Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13004

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 februari 2023 (UHT-HD CWS)

Hoorzitting: 7 mei 2025 om 11:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 4 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 12.400. Doordat er in de compensatieberekening al een bedrag is toegekend voor materiële en immateriële schadevergoeding en er een surplus is uitbetaald aan belanghebbende op grond van de Catshuisregeling, die in mindering mogen worden gebracht op dit bedrag, ontvangt belanghebbende geen nabetaling.

Procesverloop

  • UHT heeft bij beschikking van 18 mei 2021 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 6.313, omdat er ten aanzien van de toeslagjaren 2008 en 2009 fouten zijn gemaakt. Dit bedrag is op grond van de Catshuisregeling aangevuld met € 23.687 tot € 30.000.
  • Belanghebbende heeft op 22 oktober 2021 verzocht om een aanvullende
    compensatie voor de werkelijke schade.
  • CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 augustus 2022 aan UHT toegestuurd.
  • UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij beschikking van 17 februari 2023
    met kenmerk UHT-HD CWS (bestreden beschikking) aan belanghebbende een
    aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 12.400. Doordat er in de compensatieberekening al een bedrag is toegekend voor materiële en
    immateriële schadevergoeding en er een surplus is uitbetaald aan belanghebbende op grond van de Catshuisregeling, die in mindering mogen worden gebracht op dit bedrag, ontvangt belanghebbende geen nabetaling.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 27 maart 2023 tegen deze beschikking een
    bezwaarschrift ingediend. Gemachtigde heeft bij brief van 3 oktober 2023 het
    bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 3 februari 2025 bij beschouwing schriftelijk gereageerd op het
    bezwaarschrift.
  • Op 16 april 2025 heeft gemachtigde nadere gronden ingediend.
  • Op 16 april 2025 heeft UHT een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend.
  • Op 7 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een
    verslag gemaakt, dat achter dit advies is gehecht.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 14 mei 2025 een
    nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 21 mei 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Toetsingskader
In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid - naast de (deels) forfaitaire compensatie - ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Dit verzoek kan door de gedupeerde ouder worden ingediend bij CWS. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) waarvoor de ouder
al gecompenseerd is.

UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.

In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. In het geval UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden. De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval kon baseren op het advies van CWS. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende aangegeven dat de bezwaren zich beperken tot de hierna te bespreken
aspecten.

Immateriële schade
In haar rapportage uit april 2024 ''Oog voor mens en ruimhartiger herstel'' beschrijft CWS het voornemen om een ruimere toets te hanteren. In de publicatie ''De werkwijze en het schadekader van de Commissie Werkelijke Schade'' heeft CWS haar beleid uiteengezet. Dit aangepaste beleid geldt per 3 juni 2024 en is op 1 juli 2024 gepubliceerd op de website van CWS; https://www.werkelijkeschade.nl/ons-schadekader.

CWS heeft oorspronkelijk geadviseerd om de immateriële schadevergoeding te begroten op € 11.900. In de bestreden beschikking heeft UHT een extra vergoeding van € 500 toegekend, vanwege de langere behandelduur. Met inachtneming van het hiervoor genoemde aangepaste beleid van CWS heeft UHT vervolgens een nader standpunt ingenomen. Het nieuwe schadekader en hetgeen is besproken op de hoorzitting vormt aanleiding tot ophoging van de immateriële schade. Volgens UHT dient aan belanghebbende een totaalbedrag van € 17.000 ter zake van vergoeding van immateriële schade toegekend te worden. In de beschouwing van 16 april 2025 en de aanvullende schriftelijke reactie van 14 mei 2025 heeft UHT uiteengezet hoe zij tot dit bedrag komt. Belanghebbende stelt dat onvoldoende is gemotiveerd hoe de hoogte van de immateriële schadevergoeding is vastgesteld. Zij voert aan dat de verhuizing van haar kinderen naar hun vader het directe gevolg was van de instabiliteit, stress en financiële ontwrichting die waren veroorzaakt door de terugvorderingen kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Volgens haar is deze component ten onrechte onvoldoende meegewogen bij het bepalen
van de hoogte van de schade.

CWS heeft geadviseerd om geen vergoeding toe te kennen voor de verhuizing van de kinderen naar hun vader, omdat er volgens haar geen causaal verband bestaat tussen de door belanghebbende gestelde noodgedwongen verhuizing en de toeslagenaffaire. De problemen met de KOT ontstonden voor belanghebbende in het voorjaar van 2014, terwijl het oudste kind in 2012 al bij zijn vader is gaan wonen. Belanghebbende verklaarde bovendien dat er na de scheiding in 2004 al financiële problemen waren en er spanningen en stress in de gezinssfeer aanwezig waren. Het jongste kind is in de zomer van 2015 bij zijn vader gaan wonen. CWS erkent dat het kind weliswaar gevolgen van de KOT-problematiek heeft ondervonden, maar meent dat het niet aannemelijk is dat zonder de KOT-problematiek het kind niet bij de vader zou zijn gaan wonen. Belanghebbende heeft er immers mee ingestemd omdat de vader financieel in een betere
positie verkeerde. Omdat belanghebbende ook al eerder verklaarde dat het in financiële zin lastig was het gezin draaiende te houden, en ze ook andere toeslagen dan de KOT heeft moeten terugbetalen, is de verhuizing volgens het advies van CWS niet toe te schrijven aan de KOT-problematiek.

UHT heeft naar aanleiding van de toelichting door belanghebbende op de hoorzitting in positieve zin afgeweken van het advies van CWS. Voor het door belanghebbende ervaren leed, doordat zij haar kinderen minder heeft kunnen bieden dan zij graag had gewild, verhoogt UHT de vergoeding voor immateriële schade met € 1.250, dus van € 750 naar € 2.000.

De Commissie is van oordeel dat uit de geschetste situatie en de beschikbare stukken onvoldoende aanwijzingen volgen die erop duiden dat de verhuizing van de kinderen naar de vader noodzakelijk was vanwege problemen met de KOT. Gezien de omstandigheden en het feit dat het oudste kind al voordat belanghebbende werd geconfronteerd met de eerste onterechte verlaging van de KOT en belanghebbende daar destijds mee heeft ingestemd, lijkt dit een eigen keuze te zijn geweest die zonder KOT-problematiek mogelijk ook zou hebben plaatsgevonden. Hoewel de Commissie begrip heeft voor de moeilijke situatie waarin belanghebbende verkeerde, acht zij het advies van CWS en het daarop gebaseerde besluit van UHT begrijpelijk en navolgbaar. Wel ziet UHT naar
aanleiding van de toelichting op de hoorzitting voldoende aanleiding om de compensatie voor de impact die dit heeft gehad te verhogen. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren. In zoverre is het bezwaar dus gegrond.

Reis- en verletkosten
Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting toegelicht dat zij reis- en verletkosten heeft gemaakt en heeft hiervoor een vergoeding verzocht. Zij heeft op de hoorzitting toegelicht dat zij meerdere malen naar het kantoor van haar gemachtigde en naar CWS heeft moeten reizen. Daarnaast verklaarde zij dat ze veel tijd kwijt is geweest aan regelzaken in verband met de KOT-problemen en vrij moest nemen van haar werk. Volgens gemachtigde is het redelijk om uit te gaan van een vergoeding van overige verletkosten van eenmaal per maand vanaf de eerste terugvordering in 2014, tegen een dagdeeltarief van € 75, conform het schadekader van CWS. CWS heeft overwogen dat deze posten door belanghebbende niet nader zijn onderbouwd, en daarom niet beoordeeld kunnen worden.

UHT heeft op basis van het gewijzigde schadekader ambtshalve een aanvullende
vergoeding voor regelzaken toegekend van € 300 per huishouden per gedupeerd
toeslagjaar en een forfaitaire vergoeding voor de tot nog toe gevoerde procedures van € 200. Deze aanvullende vergoeding komt neer op een bedrag van € 600 + €400 = € 1.000 en wordt eventueel verrekend met de eerder vastgestelde definitieve compensatie en het ontvangen surplus op basis van de Catshuisregeling.

Ook heeft UHT een vaste vergoeding van € 500 (inclusief wettelijke rente) toegekend voor de tijd en kosten die belanghebbende kwijt is geweest aan de procedure bij CWS. Deze vergoeding wordt niet verrekend. In totaal kent UHT voor dit onderdeel aldus een vergoeding toe van € 1.500.

De Commissie ziet in hetgeen belanghebbende heeft ingebracht onvoldoende concrete aanknopingspunten dat de reis- en verletkosten van belanghebbende het bedrag van € 1.500 overstijgen. Deze bezwaargrond slaagt dus niet.

Conclusie
De Commissie meent dat UHT zich in het bestreden besluit heeft kunnen baseren op het advies van CWS. De Commissie kan zich eveneens vinden in de aanvulling hierop in de beschouwing van 16 april 2025 en de reactie van 14 mei 2025 en zal UHT adviseren dienovereenkomstig te beslissen in de beschikking op bezwaar. Omdat een extra aanvullende schadevergoeding is toegekend en dit leidt tot herroeping van het bestreden besluit, zal de Commissie UHT adviseren om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Hoewel het bestreden besluit naar de mening van de Commissie moet worden herroepen, is dit naar de Commissie meent het gevolg van de wijziging van het beleid van CWS. Bovendien blijft de vergoeding die belanghebbende ontvangt beneden het bedrag van € 30.000. Gelet daarop is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om conform de aanvullende beschouwing en de nadere reactie van UHT van 14 mei 2025 in de beschikking op bezwaar een extra bedrag aan belanghebbende toe te kennen.

Secretaris

Fungerend voorzitter