Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-10460

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 augustus 2022 met de kenmerken UHT-DC-I A en
UHT-DH5 A

Hoorzitting: 26 augustus 2025

Overdracht advies aan UHT: 1 september 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door de UHT genomen beschikkingen. Het betreft de volgende twee beschikkingen van 16 augustus 2022:

  • De definitieve beschikking tot afwijzing van compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk: UHT-DC-I A, en
  • De beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag met kenmerk: UHT-DH5 A.

Aan belanghebbende is, met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904), geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 tot en met 2012.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022, houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht), in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 van de Wht, moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 21 november 2019 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2013. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is deze periode aangepast naar de jaren 2008 tot en met 2012.
  • UHT heeft bij beschikking van 1 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 april 2022 aan de UHT toegestuurd. De CvW heeft in het advies geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de eerste bestreden beschikking van 16 augustus 2022, met kenmerk UHT-DC-I A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij over de jaren 2008 tot en met 2012 niet vooringenomen is behandeld. Belanghebbende heeft daarom geen recht op compensatie.
  • UHT heeft bij de tweede bestreden beschikking van 16 augustus 2022, met kenmerk UHT-DH5 A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij over de jaren 2008 tot en met 2012 geen beroep kan doen op de hardheidsregeling. Belanghebbende heeft daarom geen recht op een tegemoetkoming.
  • De gemachtigde heeft bij brief van 14 september 2022 tegen de twee bestreden beschikkingen van 16 augustus 2022 bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 7 mei 2025 schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
  • Op 22 augustus 2025 heeft gemachtigde de Commissie verzocht de zaak op de stukken af te doen. De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af van het horen van belanghebbende.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De onderliggende stukken
Belanghebbende stelt dat zij niet beschikt over het volledige persoonlijke dossier. Op grond van artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken — waaronder de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC-overzichten) — in ieder geval aan de gemachtigde ter beschikking te stellen. De Commissie stelt vast dat de gemachtigde op 4 juni 2025 in het bezit is gesteld van alle op de zaak betrekking hebbende stukken.
De Commissie adviseert de UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toetsing van alle voorschot- en definitieve beschikkingen en reguliere aanpassingen van KOT
Belanghebbende voert aan dat de vaststelling van de KOT over de jaren 2008 tot en met 2012 onjuist is geweest en dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) daardoor vooringenomen heeft gehandeld. Belanghebbende meent daarom recht te hebben op een compensatie van € 30.000.

De Commissie stelt in algemene zin dat bij het aanvragen van KOT en het toekennen van voorschotten wordt uitgegaan van de juistheid van de gegevens die door belanghebbende worden verstrekt. Daarbij wordt uitgegaan van de goede trouw van de aanvrager. B/T is — mede gelet op het belang van een snelle betaling van voorschotten

  • niet gehouden om voorafgaand aan de toekenning van de voorschotten alle verstrekte gegevens op juistheid te controleren.

De Commissie overweegt voorts dat uit artikel 2.2 en 2.3 van de Wht volgt dat UHT dient te beoordelen of bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2008 tot en met 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T, dan wel van hardheid van het stelsel.
Indien uit reguliere wijzigingen blijkt dat het voorschot KOT te hoog is vastgesteld, wordt dit bijgesteld. Deze bijstellingen worden uitgevoerd conform de wettelijke bepalingen. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel dan ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft voor de eerder genoemde jaren geen aanknopingspunten aangetroffen om in het geval van belanghebbende tot een ander oordeel te komen. Op basis van de onderliggende stukken stelt de Commissie vast:

  • Voor toeslagjaar 2008 is de KOT opwaarts bijgesteld van € 1.561 naar € 2.079, als gevolg van een aanzienlijke verlaging van het gezamenlijk toetsingsinkomen.
  • Voor 2009 is de KOT meermaals opwaarts bijgesteld vanwege wijzigingen in het gezamenlijk toetsingsinkomen en een hoger uurtarief; er was sprake van een lager aantal opvanguren.
  • Voor 2010 is de KOT neerwaarts bijgesteld vanwege een verhoging van het gezamenlijk toetsingsinkomen van € 22.929 naar € 24.605.
  • Voor 2011 is de KOT aanvankelijk opwaarts bijgesteld door aanpassingen in het uurtarief en het aantal opvanguren. Vervolgens is de KOT bij beschikking van
    31 juli 2012 definitief vastgesteld op € 8.953 in plaats van € 9.706, vanwege een verhoging van het toetsingsinkomen.
  • Voor 2012 is de KOT neerwaarts bijgesteld omdat een kind van belanghebbende is overgegaan van dagopvang naar buitenschoolse opvang. Door aanpassing van het aantal opvanguren, het uurtarief en een hoger gezamenlijk toetsingsinkomen is de KOT aangepast van € 10.278 naar € 8.394.

Verrekenen van vorderingen met verschillende toeslagen op grond van artikel 30 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir)
De Commissie stelt vast dat B/T op grond van artikel 30 van de Awir bevoegd is om vorderingen te verrekenen met andere toeslagen, ongeacht het berekeningsjaar. Van institutionele vooringenomenheid is geen sprake wanneer B/T van deze wettelijke bevoegdheid gebruikmaakt. Uit de LIC-overzichten over de jaren 2011 en 2012 maakt de Commissie op dat B/T daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van deze verrekeningsbevoegdheid. De openstaande vordering over toeslagjaar 2011, ter hoogte van € 753, is verrekend met tegoeden uit de KOT over de jaren 2012 tot en met 2014.

Gelet op het voorgaande is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende door B/T vooringenomen is behandeld, noch dat zij in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de hardheidsregeling. De Commissie adviseert de UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

O/GS-tegemoetkoming
Belanghebbende stelt dat B/T een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling heeft geweigerd. De UHT heeft echter geen enkel stuk aangetroffen waaruit blijkt dat een dergelijk verzoek is ingediend. Ook op basis van de overige stukken en omstandigheden is deze stelling voor de Commissie niet aannemelijk geworden. Bovendien voldeed belanghebbende niet aan de zogenoemde O/GS-kwalificatie.

Verzoek om in aanmerking te komen voor de werkelijke schade
Voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade komt in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van institutioneel vooringenomen handelen van B/T, de ouder die ten onrechte een O/GS-kwalificatie heeft gekregen en daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd, of de ouder waaraan ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en die ingevolge artikel 9.1 Wht een O/GS-tegemoetkoming toekomt. Nu de Commissie van mening is dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen, komt belanghebbende ook niet in aanmerking voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter