BAC 2022-10592
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 1 november 2022 (UHT-DC-I A; UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 23 juli 2025
Overdracht advies aan UHT: 18 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012, 2013 en 2014.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 10 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Beoordeeld zijn de jaren 2012, 2013 en 2014.
- UHT heeft bij beschikking van 1 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikkingen aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012, 2013 en 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 december 2022 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 14 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 21 juli 2025 een nader stuk toegezonden.
- Op 23 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Partijen hebben na de hoorzitting overleg gevoerd over het bereiken van een schikking. Gemachtigde heeft de Commissie op 30 juli 2025 bericht dat partijen er niet uit zijn gekomen.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich, gelet op wat in bezwaar is aangevoerd, gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de jaren 2012 en 2014 af te wijzen.
Overslaan zienswijze
Tussen partijen staat vast dat belanghebbende in strijd met artikel 6.7 van de Wht niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken.
De Commissie overweegt dat belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat verder niet is aangegeven welk nadeel belanghebbende door dit nalaten heeft ondervonden, adviseert de Commissie om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
O/GS-tegemoetkoming 2012
De Commissie neemt met instemming kennis van het standpunt UHT dat belanghebbende over toeslagjaar 2012 alsnog recht heeft op de O/GS-tegemoetkoming. Voor zover deze tegemoetkoming nog niet in een afzonderlijk besluit is toegekend aan belanghebbende zal dit volgens de Commissie bij beslissing op bezwaar alsnog moeten gebeuren.
Toeslagjaar 2014
Belanghebbende stelt dat zij in aanmerking komt voor compensatie over toeslagjaar 2014, omdat de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) de kinderopvang-toeslag (KOT) over dat jaar ten onrechte heeft teruggevorderd. Het kind van belanghebbende werd in 2014 opgevangen bij de BSO, de eenmanszaak van belanghebbende.
Op de hoorzitting heeft UHT het nadere standpunt ingenomen dat B/T belanghebbende onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om haar recht op KOT over 2014 aannemelijk te maken. Voorafgaand aan de stopzetting bij besluit van 23 september 2014, heeft B/T belanghebbende éénmaal schriftelijk om bewijsstukken gevraagd, te weten bij brief van 16 april 2014 (productie 20). Belanghebbende heeft op 29 april 2014 gereageerd met een ingevuld antwoordformulier, facturen en een contract, maar zonder betalingsbewijzen en loonstroken (productie 21). Belanghebbende heeft in dit antwoordformulier verklaard dat zij geen betalingsbewijzen had, omdat zij nog onvoldoende KOT ontving. UHT heeft gesteld dat B/T hierna nogmaals een schriftelijke uitvraag had moeten doen, waarin aan belanghebbende bovendien de mogelijkheid geboden had kunnen worden om op een andere manier aan te tonen dat zij de kosten voor de kinderopvang gedragen had. De Commissie volgt dit nadere standpunt van UHT en concludeert daarmee dat over 2014 sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T.
De Commissie overweegt verder dat volgens het beleid van UHT (Handboek IB – Vaktechniek, v. 3.14) sprake kan zijn van hardheid van het stelsel in het geval dat de KOT is teruggevorderd van een ouder die zijn/haar kind liet opvangen bij zijn/haar eenmanszaak. Voor toepassing van dit beleid vereist UHT, in navolging van de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2017 en 2018 (ECLI:NL:RVS:2017:2664 en ECLI:NL:RVS:2018:4270), dat aan alle overige voorwaarden voor KOT werd voldaan. Het is aan de ouder om aan te tonen dat de kosten voor kinderopvang zijn betaald.
In bezwaar heeft belanghebbende een beslissing op bezwaar van 17 december 2018 overgelegd over haar inkomstenbelasting over 2014. Hieruit volgt dat de Belastingdienst een bedrag van € 9.088,-, dat belanghebbende als BSO-eigenaresse aan zichzelf als moeder had gefactureerd, heeft aangemerkt als omzet. Over dat bedrag is zodoende ook inkomstenbelasting betaald. De Commissie is met UHT van mening dat het onder deze omstandigheden passend is om aan te nemen dat belanghebbende de kosten voor kinderopvang van haar kind betaald heeft.
De Commissie concludeert uit het voorgaande in de eerste plaats dat geen sprake is van ‘evident geen recht’ op KOT in 2014. Dat geldt temeer omdat niet ter discussie staat dat belanghebbende in dat jaar kinderopvang afnam en dat belanghebbende werkte, zoals ter zitting door UHT is bevestigd. De Commissie adviseert UHT daarom om aan belanghebbende een compensatie op grond van vooringenomen handelen over het jaar 2014 toe te kennen.
De Commissie concludeert verder dat belanghebbende eveneens voldoet aan de door UHT gestelde voorwaarden voor hardheid. Voor zover UHT bovenstaand advies niet zou volgen, adviseert de Commissie in dat geval aan belanghebbende een compensatie op grond van hardheid over het jaar 2014 toe te kennen.
Proceskostenvergoeding
Nu de primaire besluiten naar de mening van de Commissie dienen te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toe te kennen over toeslagjaar 2012;
- aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid (en anders op grond van hardheid) over toeslagjaar 2014;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter