BAC 2023-12412
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 22 december 2022 met kenmerk UHT-DCH A
Ontvangst bezwaarschrift: 2 januari 2023
Hoorzitting: niet van toepassing
Overdracht advies aan UHT: 4 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaar is gericht tegen de op 22 december 2022 door UHT genomen beschikking met kenmerk UHT-DCHA waarbij aan belanghebbende over de toeslagjaren 2008 tot en met 2013 geen vergoeding wordt toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft UHT op 11 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. UHT heeft bij de herbeoordeling gekeken naar de
toeslagjaren 2008 tot en met 2013 en haar voorgenomen beschikking voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: CvW). - UHT heeft bij beschikking van 30 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft op 1 juli 2022 het verzoek van
belanghebbende beoordeeld en aangegeven dat belanghebbende over de
toeslagjaren 2008 tot en met 2013 geen recht heeft op compensatie wegens
vooringenomenheid of hardheid bij de uitvoering. - UHT heeft belanghebbende bij beschikking van 22 december 2022 met kenmerk
UHT-DCHA medegedeeld dat zij geen compensatie zal toekennen over de
toeslagjaren 2008 tot en met 2013. - Bij brief van 29 december 2022, op 2 januari 2023 ontvangen door UHT, heeft
belanghebbende gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 22
december 2022 met kenmerk UHT-DC-I A. - UHT heeft op 13 juni 2022 schriftelijk op het bezwaarschrift van belanghebbende gereageerd.
- Op 7 oktober 2024 is aan belanghebbende het dossier toegezonden.
- Bij e-mail van 7 oktober 2024 heeft belanghebbende laten weten dat zij geen
behoefte heeft aan een hoorzitting. - De Commissie ziet ingevolge artikel 7:3 onderdeel c van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) af van het horen van belanghebbende. - De Commissie, bestaande uit voorzitter en leden heeft het bezwaar behandeld in haar vergadering van 1 november 2024.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar van belanghebbende ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaargronden
De Commissie overweegt op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb dat belanghebbende
voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. UHT heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift van belanghebbende het bezwaardossier overgelegd. Het komt de Commissie voor dat belanghebbende hiermee kan beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken. Door belanghebbende is niet gesteld en onderbouwd welke stukken nog zouden ontbreken. De Commissie is daarom de opvatting toegedaan dat van schending van even genoemd artikellid niet is gebleken.
Lichte toets
Na herhaald verzoek door de Commissie aan UHT om te laten weten wat de stand van zaken is met betrekking tot het bezwaar tegen de lichte toets (dat in het verleden bij de Commissie geregistreerd stond als BAC 2022-08327), is daarover van de kant van UHT geen duidelijkheid gekomen. Er is niet gebleken van een beslissing op bezwaar. Voor zover belanghebbende stelt dat zij alsnog recht heeft op €30.000, is de Commissie echter van oordeel dat de uitkomst van de lichte toets is 'ingehaald' door de beschikking van 22 december 2022 die ziet op de integrale beoordeling. De integrale beoordeling is een intensievere toets dan de lichte toets, waarin de beoordeelde aspecten van de lichte toets worden meegenomen. De Commissie beperkt daarom haar verdere beoordeling tot
de beschikking van 22 december 2022.
Inhoudelijke bezwaargronden
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de toeslagjaren 2008 tot en met 2013 af te wijzen.
De Commissie constateert dat in dit geval niet aannemelijk is geworden dat bij de
toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2013 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: BD/T) dan wel van hardheid van het stelsel. Uit het dossier volgt immers dat is gecorrigeerd naar aanleiding van de door belanghebbende zelf gegeven informatie. De neerwaartse bijstellingen zijn het gevolg van een hoger (gezamenlijk) toetsingsinkomen of minder afgenomen opvanguren. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel dan ook geen aanspraak op een hardheidstegemoetkoming.
Over het toeslagjaar 2013 heeft een nihilstelling plaatsgevonden. Door UHT is toegelicht dat dit het gevolg is van het feit dat belanghebbende in een antwoordformulier aangaf dat in 2013 geen gebruik is gemaakt van kinderopvang. De Commissie kan UHT volgen in haar standpunt dat BD/T daar in beginsel van mocht uitgaan. Dat belanghebbende in het oudergesprek met de persoonlijke zaakbehandelaar heeft aangegeven dat zij in het jaar 2013 gedurende drie maanden gebruik heeft gemaakt van kinderopvang kan weliswaar ertoe leiden dat achteraf moet worden geconstateerd dat over dat deel van 2013 ten onrechte geen KOT is toegekend, maar maakt niet dat de nihilstelling als zodanig is aan
te merken als vooringenomen handelen van BD/T. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Herbeoordeling toeslagjaren 2005 tot en met 2007
Volgens belanghebbende dienen de toeslagjaren 2005 tot en met 2007 nog te worden beoordeeld. Hierover is voorafgaand aan de bestreden beschikking tussen
belanghebbende en UHT gecorrespondeerd. UHT heeft inmiddels toegezegd deze
toeslagjaren bij aanvullende beschikking alsnog te zullen beoordelen. Eventuele
bezwaren over de toeslagjaren 2005 tot en met 2007 dienen in een eventuele
bezwaarprocedure tegen die beschikking aan de orde te worden gesteld. De Commissie kan daarover in deze procedure dus geen advies geven.
Dwangsomregeling
Inzake de dwangsomregeling overweegt de Commissie dat dit geen onderwerp is dat tot het mandaat van de Commissie behoort. De Commissie geeft over dit punt geen advies. Wel geeft de Commissie UHT in overweging om belanghebbende daarvoor naar de juiste afdeling te verwijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter