BAC 2023-13042
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 14 maart 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 2 mei 2025 om 10:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 25 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar tegen de beschikking van 14 maart 2023 met kenmerk UHT-DCHA
gedeeltelijk gegrond te verklaren en alsnog compensatie toe te kennen voor de
periodes 1 januari tot en met 18 mei 2014 en 1 september tot en met 31
december 2014 en het jaar 2015 op grond van vooringenomenheid. De
Commissie adviseert tevens een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de op 14 maart 2023 door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DCHA. Hierbij is aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2015.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 1 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Na overleg met belanghebbende zijn de jaren 2010 tot en met 2015 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij beschikking van 30 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld
dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-. - De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende op 2 maart 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
geoordeeld dat UHT zich terecht op het standpunt stelt dat de
compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, Wet hersteloperatie toeslagen
(hierna: Wht) niet van toepassing is voor de jaren 2010 tot en met 2015. - UHT heeft bij beschikking van 14 maart 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan
belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de
jaren 2010 tot en met 2015. - Gemachtigde heeft daartegen bij brief van 15 maart 2023 bezwaar ingediend.
- Bij brief van 7 september 2023 heeft gemachtigde het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 4 oktober 2024 op die bezwaren in een schriftelijke beschouwing
gereageerd. - Het bezwaar van belanghebbende is op 2 mei 2025 in een hoorzitting bij de
Commissie behandeld. Het verslag van de hoorzitting is bij het advies gevoegd. - Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 2 mei
2025 nadere stukken ingediend. - UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 3 juni 2025 een
nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 17 juni 2025
op gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van de bestreden beschikking en de
daartegen aangevoerde bezwaren, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie over de jaren 2010 tot en met 2015 af te wijzen.
Beoordeling afwijzing compensatie jaren 2010 tot en met 2012
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij in de jaren 2010 tot en met 2012 wel recht had op KOT omdat zij inkomen uit werk genoot. Daartoe verwijst belanghebbende naar de op 2 mei 2025 overgelegde stukken. UHT stelt dat, hoewel sprake was van vooringenomen handelen door B/T wegens onvoldoende uitvraag, belanghebbende evident geen recht had op KOT, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een geregistreerd inkomen had.
De Commissie overweegt als volgt. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is geweest van een vooringenomen handelwijze van B/T in de jaren 2010 tot en met 2012. Toekenning van compensatie blijft ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van de Wht achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. De Commissie volgt het standpunt van UHT dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de jaren 2010 tot en met 2012 een geregistreerd inkomen had en daarmee recht had op KOT. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om de ter zitting ingenomen stelling dat zij in voormelde jaren heeft gewerkt als gastouder met stukken te onderbouwen. Belanghebbende heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit het gestelde inkomen over die jaren kan worden
afgeleid. Hoewel uit de door belanghebbende op 2 mei 2025 overgelegde stukken
genoegzaam volgt dat belanghebbende in de genoemde periode opvang heeft afgenomen, levert dat op zichzelf geen recht op KOT op, zolang niet tevens sprake is van geregistreerd inkomen uit werk. Nu een dergelijke onderbouwing voor de jaren 2010 tot en met 2012 aan de hand van schriftelijke bescheiden of anderszins ontbreekt, is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende in de jaren 2010 tot en met 2012 recht had op KOT. De Commissie is dan ook van opvatting dat belanghebbende in dit geval evident geen recht had op KOT, waardoor sprake is geweest van een ernstige onregelmatigheid die aan belanghebbende toerekenbaar is.
De Commissie overweegt verder dat niet aannemelijk is geworden dat bij de
terugvordering van de KOT voor deze jaren sprake is geweest van hardheid van het
stelsel. Daarvoor heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden. Zoals UHT in de aanvullende schriftelijke beschouwing van 3 juni 2025 heeft toegelicht, heeft de reden voor de terugvorderingen niet te maken met het niet betalen van een deel van de kosten voor de opvang, dan wel een kleine formele tekortkoming of andere bijzondere omstandigheden. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2013
Belanghebbende voert aan dat zij ook in het jaar 2013 recht had op KOT. UHT stelt zich op het standpunt dat in dit jaar geen sprake is geweest van een vooringenomen handelwijze van B/T, aangezien belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aan te tonen. De Commissie stelt op basis van de stukken vast dat belanghebbende voorafgaand aan nihilstelling van 10 april 2015 eerst tweemaal schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om informatie rondom opvanggegevens aan te leveren om daarmee haar recht op KOT aannemelijk te maken. Op 20 oktober 2014 heeft B/T belanghebbende verzocht om informatie over opvanggegevens te verstrekken. Op 25 november 2014 heeft B/T een tweede uitvraag gedaan (respectievelijk producties 42 en
43 bezwaardossier). Omdat een reactie van belanghebbende uitbleef, heeft B/T de KOT vastgesteld op nihil. Belanghebbende heeft haar stelling dat zij op voornoemde uitvraagbrieven van B/T heeft gereageerd niet met stukken onderbouwd. De Commissie is van opvatting dat niet is gebleken van vooringenomen handelen door B/T. Dat belanghebbende achteraf alsnog opvanggegevens heeft verstrekt, maakt het vorenstaande niet anders. Ten aanzien van het jaar 2013 heeft de Commissie evenmin aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat sprake is geweest van bijzondere hardheid van het stelsel. Zoals UHT in de schriftelijke beschouwing heeft toegelicht, heeft de reden voor de terugvorderingen niet te maken met het niet betalen van een deel van de kosten voor de opvang, dan wel een kleine formele tekortkoming of andere bijzondere
omstandigheden. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatie toeslagjaar 2014
Ter zitting en in de aanvullende schriftelijke beschouwing van 3 juni 2025 heeft UHT uiteengezet dat aan belanghebbende voor de periode 1 januari tot en met 18 mei 2014 alsnog compensatie zal worden verstrekt wegens vooringenomen handelen door B/T, omdat uit de basisregistratie inkomen (BRI) volgt dat belanghebbende in die periode inkomen uit werk genoot. De Commissie adviseert UHT deze toezegging gestand te doen. Daarnaast heeft belanghebbende met de op 2 mei 2025 overgelegde stukken voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in de periode 1 september tot en met 31 december 2014 inkomen genoot voor haar werkzaamheden als gastouder via [gastouderbureau] te Rotterdam. Tevens heeft belanghebbende voldoende aannemelijk gemaakt dat zij onder meer in voormelde periode opvang heeft afgenomen bij [gastouderbureau]. Gelet op het voorgaande houdt de conclusie van UHT dat belanghebbende evident geen recht had op KOT, naar de opvatting van de Commissie, geen stand. De Commissie adviseert UHT dan ook om tevens voor de periode van 1 september tot en met 31 december 2014
compensatie aan belanghebbende te verstrekken, op grond van de reeds vastgestelde vooringenomenheid. Het bezwaar is in zoverre gedeeltelijk gegrond. De Commissie adviseert UHT om de bestreden beschikking van 14 maart 2023 met kenmerk UHT-DCHA te herroepen en aan belanghebbende de desbetreffende compensatieberekening ter hand te stellen.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2015
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij in het jaar 2015 wel recht had op KOT, omdat haar kinderen naar de opvang zijn gegaan. UHT stelt zich, onder verwijzing naar de producties 44 en 45 van het bezwaardossier, op het standpunt dat in dit jaar geen sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T omdat voldoende uitvraag zou zijn gedaan. De Commissie volgt dit standpunt van UHT niet. Voorafgaand aan de nihilstelling van 21 februari 2015 heeft B/T belanghebbende slechts eenmaal - met de brief van 17 december 2014 (productie 44 bezwaardossier) - in de gelegenheid gesteld om informatie aan te leveren om haar recht op KOT aannemelijk te maken. Met de brief van 2 februari 2015 (productie 45 bezwaardossier) is belanghebbende niet in de gelegenheid gesteld
alsnog de gevraagde informatie aan te leveren. In voormelde brief is de stopzetting van de KOT reeds aangekondigd. B/T heeft belanghebbende aldus voorafgaand aan de beschikking van 21 februari 2015 onvoldoende in de gelegenheid gesteld om haar recht op KOT aannemelijk te maken. Dit duidt op een vooringenomen handelwijze van B/T. Belanghebbende komt daarom naar opvatting van de Commissie voor jaar 2015 in aanmerking voor compensatie op grond van vooringenomen handelen, omdat zij tevens met de op 2 mei 2025 overgelegde stukken inkomsten uit arbeid alsmede opvang in het jaar 2015 heeft aangetoond. Het bezwaar treft doel.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikking adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar tegen de beschikking van 14 maart 2023 met kenmerk UHT-DCHA gedeeltelijk gegrond te verklaren; en
- op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen voor de jaren 2014 (periode 1 januari tot en met 18 mei 2014 en 1 september tot en met 31 december 2014) en 2015;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe
te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste
tarief.
Secretaris
Fungerend voorzitter