Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-11689

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 29 december 2022 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 25 april 2025 om 10:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 9 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaar is gericht tegen de op 29 december 2022 door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DCH. Hierbij is aan belanghebbende over het toeslagjaar 2016 geen compensatie toegekend, en over de toeslagjaren 2014 en 2015 een compensatiebedrag van € 22.918,-toegekend. Dit bedrag is in het kader van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000,-.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 31 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 tot en met 2016.
  • UHT heeft bij beschikking van 17 februari 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat hij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) niet van toepassing is voor het jaar 2016.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 29 december 2022 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 22.910,- voor de jaren 2014 en 2015 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2016.
  • UHT heeft bij de beschikking van 29 december 2022 met kenmerk UHT-DCH het compensatiebedrag voor de jaren 2014 en 2015 verhoogd naar € 22.918,-. Voor het jaar 2016 is geen compensatie toegekend.
  • Gemachtigde heeft op 3 februari 2023 tegen de beschikking van 29 december 2022 (kenmerk UHT-DCH) bezwaar ingediend.
  • UHT heeft op 11 november 2024 op die bezwaren in een schriftelijke beschouwing gereageerd.
  • Het bezwaar van belanghebbende is op 25 april 2025 in een hoorzitting bij de Commissie behandeld. Het verslag van de hoorzitting is bij het advies gevoegd.
  • Belanghebbende heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 25 april 2025 nadere stukken ingediend.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 6 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar 3 juni 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van de bestreden beschikking en de daartegen aangevoerde bezwaren, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het jaar 2016 niet als compensatiejaar aan te merken.

Afwijzing compensatie toeslagjaar 2016

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in het toeslagjaar 2016 wel recht had op KOT. Hij stond in dat jaar ten minste een half jaar ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) en heeft in dat jaar opvang afgenomen. Belanghebbende heeft in de jaren 2014 en 2015 gewerkt, zijn toenmalige partner studeerde en de kinderen gingen naar school en genoten opvang. Deze situatie is in 2016 niet gewijzigd.

Belanghebbende verwijst naar de ter zitting overgelegde stukken, waaruit volgt dat met de kinderopvanginstelling (hierna: KOi) X is overeengekomen dat beide kinderen op de naschoolse opvang zouden worden geplaatst in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2017. Van belanghebbende kan niet worden gevergd facturen en betalingsbewijzen van de genoten opvang in 2016 over te leggen, nu zijn boot, waarop zijn administratie zich bevond, is gezonken.

UHT stelt dat in het toeslagjaar 2016 sprake was van vooringenomenheid, omdat B/T voorafgaand aan de nihilstelling van de KOT onvoldoende uitvraag heeft gedaan.

Belanghebbende had in het jaar 2016 echter evident geen recht op KOT, omdat - blijkens de KOi-viewer - in dat jaar door belanghebbende geen opvang is afgenomen. De ter zitting door belanghebbende overgelegde stukken tonen niet aan dat daadwerkelijk opvang is afgenomen. Belanghebbende heeft dit niet kunnen aantonen door middel van facturen, jaaropgaven of betaalbewijzen. Bovendien zijn deze stukken niet door de ex-partner van belanghebbende dan wel door de KOi ondertekend. Belanghebbende heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat in het jaar 2016 sprake is geweest van geregistreerde opvang, aldus UHT.

De Commissie overweegt als volgt. ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie, kort gezegd, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een vooringenomen handelwijze van de B/T. Tussen partijen is niet in geschil dat van vooringenomen handelen jegens belanghebbende over het toeslagjaar 2016 sprake is. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, desondanks achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Daarvan is in ieder geval sprake als uit het dossier blijkt dat evident geen recht op KOT bestond in het onderzochte toeslagjaar. Dit is bijvoorbeeld het geval als er geen opvang is geweest. Gelet op het uitzonderingskarakter van artikel 2.1, lid 2, van de Wht ligt de bewijslast bij UHT. Het is aan UHT om aannemelijk te maken dat in het toeslagjaar 2016 geen opvang heeft plaatsgevonden en dat dus evident geen recht op KOT bestond.

Naar de opvatting van de Commissie is UHT niet in deze bewijslast geslaagd. De Commissie neemt in de eerste plaats in aanmerking dat uit het bezwaardossier blijkt dat in de jaren 2014 en 2015 bij dezelfde KOi opvang is genoten. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat deze situatie niet zou zijn voortgezet in het jaar 2016. Het ter zitting door belanghebbende overgelegde schriftelijke stuk bevat weliswaar niet de vereiste handtekeningen om het bestaan van een gesloten overeenkomst aan te nemen, maar wijst wel op de kennelijk door belanghebbende ook voor het jaar 2016 gewenste plaatsing. De Commissie betrekt daarbij dat vaststaat dat de boot van belanghebbende, waarop de administratie met betrekking tot de KOT zich bevond, is gezonken, waardoor relevante stukken verloren zijn gegaan. De enkele omstandigheid dat in het jaar 2016 opvanggegevens in de KOi-viewer ontbreken, is hier, geplaatst tegen de achtergrond van de specifieke omstandigheden van dit geval, onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van evident geen recht op KOT. Zoals bekend waren kinderopvanginstellingen in het jaar 2016 niet verplicht opvanggegevens via de KOi-viewer door te geven. De Commissie merkt op dat ook over de jaren 2014 en 2015 geen informatie in de KOi-viewer beschikbaar is (respectievelijk producties 42 en 43 in het bezwaardossier), terwijl niet in geschil is dat belanghebbende in die jaren opvang heeft afgenomen en UHT voor die jaren compensatie heeft toegekend. UHT heeft niet onderbouwd waarom toeslagjaar 2016 in dat opzicht anders zou moeten worden beoordeeld.

Gelet op het voorgaande is de Commissie van oordeel dat UHT er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van de Wht. De Commissie adviseert UHT dan ook om alsnog over te gaan tot compensatie aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2016, op grond van de reeds vastgestelde vooringenomenheid. Het bezwaar dient in zoverre gegrond te worden verklaard.

Compensatieberekening toeslagjaren 2014 en 2015

De Commissie is van mening dat UHT door middel van de schriftelijke beschouwing en de bijlage (toelichting op de compensatieberekening) de compensatieberekening voldoende duidelijk heeft gemaakt. Terecht heeft UHT, blijkens het gestelde in de schriftelijke beschouwing, geconstateerd dat de berekening van de compensatie in de bestreden beschikking onjuist is geweest voor wat betreft de toeslagrente over de gemiste KOT (component o) over de jaren 2014 en 2015. UHT heeft daarbij, onder verwijzing naar de bij die beschouwing behorende bijlage, uiteengezet hoe zij deze berekening bij de beslissing op bezwaar in het voordeel van belanghebbende zal aanpassen. De Commissie adviseert UHT daarom deze toezegging bij de beslissing op bezwaar gestand te doen. Daarom adviseert de Commissie UHT de beschikking met het kenmerk UHT-DCH te herroepen. De gegrondbevinding van het bezwaar zal ook behoren te leiden tot aanpassing van de onderdelen vergoeding immateriele schade (doorberekenen tot de einddatum van de beslissing op bezwaar) en de zogenoemde 1% vergoeding. Het bezwaar dient in zoverre gegrond te worden verklaard.

Proceskostenvergoeding

Met betrekking tot een vergoeding van de proceskosten overweegt de Commissie het navolgende. Gemachtigde heeft niet verzocht om een proceskostenvergoeding. Aangezien belanghebbende op de hoorzitting is bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener en het bezwaar gegrond is, adviseert de Commissie om belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie UHT als volgt:

  • het bezwaar tegen de beschikking van 29 december 2022 met kenmerk UHT-DCH gegrond te verklaren;
  • alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen inzake de toeslagjaren 2014 en 2015 opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum van de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zo verre te herroepen;
  • op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2016;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter