BAC 2023-13168
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 28 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV
Hoorzitting: 6 augustus 2024
Overdracht advies aan UHT: 24 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de
Commissie het verzoek voor een vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Door gemachtigde is namens belanghebbende op 6 april 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen de beschikking van 28 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV (hierna: de bestreden beschikking). In de bestreden beschikking wordt aan belanghebbende een definitief compensatiebedrag toegekend van € 30.000 voor toeslagjaar 2013. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft over die periode fouten gemaakt bij de beoordeling van de situatie van belanghebbende.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Op 10 februari 2021 heeft belanghebbende verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- Bij beschikking van 17 december 2021 heeft UHT naar aanleiding van de lichte toets besloten dat belanghebbende geen recht heeft op een voorschot van het forfaitair bedrag van € 30.000 en kenbaar gemaakt dat de situatie van belanghebbende nog niet helemaal is beoordeeld.
- Op 7 februari 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) als advies uitgebracht dat de compensatieregeling van toepassing is op toeslagjaar 2013. Voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2012 en 2014 tot en met 2016 is de compensatieregeling en hardheidscompensatie niet van toepassing.
- Bij beschikking van 28 februari 2023 (UHT-DCH ZV) heeft UHT besloten dat belanghebbende recht heeft op een definitief compensatiebedrag van € 30.000 voor toeslagjaar 2013. Voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2012 en 2014 tot en met 2016 is geen recht op compensatie omdat over deze periode geen sprake is van vooringenomen handelen door de B/T.
- Op 6 april 2023 heeft gemachtigde een bezwaarschrift tegen deze beschikking ingediend.
- Op 8 februari 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 24 juli 2024 heeft gemachtigde aanvullende stukken verzonden.
- Op 6 augustus 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Op 2 september 2024 heeft de Commissie van UHT, naar aanleiding van de hoorzitting, een aanvullende beschouwing ontvangen.
- Op 24 oktober 2024 heeft de Commissie van gemachtigde een aanvullende reactie ontvangen.
- Op 14 november 2024 heeft de Commissie van UHT een aanvullende beschouwing ontvangen.
- Op 26 november 2024 heeft gemachtigde laten weten dat belanghebbende geen nadere opmerkingen heeft.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
De ontvankelijkheid van het bezwaarschrift is niet in geschil.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Equality of arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. Verder heeft gemachtigde aangegeven dat het bestreden besluit enkel naar belanghebbende is verzonden en niet naar gemachtigde. Derhalve is het besluit, volgens gemachtigde, niet op de juiste wijze bekend gemaakt. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift, met alle van belang zijnde producties is aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende volgt niet dat er in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij de door UHT genomen besluit.
Voor wat betreft de bekendmaking van de bestreden beschikking, betreurt de Commissie dat deze niet naar gemachtigde is verzonden. De Commissie stelt vast dat de beschikking wel naar belanghebbende is verzonden en dat gemachtigde tijdig bezwaar heeft gemaakt. Nu gemachtigde niet nader heeft onderbouwd welk concreet nadeel hierdoor is ontstaan voor belanghebbende, ziet de Commissie geen aanleiding om gemachtigde te volgen in haar stelling. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT op dit punt.
Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.
Zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel
Voor zover UHT de bestreden beslissing niet uitvoerig zou hebben toegelicht, is de Commissie van oordeel dat met het indienen van de uitgebreide schriftelijke reactie, de overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC-overzichten), de overige producties en de compensatieberekening, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand is gekomen. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende heeft geen vooraankondiging ontvangen, waardoor zij niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming kan daarmee worden gepasseerd. Omdat verder niet is aangegeven welk nadeel belanghebbende door dit nalaten heeft gehad, adviseert de Commissie aan UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De Commissie volgt het standpunt van UHT, zoals is uiteengezet in de schriftelijke reactie, dat de eerdere berekening met betrekking tot de rentevergoeding over gemiste KOT dient te worden aangepast. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en de compensatie opnieuw te berekenen in lijn met haar schriftelijke reactie.
Gelet op het voorgaande dient ook de immateriele schadevergoeding berekend te worden tot de datum van de beslissing op bezwaar.
De Commissie merkt op dat bovenstaande aanpassing tot gevolg heeft dat ook de aanvullende vergoeding van 1% dient te worden berekend tot de datum van de beslissing op bezwaar.
Gemachtigde heeft in het bezwaarschrift aangegeven dat toeslagjaar 2007 ten onrechte niet is herbeoordeeld. Ter zitting heeft gemachtigde, bij wijze van aanvullend bezwaar, opgeworpen dat UHT de toeslagjaren 2005, 2006 en 2007, ten onrechte niet heeft herbeoordeeld.
UHT heeft ter zitting een korte toelichting gegeven op de genoemde jaren en aangegeven dat indien belanghebbende alsnog een herbeoordeling van deze jaren wenst, hiertoe een verzoek kan worden gedaan bij de verantwoordelijke afdeling.
De Commissie overweegt dat zij pas een advies kan uitbrengen, als UHT na herbeoordeling van de hiervoor genoemde jaren een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen. Indien deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan zij, indien zij dat wenst, tegen die beschikking een bezwaarschrift indienen, waarna de Commissie daarover een advies zal uitbrengen. In zoverre treft dit bezwaar geen doel.
De bezwaargrond dat over de toeslagjaren 2008 en 2012 te weinig KOT is ontvangen valt buiten de reikwijdte van de behandeling van dit bezwaar. Belanghebbende had hiertegen destijds bezwaar kunnen maken. Om deze reden adviseert de Commissie aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat zij de KOT in de toeslagjaren 2009, 2010, 2012 en 2016 niet zelf heeft stopgezet. UHT heeft bij haar schriftelijke reactie op het bezwaar van belanghebbende de producties gevoegd waaruit blijkt dat belanghebbende zelf de KOT heeft stopgezet.
De Commissie ziet in het bezwaar geen aanleiding om aan te nemen dat de door UHT overgelegde gegevens uit de systemen niet correct zijn. Om deze reden adviseert de Commissie om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
LIC-overzichten en toeslagjaar 2009
De Commissie overweegt dat in de stukken twee van elkaar afwijkende LIC-overzichten zitten. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft UHT op 2 september 2024 een aanvullende beschouwing ingediend waarin zij een nadere toelichting geeft op de verschillende LIC-overzichten. Ook wordt de door belanghebbende aangegeven onduidelijkheid per jaar nader toegelicht en uiteengezet.
Gemachtigde heeft hierop gereageerd en (nogmaals) aangegeven dat voor toeslagjaar 2009 een compensatie dient te volgen op grond van hardheid. Gemachtigde stelt dat de werkelijke opvangkosten € 30.201,18 bedragen, terwijl B/T € 33.376 aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) heeft overgemaakt. Belanghebbende is van mening dat dit verschil als hardheid bestempeld dient te worden.
De Commissie stelt vast dat gelet op de beschikking van 6 september 2011 de definitief vastgestelde KOT over 2009 € 27.885 is, omdat achteraf is gebleken van een hoger toetsingsinkomen. Uit de stukken blijkt dat de werkelijke opvangkosten voor 2009 € 30.201,18 bedragen. Uit het LIC-overzicht met de meest recente datum, namelijk 18 december 2023, blijkt dat een bedrag van € 33.376 is overgemaakt naar de KOI. De KOI heeft op 22 januari 2010 een betaling verricht aan B/T van € 7.613,26 waarvan € 1.984,26 weer is teruggeboekt naar de KOI, omdat dit teveel was. Het totaalbedrag dat naar KOI is overgeboekt komt hiermee op € 27.747. De Commissie stelt vast dat dit bedrag lager is dan de werkelijke opvangkosten. Derhalve onderschrijft de Commissie de conclusie van UHT dat voor toeslagjaar 2009 geen sprake is van hardheid. De Commissie adviseert om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Nu de bezwaren naar de mening van de Commissie deels gegrond zijn en het advies van de Commissie ertoe strekt om de beschikking te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor 2.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- het bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond te verklaren en de compensatieberekening aan te passen op voornoemde punten;
- het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter