BAC 2023-11695
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 26 december 2022 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 22 april 2025
Overdracht advies aan UHT: 27 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding voor de proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar ingediend tegen het besluit van 26 december 2022 waarbij belanghebbende is meegedeeld:
- dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2008 tot en met 2019 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom geen recht heeft op compensatie (UHT-DCHA).
Procesverloop
- Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- Bij brief van 26 april 2021 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, geen recht heeft op een betaling van € 30.000.
- Op 6 maart 2024 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat er geen aanwijzingen zijn dat de definitief vastgestelde bedragen aan KOT voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2018 onjuist zijn of dat de Belastingdienst/Toeslagen voor deze jaren institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. Evenmin zou er sprake zijn van bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidscompensatie rechtvaardigen.
- Bij brief van 26 december 2022 is vorenstaand besluit genomen.
- Bij brief van 2 februari 2023 heeft gemachtigde hiertegen bezwaar gemaakt.
- Bij brief van 28 augustus 2024 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 4 november 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Bij e-mailbericht van 11 april 2025 heeft gemachtigde nogmaals aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 22 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Op 13 mei 2025 heeft UHT een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend.
- Op 3 juni 2025 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Verzoek afgifte persoonlijk dossier
Deze procedure gaat over het bezwaar van belanghebbende tegen het bestreden besluit. Het verzoek om afgifte van het persoonlijk dossier (en het hersteldossier) maakt geen deel uit van dit besluit zodat de Commissie alleen al om die reden niet over dit verzoek kan beslissen.
Herbeoordeelde toeslagjaren
Toeslagjaar 2011
Het voorschot KOT is verlaagd van € 17.983 naar € 11.724, omdat belanghebbende een verkeerd kinderopvangnummer heeft doorgegeven per 1 mei 2012. Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna B/T) de KOT niet had mogen verlagen zonder haar eerst in de gelegenheid te stellen om het juiste kinderopvangnummer door te geven. De Commissie overweegt dat belanghebbende bij brief van 7 mei 2012 is meegedeeld dat de doorgegeven wijziging niet verwerkt kon worden, omdat het opgegeven nummer niet hoort bij de doorgegeven opvangsoort. In dezelfde brief is belanghebbende geïnformeerd op welke wijze zij het juiste nummer kon doorgeven. Vervolgens heeft belanghebbende op 21 mei 2012 het juiste kinderopvangnummer doorgegeven en is het voorschot KOT op 18 september 2012 vastgesteld op € 18.619. Op 17 december 2013 is de KOT definitief vastgesteld op € 18.716. Op basis van de beschreven gang van zaken is er naar het oordeel van de Commissie geen sprake van institutioneel vooringenomen handelen van B/T.
Voorts heeft belanghebbende een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en verwezen naar een andere (vergelijkbare) zaak waarin de ouder aanvankelijk ook het verkeerde kinderopvangnummer heeft doorgegeven. In die zaak heeft UHT aangegeven (in het herbeoordelingsbesluit) dat de ouder eerst in de gelegenheid gesteld had moeten worden om het juiste kinderopvangnummer door te geven in plaats van de KOT stop te zetten. Daarom is de ouder wegens institutioneel vooringenomen handelen gecompenseerd. Belanghebbende is van oordeel dat die situatie gelijk is aan de hare en stelt daarom dat zij ook gecompenseerd moet worden.
UHT heeft zich in de aanvullende schriftelijke beschouwing op het standpunt gesteld dat in de zaak waarnaar is verwezen er een onjuiste herbeoordeling heeft plaatsgevonden en dat die ouder derhalve ten onrechte is gecompenseerd.
De Commissie ziet geen reden om daaraan te twijfelen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dan ook niet. Het gelijkheidsbeginsel strekt niet zover dat een bestuursorgaan is gehouden een eerder gemaakte fout te herhalen.
De overige toeslagjaren
De KOT voor 2008, 2009, 2010, 2012, 2013, 2014, 2016, 2017, 2018 en 2019 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van minder afgenomen uren, een hoger toetsingsinkomen en/of een doorgegeven stopzetting.
De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten, dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend, dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.
Over toeslagjaar 2015 hebben geen neerwaartse correcties plaatsgevonden. Compensatie is dan in beginsel niet aan de orde.
De Commissie begrijpt dat het terugbetalen van de (bij wijze van voorschot ontvangen) KOT voor belanghebbende niet makkelijk zal zijn geweest, maar haar situatie houdt uiteindelijk geen verband met de problematiek waarvoor de hersteloperatie in het leven is geroepen.
Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15 lid 2 Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- De bezwaren ongegrond te verklaren;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter