BAC 2022-10457
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 15 augustus 2022 (UHT-DC-I A)
Hoorzitting: 5 februari 2025 om 14:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 13 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT
genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van
15 augustus 2022 (UHT-DC-I A).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) geen compensatie toegekend de jaren 2013 tot en met 2018.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 27 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2018.
- UHT heeft bij beschikking van 1 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 21 juni 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 15 augustus 2022 met kenmerk UHT-DC-I A aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2013 tot en met 2018.
- Belanghebbende heeft bij brief van 14 september 2022, ingekomen op 21 september 2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft 19 augustus 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 5 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2013 tot en met 2018 af te wijzen.
Volledig dossier
Belanghebbende verzoekt om een afschrift van haar persoonlijk dossier.
De Commissie overweegt het navolgende. In deze bezwaarprocedure beoordeelt de Commissie of alle op deze zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt overeenkomstig artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is een beperkter dossier dan het persoonlijk dossier wat alle gegevens van belanghebbende bevat, ook buiten de kinderopvangtoeslag. Alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in de bezwaarprocedure aan belanghebbende verstrekt. Deze bezwaargrond behoeft gelet hierop geen afzonderlijke bespreking meer.
Strijd met algemene beginsel van behoorlijk bestuur
Belanghebbende voert verder aan dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginsel van behoorlijk bestuur. Meer concreet meent belanghebbende dat het bestreden besluit onzorgvuldig is en onvoldoende gemotiveerd. UHT heeft deze stellingname betwist.
De Commissie overweegt dat, als al aangenomen zou worden dat UHT het bestreden besluit niet voldoende heeft toegelicht, dit niet betekent dat sprake is van een gebrekkige motivering of dat sprake is van onzorgvuldigheid. Met het indienen van de schriftelijke beschouwing met daarin onder meer een volledige heroverweging van het bestreden besluit en waarbij is verwezen naar alle relevante onderliggende stukken, daaronder ook begrepen de LIC-overzichten ten aanzien van de betrokken jaren, is het bestreden besluit voldoende onderbouwd. De schriftelijke beschouwing en het bezwaardossier zijn op 13 januari 2025 aan belanghebbende gezonden. Gelet hierop is het bestreden besluit naar het oordeel van de Commissie zorgvuldig voorbereid en berust het bovendien op een voor de behandeling van het bezwaar volledig dossier.
Eventuele motiveringsgebreken zijn aldus in deze bezwaarprocedure hersteld.
Gelet hierop adviseert de Commissie UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Afwijzing compensatie
Belanghebbende heeft, samengevat weergegeven, aangevoerd dat zij meent dat zij gedupeerde is en dat zij recht heeft op compensatie over de betrokken jaren. Meer concreet voert belanghebbende aan dat zij zelf nimmer een wijziging in de samenstelling van haar huishouden of een andere soortgelijke wijziging heeft doorgegeven op grond waarvan het gezamenlijk toetsingsinkomen, derhalve dat van belanghebbende en haar toeslagpartner, is gewijzigd.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T of hardheid.
In het bestreden besluit en het informatie- en beoordelingsformulier (productie 4) is voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2018 uitgebreid beschreven en toegelicht welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in de KOT hebben plaatsgevonden in de betrokken jaren. Voor toeslagjaar 2013 is de KOT éénmaal neerwaarts gecorrigeerd (beschikking van 21 november 2013) vanwege een hoger toetsingsinkomen en een wijziging in het aantal afgenomen opvanguren.
Voor toeslagjaar 2014 is de KOT driemaal neerwaarts bijgesteld. De eerste neerwaartse bijstelling van de KOT is gedaan naar aanleiding van de door belanghebbende opgegeven wijziging in opvanguren (productie 56). De tweede en derde neerwaartse bijstellingen van de KOT zijn gelegen in een wijziging van het gezamenlijk toetsingsinkomen van belanghebbende (en haar echtgenoot). UHT heeft in dit verband in haar beschouwing een toelichting gegeven op de feitelijke gang van zaken ten aanzien van deze tweede en derde neerwaartse bijstellingen en daarbij verwezen naar de producties 57 en 58 en de informatie die zij in dit verband heeft verkregen.
Ter gelegenheid van de hoorzitting heeft belanghebbende, in reactie hierop, een uittreksel uit de Basisregistratie Personen van de gemeente (BRP) overgelegd, van zowel belanghebbende zelf als haar echtgenoot. Daaruit blijkt, dat belanghebbende en haar echtgenoot vanaf 2008 steeds op hetzelfde adres hebben gewoond en vanaf 2 mei 2013 beiden wonen op [adres]. Op 27 september 2014 trouwde belanghebbende met [naam].
Belanghebbende vermoedt dat het vanaf dat moment is misgegaan omdat er een adreswijziging voor haar echtgenoot is doorgevoerd vanaf 1 januari 2014. Dat is een fout van B/T geweest en belanghebbende meent dat zij als gevolg daarvan gedupeerd is. Zij en haar gezin hebben financiële schade en stress als gevolg hiervan ondervonden.
UHT heeft in reactie hierop ter zitting een toelichting gegeven op de feitelijke gang van zaken. B/T is uitgegaan van de gegevens die zijn verkregen uit het BRP. De verhuizing in mei 2013 naar [adres] is voor belanghebbende wel correct geregistreerd maar voor haar echtgenoot niet. Die fout ligt niet bij UHT, zo wordt uiteengezet, maar is te wijten aan de gemeente. Daarna is deze fout door de gemeente gecorrigeerd en is uitgegaan van de juiste inkomensgegevens, gerekend vanaf 1 januari 2014. UHT meent dat mocht worden uitgegaan van de juistheid van die gegevens die zijn verkregen uit het BRP en dat zij geen verplichting heeft gegevens van het BRP te controleren. Uiteindelijk is bovendien bij de vaststelling van de KOT (als ook de terugvordering daarvan) uitgegaan van de juiste inkomensgegevens en heeft belanghebbende geen schade ondervonden. De Commissie kan UHT in haar stellingname volgen dat op zichzelf genomen belanghebbende niet kan worden aangemerkt als gedupeerde in de zin van de Wht (er is immers geen sprake van vooringenomen handelen noch van hardheid van het stelsel, bovendien heeft belanghebbende geen schade geleden), maar dat laat onverlet dat invoelbaar is dat belanghebbende meent dat zij anderszins wel gedupeerd is, door de forse terugvorderingen waarmee zij werd geconfronteerd.
Voor toeslagjaar 2015 is de KOT éénmaal neerwaarts bijgesteld overeenkomstig de gegevens uit de KOI-viewer (productie 59). Voor toeslagjaar 2016 is de KOT driemaal neerwaarts gecorrigeerd. De eerste neerwaartse correctie is gedaan naar aanleiding van een wijziging in het aantal opvanguren (productie 60). De tweede neerwaartse correctie van de KOT is gedaan overeenkomstig de gegevens uit de KOI-viewer (productie 61) en de derde neerwaartse correctie van de KOT vloeit voort uit het door belanghebbende ingevulde en ondertekende antwoordformulier van 10 juni 2017 (productie 40). Voor toeslagjaar 2017 is de KOT opwaarts gecorrigeerd naar aanleiding van het door belanghebbende ingevulde en ondertekende antwoordformulier van 14 augustus 2018 (productie 47). Er is geen KOT teruggevorderd. Voor toeslagjaar 2018 is de KOT éénmaal neerwaarts gecorrigeerd (productie 51). Deze neerwaartse bijstelling is het gevolg van de door belanghebbende ingestuurde antwoordformulier (productie 54) een wijziging in het gezamenlijk toetsingsinkomen.
Geplaatst tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden overweegt de Commissie dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2018 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. Het bezwaar is om die reden ongegrond.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter