BAC 2023-13088
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 24 februari 2023 (UHT-DCH ZV)
Hoorzitting: 26 maart 2025 om 11:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 23 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, een compensatie wegens hardheid over het jaar 2017 toe te kennen en een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 24 februari 2023.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van €30.000,- voor het jaar 2016 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2017 en 2018.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 22 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016, 2017 en 2018.
- UHT heeft bij beschikking van 23 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-. Dat bedrag is aan belanghebbende betaald.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 februari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2017 en 2018 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 april 2023, ingekomen op 7 april 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van €10.335,- voor het jaar 2016 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2017 en 2018. Omdat belanghebbende al een bedrag van €30.000,- heeft ontvangen, volgt geen nabetaling.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 april 2023, ingekomen op 7 april 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 maart 2024 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 10 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 26 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 27 maart 2025 een conceptberekening van de aan belanghebbende toekomende compensatie over het jaar 2017 ingediend. Gemachtigde heeft op 1 april 2025 gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2016 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2017 en 2018 af te wijzen.
Aan belanghebbende is een definitieve compensatie toegekend wegens vooringenomenheid over het jaar 2016. Dat is tussen partijen geen discussiepunt. UHT heeft in de schriftelijke beschouwing de compensatieberekening nagerekend en daarbij vastgesteld dat er in die berekening enkele fouten zijn gemaakt. Omdat deze fouten in het voordeel van belanghebbende zijn (en zij door haar bezwaar niet in een nadeliger positie mag geraken), leidt dit niet tot een aanpassing van het toegekende compensatiebedrag. De Commissie neemt met instemming kennis van deze toezegging.
Toeslagjaar 2017
UHT heeft ter zitting toegelicht dat zij na intern overleg tot de conclusie is gekomen dat sprake is van hardheid en dat belanghebbende op die grond gecompenseerd moet worden. UHT heeft vervolgens, daartoe door de Commissie verzocht, een concept van de compensatieberekening op 27 maart 2025 aan de Commissie en aan gemachtigde gezonden. Gemachtigde heeft daar schriftelijk op gereageerd en geconcludeerd dat partijen overeenstemming hebben over de aan belanghebbende toekomende compensatie wegens hardheid over het jaar 2017. Aan deze bezwaargrond van belanghebbende is hiermee tegemoet gekomen zodat deze geen bespreking meer behoeft.
Toeslagjaar 2018
Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat zij vindt dat zij gecompenseerd moet worden over het jaar 2018 omdat B/T vooringenomen heeft gehandeld. UHT betoogt dat daarvan geen sprake is geweest.
De Commissie overweegt als volgt.
Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T of van hardheid.
De KOT is in 2018 (na automatische continuering) stopgezet per 18 juni 2018 (productie 54). Belanghebbende vraagt vervolgens opnieuw KOT aan op 14 oktober 2018 met ingang van 1 oktober 2018. B/T vraagt in reactie hierop aan belanghebbende om stukken in te sturen. Belanghebbende stuurt enkele stukken naar B/T op 14 november 2018.
Volgens belanghebbende vraagt B/T daarna herhaaldelijk om dezelfde stukken die zij al had ingestuurd. Zij heeft als gevolg daarvan onnodig lang moeten wachten voordat op de aanvraag wordt beslist. Dat gebeurt in de voorschotbeschikking van 8 februari 2019.
Daardoor liep de betalingsachterstand van belanghebbende bij de kinderopvanginstelling op en dreigde zij in verdere problemen te geraken. Dat had voorkomen kunnen worden omdat B/T reeds had kunnen beslissen op grond van de stukken die al in het bezit waren van B/T sinds 14 november 2018. Bovendien is ook daarna, in 2019 en 2020, door B/T om stukken gevraagd. Die herhaalde uitvraag duidt op vooringenomen handelen, aldus belanghebbende.
UHT stelt dat de nadere uitvraag die is gedaan wijst op een controle door B/T van het definitieve bedrag aan KOT. B/T was nog niet in het bezit van alle relevante stukken. Er is daarom gevraagd om toezending van stukken die nog niet in bezit van B/T waren. Tot een neerwaartse correctie heeft de uitvraag bovendien niet geleid. UHT wijst op de jaaropgaven (pagina 467 van het bezwaardossier). Dat stuk was eind 2018 nog niet in het bezit van B/T. Datzelfde geldt voor de stukken weergegeven op de pagina's 475 en 477 van het bezwaardossier. Van vooringenomen handelen is daarom geen sprake, aldus UHT.
De Commissie overweegt dat het enkele instellen van een (extra) controle of het tussentijds opvragen van gegevens bij belanghebbende op zichzelf onvoldoende is om te concluderen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig. De Commissie constateert dat na de aanvraag van belanghebbende op 14 oktober 2018 een standaard uitvraag is gedaan. Na ontvangst van de informatie (14 november 2018) heeft B/T weliswaar niet per omgaande zorg gedragen voor een verdere afwikkeling van de aanvraag (het voorschot kwam enkele weken later), terwijl belanghebbende dat naar eigen zeggen wel nodig had en dat bovendien ook kon omdat B/T alle benodigde stukken voor de beoordeling reeds in haar bezit had. De voorschotbeschikking dateert van 8 februari 2019 en belanghebbende heeft aldus bijna 3 maanden moeten wachten op een beslissing van B/T. Maar ook dat tijdsverloop is op zichzelf genomen onvoldoende om te concluderen tot vooringenomen handelen. B/T dient immers de informatie die zij had ontvangen verwerken en beoordelen voordat zij tot een beslissing komt. Dat deze periode (dus vanaf het insturen van de stukken tot aan het de voorschotbeschikking) voor belanghebbende stressvol moet zijn geweest, omdat zij heeft moeten wachten op de toekenning van het voorschot is invoelbaar, maar uit de voorhanden zijnde gegevens leidt de Commissie niet af dat sprake is van vooringenomenheid als in de Wht bedoeld.
Dat geldt eveneens voor de latere uitvraag aan de kinderopvanginstellingen. Na de voorschotbeschikking van 8 februari 2019 is weliswaar nogmaals een controle gedaan voorafgaand aan de definitieve beschikking, maar die controle zag, zo blijkt uit de vragen aan de kinderopvanginstellingen ook op de gedane betalingen (pag. 463 en 473 van het bezwaardossier), waarna de definitieve beschikking overeenkomstig de voorschotbeschikking van 8 februari 2019 is genomen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren deels gegrond zijn en zullen moeten leiden tot herroeping van de bestreden beslissing met kenmerk UHT-DCH ZV, zal de Commissie UHT adviseren de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH ZV in zoverre te herroepen en om:
- een compensatie wegens hardheid toe te kennen voor het jaar 2017 en een nieuwe compensatieberekening op te stellen voor de beide jaren, met inachtneming van de componenten die aangepast moeten worden bij de beslissing op bezwaar;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
Secretaris
Fungerend voorzitter