BAC 2022-10602
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 28 september 2022 (UHT-DC I, UHT-DHR, UHT-DC-I A en UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 8 april 2025 om 14:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 30 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
de bezwaren gericht tegen de besluiten met de kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bezwaren gericht tegen de besluiten met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren.
Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften worden geacht te zijn gericht tegen de volgende door UHT genomen besluiten.
- De beschikkingen van 28 september 2022 met de kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR, waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een definitieve compensatie van € 40.144 over het jaar 2011, de periode januari tot en met september 2014 en het jaar 2018 wordt toegekend. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) fouten heeft gemaakt bij de toekenning van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) dan wel de regels te streng heeft toegepast.
- De beschikkingen van 28 september 2022 met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A, waarin UHT heeft beslist dat belanghebbende over de periode oktober tot en met december 2014 niet in aanmerking komt voor compensatie.
De reden is dat B/T bij de beoordeling van de KOT geen fouten heeft gemaakt dan wel de regels te streng heeft toegepast.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Op 17 juli 2020 heeft belanghebbende verzocht om een herbeoordeling van het toeslagjaar 2013. Na het gesprek met de persoonlijk zaakbehandelaar is beslist dat de herbeoordeling ziet op de jaren 2011, 2014 en 2018.
- Bij beschikking van 1 mei 2021 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat zij op basis van de eerste toets vooralsnog niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000.
- Bij beschikking van 3 juni 2021 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat zij op basis van de eerste toets in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000.
- Op 27 mei 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat niet is gebleken van institutioneel vooringenomen handelen voor de periode oktober tot en met december 2014 noch dat er reden is voor toepassing van de hardheidscompensatie.
- Bij beschikkingen van 28 september 2022 heeft UHT meegedeeld dat belanghebbende voor het jaar 2011, de periode januari tot en met september 2014 en het jaar 2018 een definitief compensatiebedrag van € 40.144 krijgt toegekend. Voor de periode oktober tot en met december 2014 komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie.
- Op 7 november 2022 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend.
- Op 28 december 2022 heeft gemachtigde namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend.
- Op 10 oktober 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 8 april 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Op 15 april 2025 heeft UHT, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Commissie een aanvullende beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft hierop op 21 mei 2025 gereageerd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden, heeft dit bezwaar behandeld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vragen of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden heeft besloten dat belanghebbende geen compensatie krijgt toegekend voor de periode oktober tot en met december 2014. Tevens zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.
Definitieve compensatie
Belanghebbende stelt het niet eens te zijn met het aan haar toegekende compensatiebedrag. De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. UHT heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding gemiste KOT onjuist blijkt te zijn vastgesteld voor het jaar 2011, de periode januari tot en met september 2014 en voor het jaar 2018. Ingevolge artikel 2.3 lid 7 Wht wordt, kortweg, over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van de neerwaartse correctiebeschikking, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten overeenkomstige toepassing van artikel 27 Awir.
In de compensatieberekening is de rente over de gemiste KOT opgenomen onder component o. UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat in de nieuwe berekening voor de jaren 2011 en 2018 op een hogere rentevergoeding zal worden uitgekomen, waardoor dit in de beslissing op bezwaar zal worden aangepast.
Voor de periode januari tot en met september 2014 wordt op een lagere rente-vergoeding uitgekomen. Nu dit in het nadeel van belanghebbende is, zal dit niet worden aangepast.
UHT heeft de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen. Ten aanzien van de aanvangsdatum stelt UHT zich op het standpunt dat de gehanteerde datum van 1 mei 2013 dient te worden aangepast naar 25 januari 2013. De Commissie heeft geen aanleiding UHT in bovenstaande standpunten niet te volgen. De Commissie adviseert UHT daarom aan haar toezeggingen uit de schriftelijke reactie gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar. De aanpassingen hebben tevens tot gevolg dat ook de aanvullende vergoeding van 1% wijzigt.
De overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en definitieve beschikkingen. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, de compensatie-berekening en de bestreden besluiten voldoende zijn onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. De door belanghebbende in dit verband opgeworpen bezwaren treffen dan ook geen doel.
Afgewezen periode oktober tot en met december 2014
Uit het bezwaardossier volgt dat voor de periode januari tot en met september 2014 de hardheidscompensatie van toepassing is. Voor de periode oktober tot en met december 2014 is er geen compensatie toegekend, nu het kind van belanghebbende (geboren op 26 september 2010) vier jaar werd en naar de basisschool ging. Belanghebbende heeft verklaard dat er in deze periode geen sprake was van buitenschoolse opvang. Op grond van het vorenstaande is UHT van mening dat belanghebbende voor de periode oktober tot en met december 2014 niet in aanmerking komt voor compensatie (artikel 2.1, lid 2, Wht). De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier anders over te oordelen en adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Niet-herbeoordeelde toeslagjaren
Gemachtigde heeft in deze bezwaarprocedure aangevoerd dat belanghebbende mogelijk aanspraak heeft op compensatie voor de jaren 2012, 2013, 2015, 2016 en 2017. De Commissie kan daarover pas een advies uitbrengen, als UHT na herbeoordeling van deze jaren een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen. Indien deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan zij, indien zij dat wenst, tegen die beschikking een bezwaarschrift indienen, waarna de Commissie daarover een advies zal uitbrengen.
Proceskostenvergoeding
Nu de primaire besluiten van 28 september 2022 met de kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR naar de mening van de Commissie dienen te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om de bezwaren gericht tegen de besluiten met de kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bezwaren gericht tegen de besluiten met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter