Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13063

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 april 2023 met kenmerk UHT-DCH

Hoorzitting: 16 juni 2025 om 13:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 12 augustus 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 en 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 21 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 en 2012.
  • UHT heeft bij beschikking van 16 november 2022 met kenmerk UHT-CHR GU aan belanghebbende meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de zogenoemde Catshuisregeling
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 maart 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geconcludeerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 en 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 16 mei 2023, ingekomen op 24 mei 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 9 augustus 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 16 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 20 juni 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 16 juli 2025 schriftelijk op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur

In algemene zin is bij het bezwaar ter discussie gesteld of UHT bij de bestreden beschikking heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.

De Commissie ziet geen aanleiding, mede gelet op de gronden van het bezwaar, om te veronderstellen dat UHT bij de totstandkoming van de bestreden beschikking onzorgvuldig heeft gehandeld of de bestreden beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd of dat de bestreden beschikking in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

Beoordeling afwijzing compensatie over de toeslagjaren 2011 en 2012

Belanghebbende is van mening dat hij over de toeslagjaren 2011 en 2012 recht heeft op compensatie. In deze jaren is de KOT onterecht verlaagd naar € 0. UHT stelt daartegenover dat belanghebbende over deze jaren geen recht heeft op compensatie. De verlagingen zijn volgens haar reguliere wijzigingen, die zijn gebaseerd op opgaven van belanghebbende zelf. De Commissie overweegt als volgt.

2011

Uit het dossier volgt dat belanghebbende in het toeslagjaar 2011 van 1 januari tot en met 1 oktober 2011 opvang heeft genoten. Met hulp van de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) heeft belanghebbende begin 2011 de aanvraag KOT ingediend. Op 28 april 2011 is de KOT vastgesteld op € 7.079. Deze is rechtstreeks naar de KOI overgemaakt. Op 9 augustus 2012 heeft belanghebbende per abuis op het antwoordformulier aangekruist dat hij in 2011 helemaal geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Dit betrof een omissie en was onjuist: alleen van 1 oktober tot en met 31 december 2011 heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt van opvang. Op 4 juni 2013 is de KOT verlaagd naar € 0. Op 17 februari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) wordt de vergissing hersteld na bezwaar van belanghebbende en is de KOT definitief vastgesteld op € 5.035.

De Commissie constateert dat de verlaging van de KOT geen vooringenomen handeling van B/T was. De Commissie begrijpt dat de vergissing voor belanghebbende erg ongelukkig was. Echter, dit maakt de handeling van B/T om de KOT te verlagen naar € 0 nog niet vooringenomen. De Commissie komt tot de conclusie dat de verlaging op basis van informatie zoals deze door belanghebbende zelf was doorgegeven, door B/T op de gebruikelijke wijze is verwerkt. Dergelijke reguliere wijzigingen geven geen recht op compensatie op grond van de Wht.

2012

Op 28 december 2011 heeft belanghebbende doorgegeven dat hij de KOT wil stopzetten per 1 januari 2012. B/T heeft dit niet direct in het systeem verwerkt. Daardoor is de KOT op 29 december 2011 automatisch gecontinueerd en vastgesteld op € 6.807.

Op 21 januari 2012 is de stopzetting verwerkt en heeft B/T de KOT verlaagd naar €0. In het ouderverhaal verklaart belanghebbende in 2012 geen kinderopvang te hebben genoten. De Commissie komt tot de conclusie dat de B/T niet vooringenomen heeft gehandeld. Het tijdsverloop tussen de stopzetting van belanghebbende en de verwerking door B/T heeft drie weken bedragen. Het is gebruikelijk dat een wijziging of stopzetting een aantal weken verwerkingstijd met zich meebrengt. Het tijdsverloop is in lijn met deze verwerkingstijd. Het betreft een reguliere wijziging, die op grond van de Wht geen recht geeft op compensatie.

De Commissie adviseert UHT om de bezwaren ongegrond te verklaren.

Het ontbreken van een herbeoordeling over het toeslagjaar 2010

UHT heeft bij haar herbeoordeling niet gekeken naar het toeslagjaar 2010. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Commissie leidt uit de stukken af dat UHT dit toeslagjaar niet heeft meegenomen in de beoordeling omdat de ex-partner van belanghebbende in 2010 de KOT heeft aangevraagd. Belanghebbende heeft daarom op grond van de Wht geen recht op compensatie. Dit is aan belanghebbende meegedeeld.

Op verzoek van de Commissie tijdens de hoorzitting, heeft UHT het toeslagjaar 2010 nogmaals heroverwogen. In haar aanvullende beschouwing van 20 juni 2025 blijft UHT bij haar standpunt dat over het toeslagjaar 2010 geen recht op compensatie bestaat. Alleen onterechte handelingen van de B/T kunnen aanleiding geven tot compensatie op grond van de Wht, aldus UHT. Het ontbreken van een aanvraag, om welke reden dan ook, komt niet voor risico van B/T. Het is niet aan B/T om actief te achterhalen of er alsnog een aanvraag had moeten worden ingediend. UHT begrijpt dat dit een onrechtvaardig gevoel kan geven, maar dit kan volgens haar niet leiden tot compensatie. Daarnaast wijst UHT op het feit dat de ex-partner van belanghebbende in 2010 geen toeslagpartner was, waardoor er ook geen afgeleid recht bestaat.

De Commissie betreurt het dat voor belanghebbende een onrechtvaardige situatie is ontstaan nu vast is komen te staan dat hij en zijn ex-partner in 2004 zijn gescheiden, de kinderen vanaf december 2009 hun hoofdverblijf bij hem hadden, hij degene was die werkte, voor zijn kinderen zorgde en in oktober 2010 de voogdij kreeg toegewezen over zijn kinderen.

Echter, de Commissie komt tot de conclusie dat er geen recht op compensatie bestaat op grond van de Wht. Zij constateert dat belanghebbende niet aan de daarvoor geldende criteria voldoet: de aanvraag KOT is niet door belanghebbende ingediend. Er is geen sprake van vooringenomen handelen of hardheid bij de uitvoering van de KOT door de B/T. Het bezwaar is ongegrond.

Proceskostenvergoeding

Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op artikel 7:15 lid 2 Awb, geen grond om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter