BAC 2023-11584
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 9 december 2022 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 3 februari 2025 om 10:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 1 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking op
onderdelen te herroepen, de compensatie opnieuw te berekenen met
inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende
bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking
herbeoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 20.193 voor het toeslagjaar 2012 en een tegemoetkoming voor opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend voor een bedrag van € 2.581 voor de toeslagjaren 2010 en 2011. Voor het toeslagjaar 2013 is geen compensatie toegekend.
Op 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) in werking
getreden. Gelet op de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de
kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg tussen de persoonlijk
zaakbehandelaar en belanghebbende is een herbeoordeling uitgevoerd over de
toeslagjaren 2010 tot en met 2013. - UHT heeft bij beschikking van 3 juni 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan
belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van
€ 30.000. - De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 13 september 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Zij heeft daarover een negatief advies uitgebracht.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 9 december 2022 met kenmerk UHTDCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van
€ 20.193 voor het toeslagjaar 2012 en geen compensatie toegekend voor de
toeslagjaren 2010, 2011 en 2013. - UHT heeft bij beschikking van 12 december 2022 met kenmerk UHT-O OGS B een tegemoetkoming voor O/GS toegekend voor een bedrag van € 2.581 voor de
toeslagjaren 2010 en 2011. - Gemachtigde heeft bij brief van 24 januari 2023, ingekomen op 26 januari 2023,
tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH een bezwaarschrift ingediend. - Gemachtigde heeft bij brief van 29 september 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 26 augustus 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 3 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is
een verslag gemaakt, dat aan dit advies is gehecht. - Gemachtigde heeft op 3 februari 2025 aanvullende stukken ingediend.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 6 februari 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
- Gemachtigde heeft op 18 februari 2025 op de nadere schriftelijke reactie van UHT gereageerd.
- UHT heeft op 20 februari 2025 schriftelijk gereageerd op deze laatste reactie van
gemachtigde. - De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft het bezwaar behandeld en dit advies uitgebracht.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden beschikking
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie over het toeslagjaar 2012 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie over de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013 af te wijzen.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken
waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt niet tot het herroepen daarvan.
Compleetheid dossier
Belanghebbende stelt dat het bezwaardossier onvolledig is. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. Het schriftelijke verweer van UHT en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 9 december 2024 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het volledige
(persoonlijke) dossier moet worden afgewacht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. Overigens is het wel zo, dat als uit latere stukken blijkt van nieuwe feiten op grond waarvan de bestreden beschikking in het voordeel van belanghebbende moet worden bijgesteld, het aangewezen is dat UHT dat ook doet en ook deze stukken ter kennis van belanghebbende brengt.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende stelt dat zij over het toeslagjaar 2010 vooringenomen is behandeld door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T), omdat de KOT onterecht te laag is vastgesteld. B/T ging ervan uit dat belanghebbende een bijdrage ontving van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, maar dit was niet het geval. UHT stelt dat het onduidelijk is wat de reden was voor de verlaging van de KOT. UHT heeft toegezegd alsnog compensatie toe te kennen voor dit toeslagjaar. Zij stelt dat belanghebbende in dit jaar vooringenomen is behandeld door B/T, omdat aan haar geen uitvraagbrieven zijn verstuurd. Zij is hierdoor onvoldoende in de gelegenheid gesteld om haar recht op KOT aan te kunnen tonen.
UHT kent compensatie toe voor de maanden april tot en met augustus, oktober en
november 2010. Uit de overgelegde jaaropgave volgt dat belanghebbende in de
maanden april tot en met augustus 2010 kinderopvang heeft afgenomen.
Belanghebbende stelt dat zij ook in de maanden september tot en met december 2010 kinderopvang heeft afgenomen, omdat zij toen een opleiding volgde. Belanghebbende heeft een aanmaning van de kinderopvanginstelling overgelegd die is gevolgd op een factuur voor de maanden oktober en november 2010. Op grond van deze aanmaning acht de Commissie het voldoende aannemelijk dat belanghebbende ook in de periode van september tot en met december 2010 bij deze kinderopvanginstelling kinderopvang heeft afgenomen. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en aan belanghebbende compensatie toe te kennen voor de maanden april tot en met december 2010.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende stelt dat B/T ook in het toeslagjaar 2011 vooringenomen heeft
gehandeld. UHT stelt dat belanghebbende de KOT op 13 oktober 2011 telefonisch heeft stopgezet per 1 januari 2011. UHT stelt dat zij geen aanwijzingen heeft gevonden waaruit volgt dat belanghebbende in het toeslagjaar 2011 kinderopvang heeft afgenomen. Belanghebbende stelt dat zij de KOT niet heeft stopgezet en dat zij in dit jaar wel degelijk kinderopvang heeft afgenomen en recht had op KOT.
De Commissie heeft voldoende aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat bij de terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2011 sprake is geweest van individuele vooringenomenheid. De Commissie acht het aannemelijk dat belanghebbende in dit jaarkinderopvang heeft afgenomen, omdat zij een opleiding volgde. Uit de tijdlijn in het informatie- en beoordelingsformulier volgt dat gedurende het jaar kinderopvanggegevens zijn doorgegeven met betrekking tot de kinderopvanginstelling waar belanghebbende stelt kinderopvang te hebben afgenomen. Belanghebbende stelt de KOT op 14 oktober 2011 niet te hebben stopgezet per 1 januari 2011. De Commissie gaat uit van de juistheid van deze stelling die zij geloofwaardig vindt. De Commissie meent dat de melding van de stopzetting van belanghebbende in het licht van de kinderopvanggegevens waaruit volgde dat belanghebbende kinderopvang afnam, voor B/T aanleiding had moeten zijn om een uitvraag bij belanghebbende te doen. Mede gegeven de overduidelijke financiële consequenties voor belanghebbende, had B/T actie
in haar richting moeten ondernemen. Bij het oordeel van de Commissie speelt verder nog mee dat de gegevens waar UHT zich op baseert niet geheel betrouwbaar zijn. Dat in de systemen geen gegevens van de betreffende kinderopvanginstelling kunnen worden teruggevonden, houdt niet onomstotelijk in dat geen kinderopvang is afgenomen. In het toeslagjaar 2010 zijn immers ook geen gegevens van deze kinderopvanginstelling beschikbaar, terwijl uit de overgelegde aanmaning volgt dat wel kinderopvang bij deze kinderopvanginstelling is afgenomen. Een en ander leidt de Commissie tot de conclusie dat B/T individueel vooringenomen heeft gehandeld jegens belanghebbende en dat belanghebbende daarvoor dient te worden gecompenseerd. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2011.
Toeslagjaar 2013
Belanghebbende stelt dat zij in de maanden januari en februari 2013 kinderopvang heeft afgenomen en recht had op KOT.
UHT stelt dat bij gebrek aan gegevens in de KOI-viewer en jaaropgaven of facturen het onvoldoende aannemelijk is dat belanghebbende kinderopvang heeft afgenomen. Daarnaast heeft B/T destijds een antwoordformulier ontvangen waarin is vermeld dat belanghebbende geen kinderopvang heeft afgenomen in het toeslagjaar 2013.
De Commissie overweegt hierover als volgt. Belanghebbende volgde een opleiding tot maart 2013. Zij heeft een brief overgelegd waaruit volgt dat zij bijzondere bijstand heeft aangevraagd voor de eigen bijdrage van de kinderopvang op 24 januari 2013. De Commissie acht het daarom aannemelijk dat belanghebbende kinderopvang heeft afgenomen in januari en februari 2013 en dat belanghebbende over deze maanden recht had op KOT. B/T heeft de KOT op nihil gesteld nadat zij een antwoordformulier had ontvangen waarin staat dat belanghebbende geen kinderopvang heeft afgenomen in 2013. Belanghebbende heeft aangevoerd dat haar administratie werd waargenomen door een ambulant begeleider en dat zij het antwoordformulier niet zelf heeft ingevuld. De Commissie is van oordeel dat de omstandigheden in dit specifieke geval, gelet op het doel en de strekking van de hersteloperatie, voor belanghebbende leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het vasthouden aan de omstandigheid dat B/T zich mocht baseren op het opgestuurde antwoordformulier, terwijl niet vaststaat dat dit de
werkelijke opgave van belanghebbende zelf weergeeft, doet gelet op hetgeen
belanghebbende heeft aangevoerd naar het oordeel van de Commissie geen recht aan een voor belanghebbende juist en volwaardig herstel van de problemen waarin zij bij de toeslagen is komen te verkeren. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en compensatie toe te kennen voor de maanden januari en februari van het toeslagjaar 2013.
Rentevergoeding over gemiste KOT toeslagjaar 2012
UHT heeft ambtshalve de compensatieberekening nagerekend en geconstateerd dat de rentevergoeding over de gemiste KOT over het toeslagjaar 2012 onjuist is berekend. De Commissie acht het bezwaar op dit punt gegrond en adviseert UHT de rentevergoeding voor het toeslagjaar 2015 aan te passen van € 6.417 naar €6.773.
Aangezien het bezwaar gedeeltelijk gegrond is, dient de periode waarover de immateriële schade wordt berekend door te lopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar. De aanpassing van de diverse componenten heeft ook gevolgen voor de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal.
Proceskostenvergoeding
Nu de bestreden beschikking naar het oordeel van de Commissie dient te worden
herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en:
- alsnog compensatie toe te kennen voor de maanden september en december
2010, het toeslagjaar 2011 en de maanden januari en februari 2013; - in de compensatieberekening de rentevergoeding over gemiste KOT voor het
toeslagjaar 2012 te verhogen tot € 6.773; - de vergoeding voor de immateriële schade opnieuw te berekenen en uit te gaan
van de einddatum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen; - de aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) aan te passen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe
te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste
tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter