BAC 2023-13184
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 9 maart 2023 en 15 augustus 2023 (UHT-DCH en UHT-DCHA)
Hoorzitting: 5 juni 2025
Overdracht advies aan UHT: 8 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert het bezwaar tegen de beschikkingen met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en deze beschikking in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om het bezwaar tegen de beschikking met het kenmerk UHT-DCH deels gegrond te verklaren, opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies en aan belanghebbende ter zake van laatst genoemd bezwaar een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 19.087,- voor de jaren 2013, 2014, 2017 en 2018 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2014 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 19 april 2022 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2018. Nadien is dit verzoek in overleg met belanghebbende beperkt tot de toeslagjaren 2013, 2014 en 2017 tot en met 2019.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 januari 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat met betrekking tot de jaren 2014 en 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij beschikking van 9 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende compensatie toegekend van € 19.087 voor de jaren 2013, 2014, 2017 en 2018.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 maart 2023 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- UHT heeft bij beschikking van 15 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor het jaar 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 september 2023 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 22 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Gemachtigde heeft bij e-mail van 30 mei 2025 de gronden van de bezwaren aangevuld.
- Op 5 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Op 5 en 15 juni 2025 heeft gemachtigde aanvullende stukken aangeleverd. UHT heeft hier op 25 juni 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaren ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Compleetheid dossier en motivering besluit
Belanghebbende stelt dat de onderliggende stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikkingen van 9 maart en 15 augustus 2023 ontbreken. Derhalve zijn de bestreden beschikkingen onvoldoende gemotiveerd.
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT ten aanzien van de
motivering van de besluiten en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Ter voorbereiding van de definitieve compensatiebeschikking zijn de bedragen in de compensatieberekening vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De gegevens zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen, SAS-overzichten en overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC). De Commissie is daarom van oordeel dat de bestreden besluiten door middel van het indienen van een schriftelijke beschouwing en de bijbehorende producties voldoende zijn onderbouwd.
Namens belanghebbende zijn geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andere zienswijze nopen. De Commissie stelt vast dat belanghebbende inmiddels beschikt over de schriftelijke reactie van UHT en de bijbehorende stukken, die op 17 maart 2025 aan gemachtigde zijn verzonden. Op basis van de in dit dossier opgenomen stukken kon belanghebbende genoegzaam inzicht verkrijgen in de totstandkoming van de bestreden beschikkingen. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat ook in het jaar 2014 sprake was van vooringenomen handelen en dat belanghebbende hiervoor gecompenseerd dient te worden. De juistheid van dit standpunt is bevestigd in de e-mail van UHT van 25 juni 2025. De Commissie acht het bezwaar op dit punt daarom gegrond. Daarom adviseert de Commissie UHT om de beschikking met kenmerk UHT-DCH te herroepen en alsnog compensatie voor het toeslagjaar 2014 toe te kennen.
Toeslagjaar 2019
Belanghebbende stelt dat zij vanwege de angst wegens eerdere problemen met de KOT geen KOT heeft durven aanvragen over het jaar 2019 en dat zij daarom aanspraak kan maken op compensatie. De Commissie volgt haar daarin niet. Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen indien bij de toekenning of wijzigingen van de KOT door de Belastingdienst/Toeslagen vooringenomen is gehandeld of er sprake is van hardheid en niet op de vergoeding van de werkelijke schade omdat geen KOT is aangevraagd. Indien belanghebbende meent dat zij door het missen van KOT over het jaar 2019 schade heeft geleden, kan zij uit hoofde van artikel 2.1 lid 3 Wht een verzoek tot vergoeding van werkelijke schade indienen, dat door UHT voor advies wordt voorgelegd aan de Commissie Werkelijke Schade.
KOT die niet is terugbetaald/verrekend (component g)
Uit de schriftelijke beschouwing van UHT volgt dat component g voor het toeslagjaar 2018 onjuist is berekend. Bij de compensatieberekening is UHT uitgegaan van een bedrag van € 859, terwijl uit het LIC-overzicht blijkt dat het gaat om een bedrag van € 1.559 (€ 700 + € 859). Echter, nu een belanghebbende in bezwaar er niet op slechter mag worden (het beginsel van reformatio in peius), zal component f gemaximeerd worden op de hoogte van de wijziging in de rentevergoeding gemiste KOT. De Commissie ziet in hetgeen in geding is gebracht geen aanleiding voor een andere conclusie en adviseert UHT de compensatieberekening overeenkomstig het gestelde in de schriftelijke beschouwing aan te passen.
Rentevergoeding gemiste KOT (component o)
In haar schriftelijke beschouwing stelt UHT dat de berekeningen van de rentevergoeding over gemiste KOT voor de toeslagjaren 2013, 2017 en 2018 niet correct zijn. UHT is namelijk uitgegaan van een verkeerde startdatum, die op grond van artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) 1 juli van het jaar volgend op het desbetreffende toeslagjaar moet zijn. Dit leidt tot de conclusie dat te lage bedragen zijn opgenomen in de compensatieberekening (respectievelijke € 468 (toeslagjaar 2013) en € 46 (toeslagjaar 2017) te weinig). Voor het toeslagjaar 2018 geldt ook dat een te laag bedrag is opgenomen in de compensatieberekening (respectievelijk € 25). Echter, UHT heeft in de schriftelijke beschouwing verklaard dat deze aanpassing intern verrekend zal worden met de aanpassing in component g. Het bezwaar is op dit punt gegrond.
Overigens leidt het feit dat het bezwaar met betrekking tot de rentevergoeding voor gemiste KOT gedeeltelijk gegrond is en de bestreden beschikking op dit punt moet worden herroepen, er toe dat de periode waarover de vergoeding voor immateriele schade (component n) wordt vastgesteld doorloopt tot de datum van de beschikking op bezwaar, zoals UHT in de schriftelijke beschouwing al heeft aangegeven. Dat leidt ook tot een herberekening van de vaste vergoeding van 1 procent (component p).
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien de bezwaren naar het oordeel van de Commissie deels gegrond zijn, adviseert de Commissie belanghebbende om proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Gelet het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren;
- het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH gegrond te verklaren in die zin dat in ieder geval:
- over het toeslagjaar 2014 compensatie wegens vooringenomenheid wordt toegekend; de rentevergoeding gemiste KOT over de toeslagjaren 2013 en 2017 berekend zal worden vanaf de juiste ingangsdatum, en de rentevergoeding gemiste KOT over het toeslagjaar 2018 intern verrekend zal worden met component g; de vergoeding voor immateriële schade (component n) berekend zal worden tot aan de datum van de beslissing op bezwaar en in het verlengde daarvan de aanvullende vergoeding van 1 procent van het subtotaal van het compensatiebedrag (component p) aangepast zal worden;
- een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor deze bezwaarprocedure.
Secretaris
Fungerend voorzitter