BAC 2022-10496
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 augustus 2022 (UHT-DC I, UHT-DH5 A, UHT-DCI A)
Hoorzitting: 4 februari 2025 om 13:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 30 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie om het verzoek voor een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
- In de beschikking met kenmerk UHT-DC I van 22 september 2022 heeft UHT beslist dat aan belanghebbende een definitief compensatiebedrag wordt toegekend van € 105.306 voor de toeslagjaren 2005 en 2007 tot en met 2012. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft over die periode bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) fouten gemaakt.
Middels deze beschikking is de eerder genomen beschikking met kenmerk
UHT-DC I van 16 augustus 2022 herzien. - In de beschikkingen met kenmerk UHT-DH5 A en UHT-DC I A heeft UHT beslist dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie voor toeslagjaar 2006.
De reden is dat bij de beoordeling van de KOT voor deze periode niet is gebleken dat er KOT is aangevraagd. Daarnaast is niet gebleken dat er in deze periode sprake is geweest van geregistreerde opvang. Ook is niet gebleken dat er sprake was van een te strenge uitvoering van de regels van de KOT.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 7 juli 2020 verzocht om een herbeoordeling van de KOT.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 22 februari 2021 aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van € 74.539.
- Op 1 augustus 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) aan UHT geadviseerd om belanghebbende te compenseren voor de 2005 en 2007. Zij is van oordeel dat voor toeslagjaar 2006 de compensatieregeling niet van toepassing is.
- UHT heeft bij beschikking van 16 augustus 2022 aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van € 81.741 voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 26 september 2022, ingekomen op 26 september 2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij beschikking van 28 september 2022, met kenmerk UHT-DC I, de eerdere beschikking van 16 augustus 2022 herzien. UHT heeft aan belanghebbende een definitieve compensatie van € 105.306 toegekend voor de toeslagjaren 2005 en 2007 tot en met 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 28 september 2022, met kenmerk UHT-DH5 A, beslist dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie voor toeslagjaar 2006.
- Gemachtigde heeft bij brief van 8 november 2022, ingekomen op 26 september 2022, tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 3 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 4 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt in het bezwaar dat de bestreden beschikkingen onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid en gemotiveerd.
De Commissie kan UHT volgen ten aanzien van de motivering van de besluiten en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Voor zover UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikkingen niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van mening dat met het indienen van het uitgebreide schriftelijke verweer, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand is gekomen. De Commissie adviseert, gelet op voorgaande overwegingen, het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2006
Belanghebbende stelt dat zij ook voor toeslagjaar 2006 gecompenseerd dient te worden op grond van vooringenomen handelen. Belanghebbende is in de financiële problemen geraakt, doordat zij pas op 8 augustus 2006 een voorschot kreeg toegekend. Volgens belanghebbende stond dit voorschot niet in verhouding met de daadwerkelijke kosten van de kinderopvang. Vanaf 17 maart 2007 ontving belanghebbende het juiste bedrag van de KOT van € 19.092.
UHT heeft aangegeven dat zij geen aanleiding ziet om voor toeslagjaar 2006 af te wijken van de schriftelijke reactie. Zij blijft bij haar standpunt dat geen sprake is van vooringenomen handelen. De Commissie overweegt dat de lange duur tot vaststelling van de definitieve beschikking op zichzelf onvoldoende is om te oordelen dat er sprake is van vooringenomenheid. De Commissie stelt daarnaast ook vast dat de definitieve beschikking over toeslagjaar 2006 ontbreekt in het dossier en ook niet terug te vinden is in het SAS-overzicht of in het informatie-en beoordelingsformulier.
Gelet op de richtlijnen uit het IB-Handboek opgenomen onder punt 3.1.8 kan de de lange duur tot vaststelling van een definitieve beschikking in combinatie met andere omstandigheden wel tot de conclusie vooringenomenheid leiden.
Het voorgaande geldt ook voor het (nog) niet vaststellen van de beschikking in combinatie met de lange duur van het verwerken van de aanvraag van KOT, waarbij de verwerkingsduur van de aanvraag in combinatie met financiële problemen (ouder is bijvoorbeeld niet meer in staat om de kosten van de KOI zelf voor te schieten in afwachting van de toekenning) een sterke indicatie is van vooringenomenheid.
De Commissie overweegt dat niet ter discussie staat dat belanghebbende eerst,
na 8 maanden, een voorschotbeschikking heeft ontvangen van € 2.364 en dat op
17 maart 2007 is gebleken dat belanghebbende recht had op een bedrag voor de KOT van € 19.092. Vervolgens is in augustus 2007 de KOT definitief vastgesteld op € 19.092. De Commissie is van mening dat het voorschotbedrag en het definitieve bedrag waar belanghebbende recht op had, ver uit elkaar liggen en dat ook de periode waarna de definitieve KOT is vastgesteld (relatief) lang is. De Commissie kan de door belanghebbende gegeven toelichting ter zitting volgen en begrijpt dat belanghebbende in de financiële problemen is geraakt door deze gang van zaken en deze handelswijze van de B/T.
De Commissie neemt ook in overweging dat uit het dossier is gebleken dat belanghebbende voor heel 2006 gebruik heeft gemaakt van de opvang.
Daarnaast is in het informatie-en beoordelingsformulier voor toeslagjaar 2006 het volgende opgenomen:
- Weet u waarom u niet meteen de beschikking van 2006 heeft ontvangen?
Cliënte weet niet waarom ze niet direct een beschikking heeft ontvangen. Ze had wel opvang. Ik weet uit zaken van andere cliënten dat de Belastingdienst soms niet tot uitbetaling overging, omdat eerst alles moest worden uitgezocht. Pas als dat proces was afgerond werden de toeslagen uitbetaald. Achteraf bezien was dat vaak in de situaties waarin de Belastingdienst dacht et er iets is was met de aanvragen. In dergelijke zaken is het de vraag of dit geoorloofd was. Er moeten dan gronden zijn geweest om niet te continueren of niet uit te betalen. Wanneer deze gronden niet aangetoond kunnen worden is er mijns inziens in strijd met de wet en daarmee onrechtmatig gehandeld. - Wat heeft u gedaan om alsnog een beschikking van 2006 te krijgen?
Cliënte heeft zeer regelmatig gebeld met de Belastingdienst. Ze was bang dat de kinderen bij de opvang geweigerd zouden worden als er een achterstand zou ontstaan. - Wat heeft u gedaan om de juiste beschikking met correcte bedrag van 2006 te krijgen?
Ik begreep dat cliënte in 2006 bezwaar heeft gemaakt en dat dit bezwaar als een verzoek om informatie is aangemerkt, wat natuurlijk niet kan.
Gelet op het voorgaande, het verloop voor belanghebbende in toeslagjaar 2006, de door belanghebbende geschetste financiële problemen en alle omstandigheden van dit specifieke geval in overweging genomen, ziet de Commissie voldoende gronden om voor toeslagjaar 2006 te adviseren tot compensatie op grond van vooringenomen handelen. Dit betekent dat de Commissie adviseert om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en belanghebbende te compenseren voor toeslagjaar 2006.
Compensatieberekening
De Commissie overweegt dat UHT in de schriftelijke reactie per toeslagjaar een nadere toelichting heeft gegeven op de door gemachtigde betwiste componenten. De Commissie onderschrijft deze toelichting. Ter zitting heeft gemachtigde component a van de compensatieberekening van toeslagjaar 2012 betwist. De Commissie ziet in het betoog van gemachtigde geen aanleiding om het bedrag van € 3.857 bij component a aan te passen en sluit zich aan bij de gegeven toelichting in de schriftelijke reactie en zoals ter zitting door UHT is bevestigd.
Verder overweegt de Commissie dat UHT nader heeft uiteengezet dat een aantal componenten niet correct zijn opgenomen in de compensatieberekening. Gelet op het op het verbod van reformatio in peius, worden enkel de bedragen die in het voordeel van belanghebbende zijn, aangepast. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT dat de rente gemiste KOT voor toeslagjaar 2007 aangepast dient te worden van € 1.779 naar € 1.990. Het bezwaar is op dit onderdeel gegrond.
Immateriële vergoeding
Gelet op het voorgaande dient de immateriële schadevergoeding berekend te worden tot het moment van het besluit op bezwaar.
Aanvullende vergoeding
De Commissie merkt op dat bovenstaande aanpassing tot gevolg heeft dat ook de aanvullende vergoeding van 1% dient te worden doorberekend tot de datum van de beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert UHT om de compensatieberekening aan te passen op voornoemde punten.
Discriminatie
Gemachtigde heeft verzocht om bij de beoordeling van een schadevergoeding rekening te houden met de gevolgen van discriminatie van belanghebbende.
De Commissie overweegt dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet beoordeelt of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie.
Hoogte van de KOT
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT over onder andere de toeslagjaren 2009 (periode januari en februari) en 2010 (periode januari tot mei) zoals deze indertijd definitief zijn vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt echter buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren naar de mening van de Commissie deels gegrond, adviseert de Commissie aan UHT om tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor 2.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- voor toeslagjaar 2006 een compensatie toe te kennen op grond van vooringenomen handelen;
- de compensatieberekening aan te passen op voornoemde punten;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter