BAC 2023-13190
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 30 maart 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 30 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2017, 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 augustus 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar zijn de jaren 2017, 2018 en 2019 in de herbeoordeling betrokken.
- UHT heeft bij beschikking van 8 juni 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 2 maart 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2017, 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 april 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 27 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 1 mei 2025 heeft gemachtigde de Commissie verzocht de bezwaarprocedure op stukken af te doen. De Commissie ziet daarom op grond
- van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende en adviseert op basis van de aan haar bekende stukken.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Toeslagjaren 2017, 2018 en 2019
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat er bij de toekenning of aanpassing de KOT voor de jaren 2017, 2018 en 2019 sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel.
De behandeling van de KOT voor deze jaren is op reguliere wijze verlopen:
- De KOT voor het jaar 2017 is zowel bij voorschotbeschikking als bij definitieve beschikking toegekend conform de aanvraag van belanghebbende, met inachtneming het wettelijke maximumtarief;
- In 2018 is de KOT automatisch gecontinueerd op basis van de lopende aanvraag. Bij definitieve beschikking is de KOT voor 2018 verhoogd op basis van een hoger uurtarief;
- In 2019 is de KOT wederom automatisch gecontinueerd. Vervolgens is het voorschot wegens een verhoogd uurtarief naar boven bijgesteld. Daarna is de KOT nogmaals verhoogd, ditmaal naar aanleiding van de KOT-aanvraag voor de opvang van het tweede kind van belanghebbende. Bij definitieve beschikking is de KOT voor 2019 niet meer gewijzigd.
De KOT-beschikkingen zijn conform de wet vastgesteld en hebben, zoals blijkt uit de betaal- en verrekenoverzichten, niet tot een terugvordering geleid.
Belanghebbende komt daarom voor de jaren 2017, 2018 en 2019 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.
Belanghebbende heeft voorafgaand aan het primaire besluit aan UHT verklaard dat zij in ernstige financiële problemen is geraakt door terugvorderingen van B/T. Zij stelt onder andere dat deze terugvorderingen al vóór 2020 plaatsvonden en dat zij hiertegen in 2020 in bezwaar is gegaan (productie 4, onderdeel D).
Gelet op wat hierboven is uiteengezet acht de Commissie niet aannemelijk geworden dat de door belanghebbende genoemde terugvorderingen zagen op de KOT van de herbeoordeelde jaren 2017 tot en met 2019.
Overigens geldt op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, dat de compensatieregeling niet van toepassing is op beslissingen van B/T vanaf 23 oktober 2019, tenzij die handelingen causaal verband houden met vooringenomen handelingen van voor die datum. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden dat voor 23 oktober 2019 vooringenomen handelingen door B/T hebben plaatsgevonden die mogelijk invloed hebben gehad op de behandeling van de KOT voor de jaren na 2019. Daarom is de Commissie van mening dat UHT mocht afzien van het betrekken van de KOT-jaren na 2019 in de herbeoordeling. Voor die jaren zijn de reguliere rechtsmiddelen van toepassing.
Het motiveringsvereiste en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter