Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13187

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 20 februari 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 16 april 2025

Overdracht advies aan UHT: 18 augustus 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €72.165,- voorde periodes januari tot en met september 2006, april tot en met december 2007 en januari tot en met oktober 2014 en geen compensatie toegekend voor 2005, 2006 (oktober tot en met december), 2007 (januari tot en met maart), 2008 tot en met 2013, 2014 (november en december) en 2015 tot en met 2020.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 11 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013, 2014 en 2016. Dit verzoek is in overleg met belanghebbende en UHT uitgebreid naar toeslagjaren 2005 tot en met 2020.
  • UHT heeft bij beschikking van 21 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,- ingevolge de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 december 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2005, oktober tot en met december 2006, januari tot en met maart 2007, 2008 tot en met 2013, november en december 2014 en 2015 tot en met 2020 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 20 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €72.165,- voor de periode januari tot en met september 2006, april tot en met december 2007, januari tot en met oktober 2014 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006 (oktober tot en met december), 2007 (januari tot en met maart), 2008 tot en met 2013, 2014 (november en december), en 2015 tot en met 2020.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 3 april 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 5 september 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 16 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 14 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Belanghebbende heeft op 30 april 2025 aanvullende stukken ingediend, en op 3 juni 2025 gereageerd op de nadere schriftelijke reactie van UHT.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie over de hiervoor genoemde perioden op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor 2005, oktober tot en met december 2006, januari tot en met maart 2007, 2008 tot en met 2013, november en december 2014, en 2015 tot en met 2020 af te wijzen.

Vooraankondiging en zienswijze

UHT erkent dat zij belanghebbende op grond van de wet een vooraankondiging van de herbeoordeling had moeten toesturen en haar de gelegenheid had moeten bieden om een zienswijze in te dienen. In bezwaar beoogt UHT dit verzuim te herstellen. UHT heeft belanghebbende tijdens deze bezwaarprocedure in de gelegenheid gesteld om al haar standpunten en belangen naar voren te brengen.

De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld.

Omdat verder niet is aangegeven welk nadeel belanghebbende door dit nalaten heeft gehad, laat de Commissie dit bezwaar verder buiten beschouwing. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaren 2005 tot en met 2020

Toeslagjaar 2005

Bij de nadere beschouwing van 14 mei 2025 heeft UHT geconcludeerd dat alsnog sprake is van vooringenomen handelen. Er heeft een neerwaartse correctie plaatsgevonden (productie 95) En UHT kan niet meer achterhalen of belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om het recht op KOT aan te tonen.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.

Toeslagjaar 2006

UHT erkent dat over toeslagjaar 2006 jaar sprake is van vooringenomenheid in de maanden januari tot en met oktober. Maar volgens UHT is sprake van evident geen recht op KOT in de maanden oktober tot en met december aangezien er geen aanknopingspunten zijn dat er in die periode sprake is geweest van gekwalificeerde opvang. UHT heeft daarbij verwezen naar de jaaropgave over 2006 (productie 108) waaruit blijkt dat opvang is genoten over de periode januari tot en met september 2006. Bij de nadere beschouwing van 14 mei 2025 stelt UHT zich op het standpunt dat belanghebbende in de periode oktober tot en met december 2006 alsnog recht heeft op een hardheidscompensatie, omdat de KOT aan de kinderopvanginstelling is overgemaakt. Er is meer dan €1.500,- teveel KOT uitbetaald aan de kinderopvang. Dit bedrag is niet ten goede gekomen van belanghebbende (producties 96 en 108).

De Commissie kan UHT volgen in de beoordeling van de vooringenomenheid voor de periode van januari tot en met september 2006 en neemt met instemming kennis van het nadere standpunt over de hardheid en zal dienovereenkomstig adviseren.

Toeslagjaar 2007

UHT erkent in de beschouwing van 5 september 2024 dat belanghebbende alsnog voor het gehele jaar 2007 recht heeft op compensatie op grond van vooringenomenheid. Nu belanghebbende ook recht heeft op compensatie over de maanden januari tot en met maart 2007, zal UHT dit bij de beslissing op bezwaar aanpassen.

De Commissie stemt hiermee in.

Toeslagjaar 2013

UHT erkent bij de nadere beschouwing van 14 mei 2025 dat belanghebbende voor dit toeslagjaar alsnog recht heeft op compensatie op grond van vooringenomenheid. Er zijn drie aanwijzingen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld door de door belanghebbende in april 2013 overgelegde informatie niet te verwerken in de beschikkingen.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.

Toeslagjaar 2014

Volgens UHT woonde belanghebbende vanaf november 2014 niet meer in Nederland. Uit de gegevens van de kinderopvanginstelling blijkt dat er opvang is genoten in de periode januari tot en met september 2014 (productie 124). Er zijn geen bewijsstukken voorhanden die erop wijzen dat ook opvang is genoten in de periode oktober tot en met december 2014. Daarom is volgens UHT sprake van evident geen recht op KOT in voornoemde periode. Belanghebbende is echter reeds gecompenseerd voor de maand oktober 2014. UHT heeft toegezegd dit ongewijzigd te laten. De Commissie stemt hiermee in en overweegt nog het navolgende.

Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking, de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de maanden oktober tot en met december 2014, nu belanghebbende in die periode geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. De Commissie stelt vast dat in de Basisregistratie personen is geregistreerd dat belanghebbende op 14 november 2014 uit Nederland is vertrokken. Daarbij komt dat de Commissie geen aanknopingspunten heeft gevonden voor de stelling van belanghebbende dat haar kinderen in 2014 opvang hebben genoten na september. Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de maanden november en december 2014,zoals ook door UHT gesteld, niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie aan UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2015

UHT erkent in de nadere beschouwing van 14 mei 2025 dat belanghebbende alsnog recht heeft op compensatie op grond van vooringenomen handelen voor de maanden november en december 2015. B/T heeft slechts eenmaal om informatie gevraagd en geen herinnering gestuurd voordat de KOT werd stopgezet. UHT stelt zich verder op het standpunt dat in de maanden januari tot en met oktober 2015 sprake is van evident geen recht op KOT (productie 146).

De Commissie neemt met instemming kennis van de toezegging van UHT om alsnog compensatie op grond van vooringenomenheid toe te kennen voor de maanden november en december 2015. Met betrekking tot het standpunt evident geen recht op KOT voor de periode daaraan voorafgaand in 2015 overweegt de Commissie dat volgens beleid van UHT in uitzonderlijke situaties sprake kan zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van het beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de maanden januari tot en met oktober 2015 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie heeft ervan kennis genomen dat belanghebbende vanaf 18 mei 2015 weer staat geregistreerd in Nederland maar heeft geen gegevens aangetroffen die aannemelijk maken dat opvang is genoten in de maanden januari tot en met oktober 2015. De Commissie adviseert aan UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2016

Belanghebbende stelt dat zij het gehele jaar heeft gewerkt en opvang nodig had. Bij de nadere beschouwing van 14 mei 2025 heeft UHT erkend dat belanghebbende voor de maanden mei tot en met juli 2016 alsnog recht heeft op compensatie op grond van vooringenomenheid, omdat uit de door belanghebbende aangeleverde stukken blijkt dat zij in die periode opvang heeft afgenomen (productie 147, bijlage 6). Voor de maanden januari tot en met april en augustus tot en met december is volgens UHT sprake van evident geen recht op KOT, omdat er in deze periode geen sprake was van gekwalificeerde opvang.

De Commissie stelt vast dat het jongste kind van belanghebbende op 5 februari 2016 de leeftijd van vier jaar heeft bereikt. Dit kind heeft in 2015 opvang genoten via gastouderbureau [naam] heeft nog in december 2015 opvang gefactureerd aan belanghebbende (pagina 162 van het dossier). Tegen deze achtergrond bezien gaat de Commissie uit van continuering van de opvang van het jongste kind in de maand januari 2016 en volgt UHT niet in het standpunt dat over die maand sprake is van evident geen recht op KOT. De omstandigheid dat geen factuur beschikbaar is over de maand januari 2016 maakt dat niet anders. [Gastouderbureau] was immers onderwerp van onderzoek in een CAF-11 vergelijkbaar onderzoek (CAF 1601-Florien), zoals ook blijkt uit de informatie van [gastouderbureau] (pagina 164-167 van het dossier, bijlagen bij bezwaar),hetgeen een verklaring kan vormen voor het ontbreken van bepaalde administratieve documenten. Derhalve adviseert de Commissie op basis van de aanwezige informatie om het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en alsnog compensatie toe te kennen over de maand januari 2016.

Onjuiste compensatieberekening over toeslagjaren 2007 en 2014

UHT erkent dat de compensatieberekening op verschillende componenten onjuist is vastgesteld. Het bedrag vóór het onderzoek (component a) over toeslagjaar 2007 is onterecht vastgesteld op een bedrag van €7.803,-. Het juiste bedrag is €10.596,-, omdat belanghebbende bij nader inzien recht heeft op het volledige compensatiebedrag (productie 19). Ten aanzien van toeslagjaar 2014 is onterecht een bedrag van €25.556,- opgenomen. Belanghebbende heeft recht op compensatie voor de periode januari tot en met september. Het juiste bedrag is €23.009,- aangezien er negen maanden opvang is genoten (productie 124).

Het bedrag onder component c en e; de niet ontvangen of terugbetaalde KOT (exclusief en inclusief toeslagrente) is over toeslagjaren 2007 en 2014 onjuist vastgesteld. Over 2007 is onterecht het bedrag vastgesteld op €7.803,-. Het juiste bedrag is €10.596. Voor 2014 is het bedrag onterecht vastgesteld op €25.566,-. Het juiste bedrag is €23.009,-.

Het bedrag onder component f; het verschil met de laatst vastgestelde beschikking (inclusief uitbetaalde toeslagrente) is over toeslagjaar 2007 onterecht vastgesteld op een bedrag van €8.436,-. Het juiste bedrag moet zijn €8.814,- (producties 18 en 19). Het bedrag onder component h; de materiele schade van 25% is over toeslagjaren 2007 en 2014 onjuist vastgesteld op €1.951,- en €6.392,-. De juiste bedragen zijn €2.649,-voor 2007 en €5.752,- voor 2014.

Voor de berekening van de vergoeding voor immateriele schade (component n) is uitgegaan van een onjuiste start en einddatum van 2 juni 2008 resp. 17 februari 2023. Dit had 16 juni en 20 februari 2023 moeten zijn. Aangezien het bezwaar deels gegrond is, zal de einddatum de datum van de beslissing op bezwaar moeten zijn.

De rente over gemiste KOT (component o) over toeslagjaar 2006 is onjuist vastgesteld op €5,167,-. De rente had berekend moeten worden over de periode van 1 juli 2007 tot 20 februari 2023, op een bedrag van €5.634,- (productie 136).

Voor 2007 is het bedrag onjuist vastgesteld op €3.703,-. De rente had berekend moeten worden van 1 juli 2008 tot 20 februari 2023 op een bedrag van 5.618,- (productie 137). Voor 2014 is het bedrag onjuist vastgesteld op €8.477,-. De rente had berekend moeten worden vanaf 1 juli 2015 tot 20 augustus 2023 op een bedrag van €7.809,- (productie 138). Belanghebbende heeft €584,- teveel ontvangen.

Gelet op het voorgaande wordt de aanvullende vergoeding van 1% onder component p opnieuw berekend. Dit zal bij de beslissing op bezwaar worden aangepast.

UHT zal de onjuistheden in de compensatieberekening die na aanpassing nadelig zijn voor belanghebbende, in stand laten. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal UHT dienovereenkomstig adviseren.

Toeslagjaren 2017 tot en met 2020

UHT stelt zich op het standpunt dat uit de gegevens van B/T niet blijkt dat belanghebbende voor de jaren 2017 tot en met 2020 KOT heeft aangevraagd. Op de hoorzitting heeft belanghebbende dit standpunt betwist en gesteld dat in deze jaren geen KOT is toegekend ondanks de ingediende aanvragen. Belanghebbende is van mening dat de institutionele vooringenomenheid van B/T hieraan ten grondslag ligt.

De Commissie overweegt dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, Wht compensatie wordt toegekend aan de aanvrager van KOT. Belanghebbende voldoet niet aan dit vereiste, nu niet is komen vast te staan dat KOT is aangevraagd. Belanghebbende heeft in deze jaren ook niet betaald voor gekwalificeerde opvang. Daarom komt belanghebbende voor deze periode niet voor compensatie op grond van deze herstelmaatregel in aanmerking. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

O/GS-kwalificatie

UHT heeft geoordeeld dat geen sprake is van een O/GS-kwalificatie over het toeslagjaar 2005 tot en met 2020 (productie 140). Daarom heeft belanghebbende volgens UHT geen recht op de O/GS- tegemoetkoming.

Belanghebbende stelt dat zij omstreeks 2014 een betalingsregeling heeft aangevraagd, maar dat deze is afgewezen door B/T. Belanghebbende heeft ook een afspraak gehad bij B/T om tot een regeling te kunnen komen over de openstaande schulden. Dit heeft echter niet geleid tot toekenning van een betalingsregeling.

Bij e-mail van 30 april 2025 heeft gemachtigde verklaard dat belanghebbende geen stukken heeft kunnen vinden met betrekking tot het aanvragen van een betalingsregeling bij B/T.

UHT heeft verder geen stuk aangetroffen waarin een dergelijk verzoek is neergelegd en ook uit andere omstandigheden is deze stelling niet aannemelijk geworden. De Commissie adviseert UHT gelet op het vorenstaande om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen op grond van vooringenomen handelen voor de jaren 2005, 2007, 2013, de maanden november en december 2015 en de maanden januari en mei tot en met juli 2016;
  • aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen op grond van hardheid voor de maanden oktober tot en met december 2006;
  • de compensatieberekening over toeslagjaren 2007 en 2014 aan te passen als hierboven weergegeven;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

Secretaris

Fungerend voorzitter