Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-11630

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 23 januari 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 8 mei 2025

Overdracht advies aan UHT: 2 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 23 januari 2023.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2014 t/m 2016.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 25 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 t/m 2016.
  • UHT heeft aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de integrale herbeoordeling nog niet klaar is.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 2 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij haar bestreden beschikking van 23 januari 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2014 t/m 2016.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 januari 2023, ingekomen op 1 februari 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 6 oktober 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 28 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
  • Op 8 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting in de gelegenheid gesteld, op 21 mei 2025 een nadere reactie ingediend. UHT heeft daar op 2 juni 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Toeslagjaren 2014 t/m 2016

Belanghebbende stelt zich ten aanzien van de toeslagjaren 2014 t/m 2016 op het standpunt dat sprake is geweest van afname van geregistreerde kinderopvang en dat UHT daarom ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat sprake is van evident geen recht. Volgens belanghebbende is de KOT destijds aan de kinderopvanginstelling uitgekeerd, en ten onrechte bij haar teruggevorderd. UHT stelt dat belanghebbende gedurende de toeslagenjaren 2014 t/m 2016 geen doelgroeper was en over de desbetreffende periode niet is gebleken van afname van geregistreerde kinderopvang. UHT is daarom van oordeel dat sprake is van evident geen recht en dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op een bedrag aan compensatie op grond van de Wht.

De Commissie overweegt daarover als volgt. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan over de desbetreffende toeslagjaren sprake nu belanghebbende over deze periode niet als doelgroeper kwalificeerde en bovendien niet is gebleken van afname geregistreerde kinderopvang. Uit de voorhanden zijnde stukken, waaronder KOI-viewer gegevens van de respectievelijke toeslagjaren, is niet gebleken van afname van geregistreerde kinderopvang.

Belanghebbende heeft ook na de hoorzitting- daartoe door de Commissie in de gelegenheid gesteld - geen stukken ingebracht die alsnog aannemelijk maken dat over het toeslagjaar 2014 sprake is geweest van afname van geregistreerde kinderopvang. De Commissie kan UHT volgen in haar ingenomen standpunt dat sprake is van evident geen recht. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een bedrag aan compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Fraude door derden

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij slachtoffer is geworden van fraude. Belanghebbende stelt dat haar BSN en haar DigiD gegevens zijn misbruikt door derden.

Belanghebbende heeft aangegeven dat zij haar inloggegevens in die tijd met anderen heeft gedeeld. Hoewel de Commissie niet uitsluit dat belanghebbende dit te goeder trouw heeft gedaan en ziet, dat zij zelf door de fraude is gedupeerd, is zij van mening dat de gevolgen van het delen van DigiD-inloggegevens voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen. Het bezwaar kan op dit onderdeel niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar tegen de bestreden beschikking naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de Commissie adviseert tot het in stand laten van de bestreden beschikking, bestaat geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter