Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-11591

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 22 december 2022 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 12 februari 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 10 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te
kennen.

Onderwerp van advies

Het namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 22 december 2022.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000,- voor de maanden januari tot en met juni 2012 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2011, de maanden juli tot en met december 2012 en het jaar 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft 19 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011, 2012 en 2013.
  • UHT heeft bij beschikking van 30 augustus 2021 aan belanghebbende
    medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-
    ingevolge de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 17 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. Volgens CvW was gedurende het jaar 2011, de maanden juli tot en met december 2012 en het jaar 2013 geen sprake van institutionele vooringenomenheid of bijzondere
    omstandigheden.
  • UHT heeft belanghebbende bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH compensatie toegekend voor de maanden januari tot en met juni 2012. Er is geen compensatie toegekend over het jaar 2011, de maanden juli tot en met december 2012 en het jaar 2013.
  • De voormalig gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 31 januari
    2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 11 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • In de avond van 11 februari 2025 heeft huidige gemachtigde van
    belanghebbende, gemachtigde, nadere stukken toegezonden.
  • Op 12 februari 2025 heeft bij de Commissie een hoorzitting plaatsgevonden. Van
    de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat bij het advies is gevoegd.
  • Het volgende advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Het inzagerecht van belanghebbende wordt geschonden

Ingevolge artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende gedurende de bezwaarprocedure recht op alle stukken, die voor de beoordeling van de zaak relevant kunnen zijn. UHT heeft gedurende deze bezwaarprocedure een bezwaardossier overgelegd, waarvan thans vaststaat dat dit niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken bevat. In een andere, parallelle procedure van belanghebbende bij het College voor de Rechten van de Mens heeft UHT meer en andere stukken overgelegd. Deze stukken zijn vervolgens door belanghebbende in de bezwaarprocedure ingediend.

De Commissie stelt vast dat UHT het inzagerecht van belanghebbende in deze
bezwaarprocedure heeft geschonden door belanghebbende niet alle op de zaak
betrekking hebbende stukken ter hand te stellen. Het inzagerecht van artikel 7:4 lid 2 Awb is essentieel voor hoor en wederhoor en de discretie van een bestuursorgaan om stukken niet te overleggen is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zeer beperkt en gespecificeerd. Zie voor de vaste lijn HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672. De Commissie vindt het belangrijk dit punt richting UHT te benadrukken, met name omdat deze handelwijze afbreuk doet aan het door de wetgever beoogde herstel van vertrouwen. Het had op de weg van UHT gelegen om de door gemachtigde ingediende stukken zelf terstond in de bezwaarprocedure in te dienen.

De Commissie zal advies uitbrengen met inachtneming van deze schending van het
inzagerecht van belanghebbende.

Compensatieberekening toeslagjaar 2012
Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen over het toeslagjaar 2012 vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld. UHT heeft belanghebbende over het toeslagjaar 2012 - januari tot en met juni - een
compensatiebedrag van € 11.757,- toegekend, hetgeen ingevolge de Catshuisregeling (thans: artikel 2.7 Wht) is aangevuld tot € 30.000,-.

Afwijzing compensatie toeslagjaren 2011, tweede helft 2012 en 2013
Volgens belanghebbende dient zij ook te worden gecompenseerd over de toeslagjaren 2011, (de tweede helft van) 2012 en 2013. De Commissie zal deze toeslagjaren achtereenvolgens behandelen.

Toeslagjaar 2011
Belanghebbende vroeg op 1 augustus 2011 kinderopvangtoeslag 2011 aan. Een uitval en extra controle door de Belastingdienst/Toeslagen volgden. Uiteindelijk werd op 5 november 2011 een voorschotbeschikking van € 5.305,- afgegeven. Op basis van een wijziging van het toetsingsinkomen en van het tarief is het voorschot later definitief vastgesteld op € 5.292,-.

Over het toeslagjaar 2011 is naar opvatting van de Commissie geen aanleiding voor compensatie. De tijdsduur van enkele maanden tussen de aanvraag van belanghebbende en de beschikking, waarbij het voorschot is toegekend, is daarvoor onvoldoende. In de beschreven controlestappen die in het informatie- en beoordelingsformulier zijn vermeld vanaf augustus 2011 tot november 2011 zijn geen aanknopingspunten zichtbaar om te veronderstellen dat daarin vooringenomenheid is gelegen. Dat geldt eveneens voor de (minimale) neerwaartse correctie. Ook daarvan kan niet worden gezegd dat deze het gevolg is geweest van vooringenomenheid of dat sprake is van hardheid in de zin van de Wht.

Toeslagjaar 2012
De kinderopvangtoeslag 2012 van belanghebbende is op 16 oktober 2015 door de
Belastingdienst/Toeslagen van € 18.008,- op nihil gesteld. Deze nihilstelling was volgens UHT vooringenomen omdat het duidelijk had moeten zijn dat belanghebbende in ieder geval over een deel van het toeslagjaar 2012 recht had op compensatie.

Vanaf 20 juni 2012 had belanghebbende echter een toeslagpartner die niet aan de
voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldeed, aldus UHT. Belanghebbende reageerde ten onrechte niet op uitvragen of haar toeslagpartner een doelgroeper was. Vanaf 1 juli 2012 was er daarom volgens UHT ''evident geen recht'' op kinderopvangtoeslag.

De Commissie volgt UHT daarin niet. Het is aan UHT om aannemelijk te maken dat over een toeslagjaar of -periode sprake was van evident geen recht. UHT heeft naar opvatting van de Commissie onvoldoende onderbouwd waarom belanghebbende over de tweede helft van het toeslagjaar 2012 evident geen recht had op kinderopvangtoeslag. De Commissie neemt daarbij het volgende in aanmerking.

Uit het dossier licht een beeld op van ingewikkelde beoordelingen van de verblijfsstatus van de toeslagpartner, die mede door rechterlijke tussenkomst werden gecorrigeerd, met aansluitend opnieuw onduidelijkheden over het voldoen aan de eisen van de toeslagpartner in relatie tot de KOT, met als gevolg een voor belanghebbende voortdurende en belastende onzekerheid door het opeenvolgen van weigeringsgronden.

De Commissie wijst op de tijdlijn waarin op 17 juni 2013 sprake is van informatie over de code van de verblijfsstatus van de toeslagpartner met als conclusie dat stopzetting van de toeslag gevolg was van een onjuiste codering. Daarna wordt op 18 juni 2013 melding gemaakt van de beoordeling van doelgroeper per 2 december 2012. Belanghebbende heeft vervolgens informatie geleverd over het volgen van een cursus bij IVIO. Daarna grondt de Belastingdienst/Toeslagen de weigering (opnieuw) in de verblijfstitel, die de toeslagpartner niet inburgeringsplichtig zou doen zijn. De informatie was dus bepaald niet eenduidig. Het dossier bevat immers ook aanwijzingen, zoals een concrete uitnodiging voor een bijeenkomst en dat de partner van belanghebbende stond ingeschreven voor een inburgeringsvoorziening als bedoeld in art. 1.6 lid 1 onderdeel g WKO (oud: 2012). De Commissie adviseert op grond van de geschetste gang van zaken
daarom het volledige toeslagjaar 2012 te compenseren.

Toeslagjaar 2013
De Belastingdienst/Toeslagen stelde op 12 februari 2013 de kinderopvangtoeslag 2013 van € 20.027,- op nihil, omdat de toeslagpartner van belanghebbende niet rechtmatig in Nederland zou verblijven. Naar later bleek, is de Belastingdienst/Toeslagen afgegaan van verkeerde gegevens van de IND.

Volgens UHT heeft de Belastingdienst/Toeslagen niet vooringenomen over het toeslagjaar 2013 gehandeld. Het afgaan van de Belastingdienst/Toeslagen op (onjuiste) gegevens van de IND is onvoldoende om vooringenomenheid aan te nemen, zo begrijpt de Commissie het standpunt van UHT.

UHT miskent daarmee echter de gang van zaken in 2013, zoals hiervoor mede geschetst. Het had voor de hand gelegen dat de Belastingdienst/Toeslagen voorafgaand aan een ingrijpende nihilstelling een uitvraag bij belanghebbende had gedaan, ook al had zij gegevens ontvangen van de IND.

Belanghebbende heeft 15 februari 2013 bezwaar gemaakt tegen de nihilstelling.
Gedurende deze bezwaarprocedure heeft belanghebbende een proces-verbaal uit 2012 overgelegd waaruit blijkt dat de voorzieningenrechter heeft bepaald dat de partner van belanghebbende vanaf dat moment rechtmatig in Nederland mocht verblijven.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft echter niets gedaan met deze informatie en beschikt in de loop van 2013 en 2014 zesmaal dat de nihilstelling in stand blijft, summier onderbouwd met de mededeling dat de partner van belanghebbende onrechtmatig in Nederland verblijft. Er vindt geen hoorzitting plaats naar aanleiding van het bezwaar en er is nooit een beslissing op bezwaar genomen.

De Commissie acht in het licht van het voorgaande, ook de nihilstelling over het
toeslagjaar 2013 en handhaving daarvan vooringenomen. Dat over het toeslagjaar 2013 ''evident geen recht'' op kinderopvangtoeslag bestond, wijst de Commissie omwille van dezelfde redenen als voor het toeslagjaar 2012 van de hand. Zij adviseert daarom om ook het toeslagjaar 2013 te compenseren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar deels gegrond acht en adviseert de primaire beschikking te herroepen, adviseert de Commissie het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.

Conclusie

De Commissie adviseert het bezwaar gegrond te verklaren en het besluit voor de
toeslagjaren 2012 en 2013 te herroepen en:

  • de (volledige) toeslagjaren 2012 en 2013 te compenseren wegens
    vooringenomenheid van de Belastingdienst/Toeslagen;
  • de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot de datum van de
    beslissing op bezwaar;
  • de rentevergoeding voor gemiste kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2012 en 2013 te berekenen tot aan de datum van de beslissing op bezwaar;
  • de aanvullende 1%-vergoeding van het subtotaal van het compensatiebedrag aan te passen;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van 2 procespunten met een wegingsfactor 2 op basis van de hoogste vergoeding per procespunt.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter