BAC 2023-11589
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 13-12-2022 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: In deze zaak heeft geen hoorzitting plaatsgevonden
Overdracht advies aan UHT: 14 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 18 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008, 2009 en 2010.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende op 2 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
vastgesteld dat op naam van belanghebbende nooit KOT is aangevraagd, noch dat KOT is toegekend en/of is teruggevorderd. Daarbij heeft de CvW geen
aanwijzingen gevonden dat de gegevens van Belastingdienst/Toeslagen onjuist of onvolledig zijn, en heeft zij geconcludeerd dat er op basis van de aanwezig
stukken geen aanleiding is om belanghebbende een compensatie toe te kennen op basis van de Wht. - UHT heeft bij de bestreden beschikking (de uitkomst van de integrale beoordeling) aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2008, 2009 en 2010.
- Gemachtigde heeft bij brief van 19 januari 2023, ingekomen op 25 januari 2023,
tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. - Gemachtigde heeft bij brief van 1 juni 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 28 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Bij brief van 14 juni 2025 heeft de voorzitter van de Commissie aan
belanghebbende bericht dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken lijkt te volgen dat nooit kinderopvangtoeslag is aangevraagd en dat ook nooit kinderopvangtoeslag is toegekend, teruggevorderd of verrekend. - Bij diezelfde brief heeft de voorzitter van de Commissie aan belanghebbende
bericht dat de Commissie vooralsnog vindt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat zij het plan heeft om gebruik te maken van haar bevoegdheid te adviseren zonder belanghebbende te horen. Voor het geval belanghebbende het daarmee oneens zou zijn, is die bij diezelfde brief in de gelegenheid gesteld om
gemotiveerd te laten weten waarom een hoorzitting wel aan de orde zou zijn. - Belanghebbende heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd.
- Dit advies wordt zonder belanghebbende uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet ter discussie staat dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Vaststaande feiten (voor zover relevant)
- Op naam van belanghebbende is nooit KOT aangevraagd, noch is er KOT aan belanghebbende toegekend, terwijl bij belanghebbende ook nooit KOT is teruggevorderd of verrekend met andere toeslagen.
- Aan belanghebbende zijn de op deze zaak betrekking hebbende stukken verstrekt. Daarin zijn geen aanwijzingen te vinden voor de veronderstelling dat
belanghebbende KOT heeft aangevraagd.
Overwegingen die tot dit advies hebben geleid
De Commissie moet advies uitbrengen over de vraag of UHT terecht en op goede
gronden het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming heeft afgewezen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
De Commissie stelt vast dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door
UHT genomen besluit.
Toets artikel 2.1. lid 1 Wht
Op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht kan aan een aanvrager van
kinderopvangtoeslag compensatie worden toegekend als die aanvrager schade heeft geleden doordat de Belastingdienst/Toeslagen institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of als de hardheid van de toepassing van de wetten en regels heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard.
De Commissie constateert dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken,
waaronder de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen, niet blijkt dat belanghebbende kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd bij de Belastingdienst/Toeslagen. Er zijn geen aanvragen gevonden, geen relevante
(telefoon)notities of andere documenten die betrekking hebben op de
kinderopvangtoeslag. Belanghebbende heeft daar onvoldoende tegenovergesteld. De Commissie wijst in dit kader op de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 25 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9426. Uit die uitspraak volgt dat de ''bewijslast'' voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. De enkele stelling dat KOT is aangevraagd is onvoldoende; belanghebbende moet aannemelijk maken dat kinderopvangtoeslag is aangevraagd.
Aannemelijk maken betekent dat belanghebbende aan de hand van verklaringen en stukken duidelijk moet maken dat zijn of haar stellingen juist zijn. Dit betekent niet dat van belanghebbende wordt gevergd alle ingenomen stellingen te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat de stellingen van belanghebbende worden ondersteund door of passen bij de overige beschikbare informatie. De Commissie stelt vast dat belanghebbende daarvoor onvoldoende heeft aangevoerd en daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat er aanvragen voor kinderopvangtoeslag zijn gedaan. Verder volgt uit de op de zaak betrekking hebbende stukken niet dat aan belanghebbende ooit kinderopvangtoeslag is toekend of dat kinderopvangtoeslag van belanghebbende is teruggevorderd of is verrekend met andere toeslagen. Belanghebbende heeft daarom evident geen recht op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in de Wht. Het bezwaarschrift kan er dus niet toe leiden dat belanghebbende alsnog in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht.
Bezwaar kennelijk ongegrond (en daarom is belanghebbende niet gehoord)
De Commissie heeft belanghebbende in kennis gesteld van haar voorlopige conclusie en haar voornemen UHT te adviseren het bezwaarschrift kennelijk ongegrond te verklaren, zonder belanghebbende vooraf te horen. Op grond van artikel 3 lid 2 sub b van de Instellingsregeling van de Commissie en artikel 7:13 lid 4 Awb in samenhang met artikel 7:3 Awb, mag de Commissie afzien van horen als een bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. Belanghebbende is nog in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken gemotiveerd aan te geven waarom wel gehoord zou moeten worden. Daarbij is ook meegedeeld dat de Commissie advies uitbrengt zonder belanghebbende te horen als deze niet (of niet tijdig) reageert of als een reactie geen nieuwe gezichtspunten oplevert. Belanghebbende heeft niet (tijdig) gereageerd.
De Commissie voegt aan deze uitkomst, de kennelijke ongegrondverklaring van het bezwaar, nog het volgende toe. Uit het dossier is haar gebleken dat de man van
belanghebbende op 25 augustus 2021 is overleden. Uit de door UHT gedane naslag op diens Burgerservicenummer blijkt niet dat er ooit op dat nummer KOT is aangevraagd. Voor belanghebbende ligt mogelijk de route naar toepassing van de hardheidsclausule ex artikel 9.1 Wht maar daarvoor heeft de Commissie geen aanknopingspunten in het bezwaar gevonden.
Conclusie
De Commissie adviseert UHT het bezwaar (kennelijk) ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter