BAC 2023-13058
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 13 februari 2023 (UHT-DCH ZV)
Hoorzitting: 12 augustus 2025
Overdracht advies aan UHT: 25 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit van 13 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een
proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het volgende door UHT genomen besluit, de beschikking van 13 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV, waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een definitieve compensatie van € 61.151 voor het jaar 2011 en de jaren 2014 tot en met 2017 wordt toegekend. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) fouten heeft gemaakt bij het toekennen van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Voor de jaren 2012, 2013, 2018 en 2019 wordt geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 26 augustus 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT. Het verzoek ziet op de jaren 2011 tot en met 2019.
- Op 21 april 2022 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat zij op basis van de eerste toets in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000 op
grond van de Catshuisregeling. - Op 5 januari 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies
uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat niet is gebleken van
institutioneel vooringenomen handelen voor de jaren 2012, 2013, 2018 en 2019, noch dat er reden is voor toekenning van de hardheidscompensatie. - UHT heeft bij beschikking van 13 februari 2023 aan belanghebbende een
compensatie van € 61.151 voor het jaar 2011 en de jaren 2014 tot en met 2017
toegekend. Voor de jaren 2012, 2013, 2018 en 2019 komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie. - Op 21 maart 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende een
bezwaarschrift ingediend. - Op 21 maart 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 12 augustus 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft dit bezwaar behandeld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vragen of UHT de
toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2018 af te wijzen. Tevens zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar. Ter zitting heeft gemachtigde te kennen gegeven dat de bezwaargrond met betrekking tot een onbekend persoon op het adres van belanghebbende kan blijven rusten. Dit zal daarom in dit advies buiten beschouwing worden gelaten.
Definitieve compensatieberekening
Belanghebbende stelt het niet eens te zijn met het aan haar toegekende
compensatiebedrag. De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. UHT heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding over de gemiste KOT onjuist blijkt te zijn vastgesteld voor het jaar 2011 en de jaren 2014 tot en met 2017. Ingevolge artikel 2.3, lid 7, Wht wordt, kortweg, over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van de neerwaartse correctiebeschikking, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten met overeenkomstige toepassing van artikel 27 Awir. In de compensatieberekening is de rente over de gemiste KOT opgenomen onder component o. UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat in de nieuwe berekening voor het jaar 2011 op een hogere rentevergoeding wordt uitgekomen. Dit zal worden aangepast in
de beslissing op bezwaar. Over de jaren 2014 tot en met 2017 wordt op een lagere rentevergoeding uitgekomen, waardoor deze bedragen niet zullen worden aangepast in de beslissing op bezwaar.
Ten aanzien van de berekening immateriële schade heeft UHT de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen. Ten aanzien van de aanvangsdatum stelt UHT zich op het standpunt dat de gehanteerde datum van 25 januari 2013 juist is vastgesteld.
De Commissie heeft geen aanleiding UHT in bovenstaande standpunten niet te volgen.
De Commissie adviseert UHT daarom aan haar toezeggingen uit de schriftelijke reactie gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar. De aanpassingen hebben tevens tot gevolg dat ook de aanvullende vergoeding van 1% wijzigt.
De overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en de definitieve beschikkingen. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reactie, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, de compensatieberekening en daarmee het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de
stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie gemachtigde daarom niet in de stelling dat het beginsel van ''equality of arms'' geschonden zou zijn.
Toeslagjaar 2018
Ter zitting heeft gemachtigde aangevoerd dat belanghebbende in toeslagjaar 2018 pas in maart de KOT heeft ontvangen. Gemachtigde vermoedt dat dit te maken heeft gehad met de problemen die in het jaar 2017 hebben plaatsgevonden en stelt dat belanghebbende dient te worden gecompenseerd.
De Commissie overweegt dat het niet automatisch continueren van de KOT op zichzelf geen vooringenomen handeling betreft. Daarbij overweegt de Commissie dat uit het bezwaardossier volgt dat belanghebbende op 15 februari 2018 de KOT heeft aangevraagd en op diezelfde datum de kinderopvanggegevens zijn doorgegeven. Naar aanleiding hiervan is op 21 maart 2018 de KOT toegekend. Op 5 juli 2019 is de KOT definitief beschikt. Er hebben in dit jaar geen neerwaartse correcties plaatsgevonden. De Commissie ziet in de stelling van belanghebbende dan ook geen aanknopingspunten om UHT niet te volgen in het standpunt dat er geen reden is voor compensatie. De Commissie adviseert derhalve het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit met het kenmerk UHT-DCH ZV naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen het besluit van 13 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Secretaris
Fungerend voorzitter