadevergoeding, uitgegaan van een onjuiste startdatum (3 september 2009 in plaats van 18 september 2009) en van een onjuiste einddatum (6 september 2022 in plaats van 13 september 2022). Dit leidt evenwel niet tot een hogere vergoeding, zoals door UHT gemotiveerd uiteen is gezet in de beschouwing.
Daarnaast is component o, de rentevergoeding voor gemiste KOT, onjuist berekend. De rentevergoeding had € 4.186,- moeten zijn in plaats van € 4.137,-. Tot slot dient ook de 1%-vergoeding over het totaal te worden aangepast. Omdat het compensatiebedrag uit de beschikking met kenmerk UHT-DC I (bijlage compensatieberekening, € 24.625,-) reeds is aangevuld tot het bedrag van
€ 30.000,-, leidt het voorgaande weliswaar tot aanpassing van het hiervoor genoemde compensatiebedrag van € 24.625,- maar resulteert niet in een extra uitbetaling aan belanghebbende, aldus UHT.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en adviseert UHT het bezwaar tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DC I gegrond te verklaren, het betreffende besluit te herroepen en de compensatieberekening aan te passen zoals hiervoor omschreven, zulks met inachtneming met alle navolgende overwegingen ten aanzien van de overige betrokken jaren.
Belanghebbende heeft tevens het standpunt ingenomen dat het compensatiebedrag over het jaar 2008 onjuist is berekend en dat aan haar een hoger bedrag had moeten worden toegekend. In dat standpunt volgt de Commissie belanghebbende niet, waartoe het volgende wordt overwogen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de KOT over het jaar 2008 in de beschikking van
18 september 2009 op nihil is beschikt (productie 14). UHT erkent dat een nadere uitvraag bij belanghebbende voorafgaand aan deze nihilstelling achterwege is gebleven, terwijl dit wel had gemoeten. Want uit de KOI-viewer 2008 heeft UHT herleid dat opvang is genoten van 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2008.
Maar het is de Commissie ook gebleken dat de KOT over het jaar 2008 is stopgezet met ingang van 22 juni 2008 (zie het als productie 36 overgelegde XML-bestand). De informatie uit dit XML-bestand is bij brief van 12 mei 2009 (productie 13) door B/T aan de bewindvoerder van belanghebbende bevestigd. Dit leidt de Commissie tot de conclusie dat aan belanghebbende geen ander compensatiebedrag over 2008 dient te worden toegekend, behoudens de aanpassingen in de compensatie-berekening die hiervoor uiteen zijn gezet.
Afwijzing compensatie toeslagjaren 2009 en 2010
De Commissie overweegt over de toeslagjaren 2009 en 2010 het navolgende. Belanghebbende stelt, kort gezegd, dat over deze jaren sprake is geweest van individueel vooringenomen handelen en dat zij gecompenseerd moet worden. UHT heeft dit standpunt weersproken.
Ten aanzien van toeslagjaar 2009 stelt de Commissie vast dat B/T ten aanzien van de neerwaartse bijstellingen van de KOT over dat jaar is uitgegaan van de (juistheid) van de informatie in de systemen van B/T, zijnde de KOI-viewer 2009 (productie 39). Daaruit blijkt dat er opvang is genoten in de periode van 17 augustus 2009 tot en met 30 november 2009, aldus UHT. Die gegevens zijn afkomstig van de kinderopvanginstelling, de kinderopvanginstelling die door belanghebbende eveneens was opgegeven in haar initiële aanvraag KOT, gedaan op 26 maart 2009 (productie 34), aldus UHT. Verder heeft UHT er op gewezen dat navraag is gedaan bij de kinderopvanginstelling, waarbij is verwezen naar de brief van 2 september 2009 die is overgelegd als productie 33. Ter zitting heeft de Commissie de behandelend ambtenaar van UHT gevraagd of de gestelde navraag bij de kinderopvanginstelling nader kan worden toegelicht of met stukken kan worden onderbouwd. UHT heeft in reactie hierop aangegeven dat dit niet mogelijk is en dat alle (bewijs)stukken ter zake de gestelde aanvraag zijn opgenomen in het bezwaardossier.
Bewijsstukken ter staving van de gestelde navraag bij de KOI ontbreken aldus. Daar komt nog bij dat belanghebbende ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij het gehele jaar 2009 opvang heeft afgenomen. Verder is voor de Commissie van belang dat, zo heeft UHT zelf in haar beschouwing uiteen gezet, de informatie waarover B/T beschikte en die afkomstig was van de KOI niet eenduidig is. Er wordt gesproken over twee einddata wat betreft de afgenomen opvang, namelijk 1 november 2009 en 30 november 2009.
Het vorenstaande leidt de Commissie tot het oordeel dat de omstandigheid dat de door B/T bij de KOI ingewonnen informatie niet (eerst) bij belanghebbende is geverifieerd, getuigt van individueel vooringenomen handelen. B/T mocht in de gegeven omstandigheden niet zonder meer van de juistheid van deze informatie uitgaan. Anders dan UHT heeft aangevoerd, moet dit wel degelijk worden gekwalificeerd als individueel vooringenomen handelen. Dit betekent dat belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie over het jaar 2009. Ook om deze reden is het bezwaar van belanghebbende gegrond.
Over toeslagjaar 2010 wordt het navolgende overwogen.
Bij beschikking van 21 januari 2010 is de KOT (na eerdere voorschotverlening) op nihil gesteld. B/T is daarbij wederom uitgegaan van de (juistheid van de) informatie die eerder was verkregen van de kinderopvanginstelling. In de beschouwing heeft UHT hierover toegelicht dat voor toeslagjaar 2010 niet zonder meer mocht worden uitgegaan van de juistheid van de informatie van de KOI. Immers, die gegevens beperkten zich tot het jaar 2009. Een nadere uitvraag bij belanghebbende lag daarmee voor de hand. Dat B/T dit heeft nagelaten moet naar het oordeel van de Commissie worden aangemerkt als individueel vooringenomen handelen. UHT beroept zich evenwel op de uitzonderingsbepaling in artikel 2.1, tweede lid, van de Wht en stelt daarbij, samengevat weergegeven, dat belanghebbende evident geen recht had op KOT. De bewijslast daarvan rust op UHT. Ter zitting heeft UHT, gelet hierop, aangevoerd dat door belanghebbende geen aanvraag voor KOT over het jaar 2010 is gedaan en dat de KOI-viewer 2010 geen opvanggegevens bevat, op grond waarvan UHT heeft geconcludeerd dat geen opvang in het jaar 2010 is afgenomen en dat belanghebbende reeds hierom evident geen recht op KOT had. Op verzoek van de Commissie is de KOI-viewer 2010 na de zitting door UHT
aan de Commissie gezonden en is dit document toegevoegd aan het dossier.
De Commissie stelt vast dat de KOI-viewer 2010 geen opvanggegevens bevat.
De Commissie meent niettemin dat UHT in de op haar rustende bewijslast niet is geslaagd. Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat zij in het jaar 2010 opvang heeft afgenomen. Een aanvraag KOT voor het jaar 2010 is niet voorhanden, zoals door UHT is gesteld, maar een dergelijke aanvraag was naar het oordeel van de Commissie ook niet nodig nu uit het bezwaardossier blijkt dat de KOT voor het jaar 2010 automatisch is gecontinueerd. Het doen van een aanvraag KOT voor het jaar 2010 ligt dan niet voor de hand en het ontbreken daarvan kan dus ook niet aan belanghebbende worden tegengeworpen. Verder is relevant dat, zoals hiervoor omtrent het jaar 2009 is overwogen, B/T niet zonder meer mocht uitgaan van de juistheid van de informatie van de KOI waaruit zij heeft geconcludeerd dat na 30 november 2009 geen opvang meer is afgenomen door belanghebbende. Een nadere uitvraag lag ook voor het jaar 2010 voor de hand en nu dat is nagelaten, zo oordeelt de Commissie, is ook voor het jaar 2010 sprake geweest van individueel vooringenomen handelen en komt belanghebbende in aanmerking voor compensatie. Het bezwaar van belanghebbende treft ook in zoverre doel.
Een en ander betekent dat de bestreden beschikkingen met de kenmerken UHT DC I A, UHT-DC I en UHT-DH5 A dienen te worden herroepen en de compensatie-berekening zal moeten worden aangepast met inachtneming van alle voorgaande overwegingen en zoals hierna in het dictum opgenomen.
Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren gegrond zijn en zullen moeten leiden tot herroeping van de bestreden beslissingen met de kenmerken UHT DC I A, UHT-DC I en UHT-DH5 A, zal de Commissie UHT adviseren de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar tegen de beschikkingen met de kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DC I en UHT-DH5 A gegrond te verklaren en de bestreden besluiten te herroepen;
- de compensatieberekening als volgt aan te passen:
- compensatie toe te kennen wegens vooringenomenheid voor het jaar 2009 en het jaar 2010;
- de toeslagrente over gemiste KOT voor het jaar 2008 aan te passen naar het bedrag van € 4.186,-;
- de einddatum van de vergoeding van immateriële schade vast te stellen op de datum van de beschikking op bezwaar
- de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter