BAC 2023-13205
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 december 2022 (UHT-DCH) en 9 februari 2023 (UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 14 april 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 20 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden besluiten te herroepen, compensatie vanwege hardheid van het stelsel toe te kennen voor de jaren 2012 en 2013, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 29.953,-. De B/T heeft in het jaar 2009 en de periode van januari, februari, november en december 2011 namelijk fouten gemaakt bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag. Voorts is voor de periode van maart tot en met oktober 2011 de hardheidsregeling van toepassing. Daarnaast is aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 1.861 voor de jaren 2012 en 2014, vanwege een onterechte kwalificatie Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS).
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2014. Bij aanvang van de herbeoordeling heeft de persoonlijke zaakbehandelaar (hierna: PZB) na een gesprek, in overleg met de belanghebbende, de jaren beperkt tot de toeslagjaren 2009 en 2011 tot en met 2013.
- UHT heeft bij beschikking van 2 maart 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- UHT heeft bij de vooraankondigingen aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.443,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 27 juli 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2012 en 2013 compensatie vanwege institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden niet van toepassing is. Tenslotte heeft de CvW geadviseerd dat belanghebbende voor het jaar 2012 in aanmerking komt een O/GS-tegemoetkoming.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 28.092,-voor de jaren 2009 en 2011.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 1.075,- voor het jaar 2012.
- UHT heeft bij de beschikking met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 1.861 voor de jaren 2012 en 2014. In de bestreden beschikking met kenmerk UHT-O OGS B was namelijk abusievelijk het jaar 2014 niet meegenomen.
- Gemachtigde heeft bij brieven van 8 mei 2023, ingekomen op 8 mei 2023, tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH en tegen de beschikking met kenmerk UHT-O OGS B, bezwaarschriften ingediend.
- UHT heeft op 23 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 3 april 2025 een KOT-aanvraag en de KOI-viewer voor het toeslagjaar 2013 ingediend.
- Op 14 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking(en) leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Persoonlijk dossier/onvolledig dossier/Equality of arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de LIC-overzichten en het informatie- en beoordelingsformulier, zijn op 3 december 2024 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
De jaren 2012 en 2013 - KOT naar KOI
Gemachtigde heeft ter zitting gesteld dat in de jaren 2012 en 2013 sprake is van hardheid van het stelsel, omdat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is betaald, terwijl vervolgens bedragen van meer dan €1.500,- van belanghebbende zijn teruggevorderd. UHT heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat voor de jaren 2012 en 2013 inderdaad aanspraak bestaat op compensatie vanwege hardheid van het stelsel. In die jaren is een bedrag van tenminste € 1.500,- bij belanghebbende teruggevorderd. Tevens zijn bedragen van ten minste € 1.500,- teveel uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede gekomen aan belanghebbende. UHT heeft de dit ter zitting nader toegelicht.
De Commissie acht het door UHT ter zitting ingenomen standpunt juist en adviseert daarom het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en voor de jaren 2012 en 2013 alsnog compensatie vanwege hardheid van het stelsel toe te kennen in de beslissing op het bezwaar.
Nu niet meer ter discussie staat dat belanghebbende voor het jaar 2012 recht heeft op compensatie vanwege hardheid van het stelsel en dus aanspraak maakt op een voor haar gunstigere herstelregeling overweegt de Commissie dat aan de bezwaren ten aanzien van de (hoogte van de) O/GS-tegemoetkoming voor het jaar 2012 voorbij kan worden gegaan, nu belanghebbende op grond van de Wht voor een herstelregeling tegelijk in aanmerking komt.
Belanghebbende stelt dat zij niet kan nagaan of het correct is dat component d (de in rekening gebrachte rente) over de jaren 2009 en 2011 op nihil is gesteld, terwijl onder component i (de betaalde rente en kosten) een totaalbedrag is opgenomen van € 78,-. UHT stelt in haar schriftelijke verweer dat component d ziet op de toeslagrente en component i ziet op de invorderingsrente- en kosten en dat deze type rentes apart worden opgenomen in de compensatieberekening. De Commissie meent dat UHT is uitgegaan van de correcte bedragen en adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Rentevergoeding over gemiste KOT
Belanghebbende voert aan dat niet inzichtelijk is hoe de rentevergoeding over gemiste KOT is berekend. UHT stelt in haar schriftelijke verweer dat de rentevergoeding over de gemiste KOT (regel o van de compensatieberekening) voor de jaren 2009 en 2011 onjuist is berekend. De Commissie acht het bezwaar op dit punt gegrond en adviseert UHT de rentevergoeding voor het jaar 2009 aan te passen van € 1.120,- naar € 1.171,-en voor het jaar 2011 aan te passen van €5.134,-, naar € 5.847,-.
Vergoeding van de immateriele schade
Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk is of de correcte startdatum is gebruikt bij de berekening van de vergoeding van de immateriele schade. UHT stelt dat bij de berekening van de vergoeding van de immateriele schade een verkeerde startdatum is gebruikt. De Commissie acht het bezwaar op dit punt gegrond.
De Commissie overweegt daarbij dat op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. UHT hanteert echter een voor belanghebbenden gunstiger beleid, waarbij voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste vooringenomen handeling door de B/T. De Commissie merkt op dat op grond van bovengenoemd wettelijk kader bij beschikking van 20 april 2011 de KOT is verminderd, hetgeen een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid.
De Commissie begrijpt uit het standpunt van UHT dat als startdatum voor de berekening van de immateriele schade 24 december 2010 wordt gehanteerd. UHT hanteert dus het voor belanghebbenden gunstiger beleid. Deze begindatum komt de Commissie dan ook juist voor. De Commissie merkt daarbij op dat UHT geacht wordt dat beleid ook in vergelijkbare gevallen consistent toe te passen.
Voorts heeft UHT de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriele schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen. De Commissie merkt verder op dat bovenstaande aanpassing tot gevolg heeft dat ook de aanvullende vergoeding van 1% dient te worden doorberekend tot de datum van de beslissing op bezwaar.
Nu de primaire besluiten naar de mening van de Commissie dienen te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- voor de jaren 2012 en 2013 compensatie wegens hardheid van het stelsel toe te kennen;
- in de compensatieberekening de rentevergoeding over gemiste KOT voor het toeslagjaar 2009 aan te passen naar € 1.171,- en voor het jaar 2011 aan te passen naar € 5.847,-;
- de vergoeding voor de immateriele schade opnieuw te berekenen en uit te gaan van de einddatum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen;
- de aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) aan te passen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
Secretaris
Fungerend voorzitter