BAC 2023-13189
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 3 maart 2023 met kenmerk: UHT-DCH
Hoorzitting: 1 april 2025 om 10:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
In de beschikking van 3 maart 2023, met kenmerk UHT-DCH, wordt aan belanghebbende met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 voor toeslagjaar 2013. Het verzoek om compensatie over het jaar 2014 wordt afgewezen.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 2 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over 2014 en 2015. In overleg met de persoonlijk zaaks behandelaar is de herbeoordeling aangepast naar de jaren 2013 en 2014. Het jaar 2015 valt af omdat de toeslagpartner van belanghebbende de KOT heeft aangevraagd.
- UHT heeft bij beschikking van 18 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat over toeslagjaar 2014 de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) niet vooringenomen heeft gehandeld dan wel dat de hardheidsregeling van toepassing is. Over toeslagjaar 2013 is de compensatieregeling wel van toepassing.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende medegedeeld dat het voorlopige compensatiebedrag wordt vastgesteld op € 14.763. Er volgt geen extra betaling omdat belanghebbende al een betaling van € 30.000 heeft ontvangen.
- UHT heeft met de beschikking van 3 maart 2023 (hierna: de bestreden beschikking) het compensatiebedrag definitief vastgesteld op € 14.860 omdat belanghebbende over 2013 vooringenomen is behandeld. Belanghebbende wordt over 2014 niet gecompenseerd.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 april 2023 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 31 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 1 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Op 28 april 2025 heeft UHT de aanvullende beschouwing met bijlagen ingebracht.
- Op 12 en 16 mei 2025 heeft gemachtigde op de beschouwing van UHT gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of UHT de toegekende compensatie over toeslagjaar 2013 op de juiste wijze heeft berekend en zal daarbij ingaan op de volgende componenten van de compensatieberekening:
- Rentevergoeding voor gemiste KOT;
- Immateriele vergoeding voor schade;
- Aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal);
- Rente en kosten;
- Vergoeding voor juridische hulp.
Rentevergoeding voor gemiste KOT
Belanghebbende voert aan dat in de compensatieberekening niet duidelijk is hoe het bedrag voor de rentevergoeding voor gemiste KOT is vastgesteld. UHT heeft in de schriftelijke beschouwing van 31 oktober 2024 vastgesteld dat de vergoeding opwaarts moet worden bijgesteld naar € 4.391.
Ingevolge artikel 2.2, aanhef onder g, van de Wht wordt over het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de KOT of het beeindigen van de voorschotverlening van de KOT, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten met overeenkomstige toepassing van artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Ingevolge artikel 27 Awir wordt de rente berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar en eindigt op de dag van de dagtekening van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming.
De Commissie stelt met instemming vast dat UHT, rekening houdend met het hierboven genoemde wettelijk kader, de rentevergoeding voor gemiste KOT (component o) opnieuw heeft berekend. UHT heeft daarbij voldoende inzichtelijk gemaakt hoe het bedrag van €4.391 tot stand is gekomen. Deze bezwaargrond treft dan ook doel.
Immateriele vergoeding voor schade
Het is belanghebbende niet duidelijk waarom voor de vaststelling van deze vergoeding wordt uitgegaan van 16 juni 2015. In reactie daarop stelt UHT dat voor de startdatum van deze vergoeding uitgegaan had moeten worden van 31 juli 2015 in plaats van 16 juni 2015. Met de beschikking van 31 juli 2015 werd de KOT namelijk ten onrechte verlaagd. Het aanpassen van de datum heeft geen gevolgen voor de hoogte van de vergoeding. De einddatum van deze vergoeding loopt nu door tot en met de datum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen.
In artikel 2.3, vierde lid, van de Wht is bepaald dat voor de startdatum van deze vergoeding uitgegaan moet worden van de eerste neerwaartse correctiebeschikking. UHT is daarbij uitgegaan van de interne melding van 16 juni 2015 om de KOT aan te passen. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende met deze vaststelling niet tekort is gedaan. Doordat het bezwaarschrift van belanghebbende gegrond wordt verklaard, heeft dat gevolgen voor de einddatum van de vergoeding van de immateriele schade. De einddatum loopt daarom door tot en met de datum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen.
Aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal)
Door aanpassing van de rentevergoeding gemiste KOT en verhoging van de vergoeding voor immateriele schade zal dat ook tot aanpassing van de aanvullende 1% vergoeding.
Belanghebbende voert aan dat het onduidelijk is hoe het bedrag van de rente en kosten is vastgesteld. UHT heeft voor de hoogte van deze kosten verwezen naar het LIC-overzicht van toeslagjaar 2013.
De Commissie kan zich verenigen met het standpunt van UHT dat uit het LIC-overzicht volgt dat de gemaakte kosten en betaalde rente respectievelijk de volgende bedragen zijn, namelijk: € 61 en € 38. De totale kosten en rente zijn daarmee vastgesteld op € 99. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Vergoeding voor juridische hulp
Belanghebbende verzoekt om een vergoeding voor juridische hulp omdat hij door het kindercentrum is gedagvaard en hiervoor kosten heeft moeten maken. UHT stelt dat belanghebbende hiervoor niet in aanmerking kan komen omdat er geen juridische kosten zijn gemaakt.
De Commissie wijst erop dat op grond van artikel 2.3, lid 6 van de Wht een forfaitaire vergoeding wordt toegekend voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover deze kosten niet eerder zijn vergoed. De kosten worden vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij een wegingsfactor van twee wordt toegepast.
Het is de Commissie uit de onderliggende stukken niet gebleken dat belanghebbende beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft gekregen vanwege problemen met de KOT. Belanghebbende heeft op 10 december 2015 zelf bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 31 juli 2015. Het bezwaarschrift is niet-ontvankelijk verklaard omdat belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Toeslagjaar 2014
Belanghebbende stelt dat er over 2014 ook kinderopvang is afgenomen. Door een verhuizing vond er opvang plaats bij een andere kinderopvang. Deze wijziging is ook aan B/T doorgegeven. Bij het bezwaarschrift zijn het opvangcontract bij kinderopvangverblijf [naam] en de facturen van de maanden oktober tot en met december 2014 bijgesloten. Het is onterecht dat B/T de KOT op nihil heeft gesteld. In reactie voert UHT aan dat er over 2014 geen KOT is toegekend omdat de (ex-)partner van belanghebbende niet heeft kunnen aantonen dat zij werkte dan wel een studie volgde. Belanghebbende heeft dan ook niet voldaan aan de voorwaarden van een doelgroep en heeft daarmee geen recht op KOT. Belanghebbende komt dan ook niet in aanmerking voor compensatie.
Tijdens de hoorzitting heeft de Commissie UHT verzocht om een aanvullende beschouwing in te brengen over een gevolgde opleiding c.q. studie van de (ex-)partner van belanghebbende in 2014.
UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 17 april 2025 nader toegelicht dat belanghebbende op 24 oktober 2014 KOT heeft aangevraagd. Om het recht op KOT te kunnen beoordelen heeft B/T op 2 december 2014 om aanvullende informatie gevraagd. In reactie daarop heeft belanghebbende op 15 december 2014 een aantal documenten gestuurd. B/T heeft geconstateerd dat een aantal documenten ontbreken en belanghebbende op 16 februari 2015 om het volgende gevraagd:
- ondertekende contracten met de kinderopvanginstelling;
- facturen over de periode 24 oktober 2014 tot en met heden;
- bankafschriften waaruit blijkt dat de eigen bijdrage voor de kinderopvang is betaald;
- informatie van de (ex-)partner van belanghebbende zoals: loonstroken of een inschrijvingsbewijs van het volgen van een opleiding.
Naar aanleiding van de brief van 16 februari 2015 heeft belanghebbende telefonisch contact gehad met B/T waarin is medegedeeld dat de aanvraag is afgewezen omdat de eerder genoemde documenten ontbreken. In de beschouwing van 17 april 2025 benadrukt UHT dat belanghebbende op het formulier "Verzoek aanvullende informatie KOT" heeft verklaard dat de (ex-)partner niet werkte en pas vanaf 1 januari 2015 haar studiefinanciering zou krijgen. Verder verklaarde belanghebbende nog dat de kinderopvang niet is betaald en daarom geen bankafschriften kon laten zien. UHT stelt verder dat belanghebbende tegen de afwijzing van de KOT geen bezwaar heeft aangetekend. Uit de informatie van de Koi-viewer blijkt niet dat belanghebbende over de periode 24 oktober tot en met 31 december 2014 kinderopvang heeft afgenomen.
Op 12 en 16 mei 2025 heeft gemachtigde op de aanvullende beschouwing van UHT samengevat als volgt gereageerd dat de (ex-)partner van belanghebbende in 2014 een opleiding volgde en heeft gewerkt. Kinderopvang was hierdoor noodzakelijk. De gevraagde documenten heeft belanghebbende vaker naar B/T gestuurd. Deze documenten heeft belanghebbende niet meer en dat kan belanghebbende niet worden tegengeworpen. Uit de Koi-viewer zal ook blijken dat er kinderopvang is geweest.
Informatie hierover kan B/T zelf in de systemen achterhalen. Uit een bijgevoegde screenshot van het feitenoverzicht dat betrekking heeft op toeslagjaar 2015 kan worden opgemaakt dat de opleiding van de (ex-)partner al in 2014 is gestart. De ex-partner had in 2014 vanwege haar leeftijd geen recht op studiefinanciering. In het eveneens bijgevoegde formulier integrale beoordeling op pagina 28 blijkt dat de (ex-)partner in het toeslagjaar 2015 studeerde. Verder blijkt uit pagina 195 van de onderliggende stukken dat er kinderopvang is betaald. Belanghebbende heeft ten onrechte over 2014 geen KOT toegekend gekregen en dient hiervoor gecompenseerd te worden.
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in het jaar 2014, nu de (ex-)partner van belanghebbende in dat jaar geen opleiding volgde en geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang.
Op grond van artikel 1.6 van de Wet op de kinderopvang wordt onder een doelgroeper verstaan dat een belanghebbende en de toeslagpartner van belanghebbende moeten werken, studeren, een traject naar werk volgen, of een verplichte inburgeringscursus volgen. Indien niet aan deze voorwaarden is voldaan, dan ben je geen doelgroeper en bestaat er op grond van deze wettelijke regeling evident geen recht op KOT en kan dat niet leiden tot vooringenomenheid.
De Commissie maakt uit de onderliggende stukken op dat belanghebbende niet de gevraagde documenten aan B/T heeft overgelegd en dat daarmee niet kan worden vastgesteld of belanghebbende vanaf 24 oktober 2014 heeft voldaan aan de voorwaarden voor het recht op KOT. Het is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende naar aanleiding van de afwijzing van de KOT-aanvraag voor 2014 alsnog de informatie aan B/T heeft aangedragen. Belanghebbende heeft in aansluiting daarop de voorschotbeschikking van 27 maart 2015 ontvangen waarin is medegedeeld dat de KOT op nihil wordt gesteld. Uiteindelijk is met de beschikking van 27 mei 2016 de KOT definitief op nihil gesteld. De Commissie stelt vast dat belanghebbende tegen de twee beschikkingen van 27 maart 2015 en 27 mei 2016 geen bezwaar heeft aangetekend. Het ligt voor de hand dat belanghebbende in bezwaar tegen deze beschikkingen alsnog de ontbrekende documenten had kunnen aanleveren.
Overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de (ex-)partner in 2014 een opleiding volgde en daarmee aangemerkt kan worden als doelgroeper. In bezwaar tegen de beschikkingen van 27 maart 2015 en 27 mei 2016 had belanghebbende dat met schriftelijke documenten aannemelijk kunnen maken. In deze bezwaarprocedure heeft gemachtigde onder verwijzing naar een aantal ingebrachte documenten hieraan niet voldaan. Uit deze documenten blijkt slechts dat de (ex-)partner in 2015 een opleiding volgde.
Ten overvloede merkt de Commissie op dat de (ex-)partner slechts een korte periode in het begin van 2014 heeft gewerkt en niet in de periode van 24 oktober tot en met 31 december 2014. Belanghebbende heeft dat in deze bezwaarprocedure niet bestreden zodat de Commissie geen reden heeft om hieraan te twijfelen. Bovendien is uit de informatie van de Koi-viewer niet gebleken dat er in 2014 sprake geweest is van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft in bezwaar niet aannemelijk gemaakt dat er wel geregistreerde kinderopvang heeft plaatsgevonden.
Gelet op het voorgaande is het de Commissie niet gebleken dat B/T vooringenomen heeft behandeld zodat belanghebbende hiervoor gecompenseerd dient te worden.
Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor het jaar 2014 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat toeslagjaar 2015 ten onrechte niet in de herbeoordeling is meegenomen. In zijn ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over dit toeslagjaar sprake was van KOT. UHT heeft benadrukt dat belanghebbende niet de aanvrager van KOT is geweest en daarom over 2015 niet in aanmerking kan komen voor compensatie.
De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de toeslagjaren 2014 en 2015 en dat in overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar de herbeoordeling is aangepast naar de jaren 2013 en 2014. De behandelaar heeft de aanpassing gedaan omdat de toeslagpartner van belanghebbende de KOT destijds voor 2015 heeft aangevraagd. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om dit toeslagjaar (alsnog) in haar advisering te betrekken. De Commissie heeft goede nota genomen van de beschouwing van UHT van 31 oktober 2024 waarin het verzoek aan de persoonlijk zaakbehandelaar is neergelegd om over dit toeslagjaar alsnog op korte termijn een beschikking af te geven. De Commissie ziet geen aanleiding om de onderhavige bezwaarprocedure aan te houden omdat belanghebbende over 2015 niet de aanvrager van de KOT is geweest, maar de (ex-)toeslagpartner. Het bezwaar treft geen doel.
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie tegen de bestreden beschikking gedeeltelijk gegrond is, en de Commissie adviseert tot herroeping van deze beslissing, adviseert de Commissie UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indienen van een bezwaarschrift en het bijwonen van de hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen (wegingsfactor twee).
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- het bezwaar gericht tegen de beslissing van 3 maart 2023 (deels) gegrond te verklaren;
- in de compensatieberekening voor toeslagjaar 2013 de rentevergoeding voor gemiste KOT aan te passen naar € 4.391. De vergoeding voor immateriele schade opnieuw te berekenen en voor de einddatum uit te gaan van de datum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen. De aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) aan te passen;
- een proceskostenvergoeding voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten tegen het hoogste tarief, met een wegingsfactor van twee.
Secretaris
Fungerend voorzitter