Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12999

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 22 februari 2023 kenmerk UHT-HD CWS

Hoorzitting: 20 maart 2024 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 31 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) van 22 februari 2023. In deze beschikking wordt aan belanghebbende een aanvullende schadevergoeding toegekend ter grootte van € 11.110,-.

Procesverloop

  • UHT heeft bij definitieve compensatiebeschikking van 23 augustus 2021 met
    kenmerk UHT-DC I een compensatiebedrag van € 56.361 aan belanghebbende
    toegekend over de toeslagjaren 2015 tot en met 2019.
  • Op 14 augustus 2021 heeft belanghebbende een verzoek bij CWS ingediend om in aanmerking te komen voor een aanvullende schadevergoeding.
  • De CWS heeft op 18 november 2022 advies uitgebracht aan UHT om een
    aanvullende schadevergoeding van € 11.110,- toe te kennen.
  • UHT heeft bij beschikking van 22 februari 2023 met kenmerk UHT-HD CWS het
    advies van CWS overgenomen en aan belanghebbende een aanvullende
    compensatie voor werkelijke schade toegekend van € 11.110,-.
  • Gemachtigde heeft op 4 april 2023 pro-forma bezwaar gemaakt tegen de
    beschikking van 22 februari 2023.
  • UHT heeft op 10 augustus 2023 schriftelijk gereageerd.
  • Op 17 maart 2024 heeft gemachtigde het aanvullende bezwaarschrift naar de
    Commissie gestuurd.
  • Op 20 maart 2024 heeft gemachtigde voorafgaand aan de hoorzitting, per e mail, aanvullende stukken ingebracht.
  • Op 20 maart 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. Tijdens de hoorzitting is afgesproken dat belanghebbende in de gelegenheid werd gesteld om medische stukken in te dienen bij de Commissie, waarna UHT de gelegenheid krijgt om te reageren op de medische stukken en het aanvullende bezwaarschrift.
  • Op 26 maart 2024 heeft gemachtigde per e mail medische stukken ingebracht.
  • De Commissie heeft UHT in de gelegenheid gesteld daarop en op de aanvullende
    bezwaargronden te reageren. UHT heeft vervolgens aan CWS gevraagd om dit te
    beoordelen. CWS heeft vervolgens een medisch advies aangevraagd. Dit is
    uitgebracht op 21 augustus 2024. Aan de hand van het medisch advies en op
    grond van de aanvullende gronden alsmede het per 1 juli 2024 aangepaste
    beleidskader van CWS, heeft CWS op 11 december 2024 een nader advies
    uitgebracht. Hierin adviseert CWS om een aanvullende schadevergoeding van €3.500,- toe te kennen en een vergoeding van €500,- voor het voeren van de
    procedure bij CWS.
  • Gemachtigde heeft op 8 februari 2025 inhoudelijk gereageerd op het CWS advies van 11 december 2024.
  • Op 18 maart 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing en aanvullende
    stukken ingebracht.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commisielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Toetsingskader aanvullende schadevergoeding na advies CWS
De Commissie stelt ten aanzien van de door haar te verrichten toetsing van het
bestreden besluit van UHT het volgende voorop.

In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid - naast de (deels) forfaitaire compensatie - ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Dit verzoek kan door de gedupeerde ouder worden ingediend bij CWS.

Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit
verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023,
ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder moet daarbij informatie verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen waarvoor de ouder al gecompenseerd is.

Omdat CWS is ingesteld om gedupeerde ouders de gang naar de rechter te besparen, dient de adviesprocedure tegemoet te komen aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM.

Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende
compensatie, wordt het advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.

In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden.

De Commissie zal aan de hand van het voorgaande de bestreden beschikking
beoordelen. Er zijn vele standpunten gewisseld. In het onderstaande zal de Commissie ingaan op de punten waarover belanghebbende en UHT van mening verschillen.

Vervangende opvangkosten
Belanghebbende heeft in haar verzoek van 14 augustus 2021 om een vergoeding voor vervangende opvangkosten gevraagd voor een totaalbedrag van € 31.000,-. Zij heeft dat als volgt toegelicht. Ze bracht haar twee oudste kinderen in de jaren 2015 tot en met 2018 naar familie, kennissen en vrienden voor opvang. In 2016 en 2017 ging het om 3 á 4 dagen per week en in 2018 om 2 á 3 dagen per week. Vanaf 2019 werkte zij niet meer, zodat zij de verzorging van haar kinderen weer op zich kon nemen. Onderliggende stukken van de vervangende opvangkosten heeft zij niet, maar zij verzoekt om een fatsoenlijke vergoeding voor de mensen die haar destijds hebben geholpen met de opvang van haar kinderen.

CWS geeft in haar advies van 18 november 2022 te kennen dat belanghebbende over 2015 en een deel van 2016 KOT heeft ontvangen. De problemen met de KOT begonnen pas in het voorjaar van 2016. Het is voorstelbaar dat belanghebbende in de loop van 2016 financieel klem kwam te zitten en zich daardoor genoodzaakt voelde om meer en op onregelmatige tijden te werken. Deze situatie duurde voort in 2016, 2017 en 2018, waardoor het voorstelbaar is dat het nodig was om voor de opvang van de kinderen haar familie en vrienden in te schakelen. Belanghebbende heeft niet betaald voor de opvang en geen concrete afspraken gemaakt over de opvang, maar zij voelt een dringende morele verplichting om alsnog een redelijke vergoeding te betalen. CWS adviseert echter om geen vergoeding voor vervangende opvang toe te kennen, omdat belanghebbende voor die schade al is gecompenseerd: met de definitieve compensatiebeschikking is namelijk al een compensatie toegekend voor de ten onrechte teruggevorderde KOT over
2016, 2017 en 2018.

In bezwaar voert belanghebbende aan dat CWS niet betwist dat de vervangende
opvangkosten aannemelijk zijn gemaakt. Zij heeft inmiddels van de ontvangen
compensatie een bedrag van € 8.500,- aan haar netwerk betaald dat de vervangende opvang op zich heeft genomen. Toen belanghebbende de vergoeding van de integrale beoordeling ontving, heeft zij deze kosten betaald. Verder heeft de secretaris van CWS gezegd dat deze post voldoende was toegelicht. Dat wekt de verwachting dat deze kosten worden vergoed.

CWS komt in haar nadere advies van 11 december 2024 niet terug op haar eerdere
advies. Belanghebbende is met de geboden compensatie voor de jaren 2016 tot en met 2018 al gecompenseerd. De kinderen van belanghebbende woonden bovendien in 2018 bij hun oma zodat er geen sprake is van vervangende opvang. Over 2015 heeft belanghebbende KOT toegekend gekregen zodat er geen noodzaak is voor vervangende opvang, aldus CWS.

Gemachtigde gaat in de aanvullende reactie van 7 februari 2025 niet (meer) inhoudelijk in op het advies van CWS van 11 december 2024.

In de beschouwing van 18 maart 2025 volgt UHT het (nadere) advies van CWS.

De Commissie is van oordeel dat het (nadere) advies van CWS voldoende gemotiveerd en navolgbaar is. Verder overweegt de Commissie dat een mededeling van de secretaris van CWS dat de toelichting van belanghebbende voldoende was, redelijkerwijs niet het vertrouwen kan wekken dat CWS daarmee zich op het standpunt heeft gesteld dat de schade in kwestie voor vergoeding in aanmerking komt. De Commissie volgt belanghebbende op dit punt dus niet in haar bezwaar.

Reiskosten
Belanghebbende heeft in haar verzoek om een vergoeding van €2.850,- voor extra
reiskosten gevraagd. Deze kosten betreffen reizen naar de vervangende oppas (oma) over de jaren 2015 tot en met 2017. Belanghebbende heeft bij haar verzoek geen onderbouwende stukken gevoegd.

In haar advies van 18 november 2022 geeft CWS te kennen dat het aannemelijk is dat belanghebbende in 2016 en 2017 extra reiskosten heeft moeten maken door de KOT-problematiek. Niet duidelijk is echter wie de kinderen opving en wat de normale reiskosten zouden zijn geweest. Bovendien moest belanghebbende pas in het voorjaar van 2016 gaan terugbetalen aan de Belastingdienst/Toeslagen, dus het is niet aannemelijk dat zij over geheel 2016 opvang nodig had. Het is verder de vraag of de vervangende opvang in de eerste helft van 2017 verband hield met de kinderopvang problemen. CWS gaat er schattenderwijs van uit dat de vervangende opvang vanaf halverwege 2016 tot halverwege 2017 (52 weken) voor de helft van de tijd bij oma plaatsvond, waarvoor dagelijks een extra reisafstand van 7,5 kilometer moest worden afgelegd. De extra vergoeding wordt als volgt berekend: 26 weken x 5 dagen x 7,5 kilometer x € 0,30 = € 292,50. De andere helft van de opvang vond plaats door andere personen, waarvoor geen extra reiskosten zijn gemaakt.

In bezwaar voert gemachtigde aan dat de hoogte van de vergoeding niet in verhouding staat tot de werkelijke schade. De periode waarover de vergoeding is berekend, is onjuist en moet worden vastgesteld over de jaren 2016 tot en met 2018. De reisafstand tussen belanghebbende en oma is substantieel groter. De reisafstand naar andere oppassers varieerde sterk, waardoor zij meer kilometers heeft gereden. Dat de vervangende opvang slechts voor de helft zou hebben plaatsgevonden bij oma, waardoor voor de andere helft van de tijd geen extra reiskosten zijn gemaakt, blijkt nergens uit.

CWS geeft in haar nadere advies van 11 december 2024 te kennen dat reiskosten voor vervangende opvang in principe niet in aanmerking komen voor vergoeding, tenzij de afstand aanzienlijk groter is. De extra reiskosten tussen oma en het werk van belanghebbende komen in principe niet in aanmerking voor vergoeding. In 2018 woonden de kinderen bij hun oma, zodat belanghebbende in dat jaar geen extra reiskosten heeft moeten maken. Bij gebrek aan aanknopingspunten voor een andere berekening, vindt CWS de hoogte van de vergoeding over de jaren 2016 en 2017 nog steeds juist berekend op € 292,50.

In de aanvullende reactie van 7 februari 2025 gaat de gemachtigde niet meer inhoudelijk in op het advies van de CWS van 11 december 2024.

In de beschouwing van 18 maart 2025 volgt UHT het (nadere) advies van CWS.

De Commissie is van oordeel dat het (nadere) advies van CWS voldoende gemotiveerd en navolgbaar is. De Commissie volgt belanghebbende dus niet in haar bezwaargrond.

Verlet en reiskosten voor regelzaken
Op grond van het gewijzigde schadekader van CWS kent UHT in de beschouwing van 18 maart 2025 hiervoor alsnog een vergoeding van €1.700,- toe. Het bezwaar is dus op dit onderdeel gegrond. De Commissie adviseert UHT dit aan te passen in haar beslissing op bezwaar.

Medische kosten
Bestuursrechtelijke premie
Belanghebbende verzoekt om vergoeding van de bestuursrechtelijke premie. Zij vraagt om € 40,- per maand over 4 jaar, wat neerkomt op een totaalbedrag van €1.920,-. De bestuursrechtelijke premie bestaat uit een standaardpremie en een boete en wordt geheven als de zorgverzekeringspremie niet of niet tijdig wordt betaald. Vanaf 2016 werd belanghebbende geconfronteerd met de invordering van de KOT, terwijl zij een bescheiden inkomen had.

In haar advies van 18 november 2022 acht het CWS het aannemelijk dat
belanghebbende haar zorgverzekeringpremie niet op tijd kon betalen en daardoor
bestuursrechtelijke premies moest betalen. Dit geldt voor de jaren 2017 tot en met De invordering van de KOT begon in 2016, waardoor de betalingsproblemen na
verloop van tijd een rol gingen spelen en belanghebbende als wanbetaler werd
aangemerkt bij het CAK. Voor het vaststellen van de schade gaat CWS uit van het
verschil tussen de bestuursrechtelijke premie en de standaardpremie. Omdat niet
duidelijk is of de belanghebbende de bestuursrechtelijke premies heeft voldaan, wordt uitgegaan van 50%. Rekening houdend met de periode 2017 tot en met 2020 bedraagt de schade €150,-.

In bezwaar voert belanghebbende aan dat de bestuursrechtelijke premie vanaf 2016 berekend moet worden. Uit de brief van Zilveren Kruis van 24 november 2021 blijkt dat zij is afgemeld bij het CAK vanaf december 2021 en zij weer zelf haar premie aan het Zilveren Kruis betaalt.

In haar advies van 11 december 2024 benadrukt CWS dat het beginpunt voor het
berekenen van de bestuursrechtelijke premie terecht is vastgesteld op 2017, omdat het enige tijd moet hebben geduurd voordat belanghebbende als wanbetaler van de zorgpremie werd aangemerkt. Uit de overgelegde stukken blijkt wel dat de einddatum december 2021 is, omdat belanghebbende pas op 21 december 2021 bij het CAK werd afgemeld en zich weer kon verzekeren. De schade wegens de bestuursrechtelijke premies moet daarom berekend worden over de jaren 2017 tot en met 2021 en bedraagt €186,-.

Eigen risico
Belanghebbende verzoekt verder om vergoeding van de kosten van het Eigen Risico voor de zorgverzekering. Door de KOT-problemen heeft zij rustgevende en slaap bevorderende medicatie moeten aanschaffen. Zij schat het Eigen Risico op een totaalbedrag van €3.200,-. Belanghebbende heeft dit bedrag niet onderbouwd met documenten, behalve voor het jaar 2018 (specificatie zorgverzekeraar).

In haar advies van 18 november 2022 vindt CWS het aannemelijk dat belanghebbende door de problemen met de KOT over de jaren 2016 tot en met 2018 stress kreeg en daarom rustgevende - en slaap bevorderende medicijnen nodig had. CWS begroot de schade voor het Eigen Risico over 2016 en 2017 op €385,- per jaar en over 2018 op €370,-. Het totaalbedrag komt daarmee uit op €1.140,-.

In bezwaar voert gemachtigde aan dat belanghebbende ook na 2018 vanwege de stress de medicatie is blijven gebruiken en daarom nog langer het volledige bedrag aan Eigen Risico moest betalen.

In het advies van 11 december 2024 adviseert CWS alsnog om ook het Eigen Risico over de jaren 2019 tot en met 2026 mee te nemen in de schadeberekening. Uitgaande van €385,- per jaar, komt het bedrag voor deze periode op € 3.080,-. Over de jaren 2016 tot en met 2026 bedraagt de schade ten gevolge van het moeten betalen van Eigen Risico dan € 4.220,-.

Bestuursrechtelijke premie en Eigen Risico tezamen
De totale schade van de bestuursrechtelijke premie en Eigen Risico komt daarmee
volgens CWS uit op €4.406,- (€186,- + €4.220,-).

Gemachtigde heeft in haar aanvullende reactie van 7 februari 2025 met betrekking tot de bestuursrechtelijke premie en het Eigen Risico na het nadere advies geen inhoudelijke bezwaren meer naar voren gebracht.

In de beschouwing van 18 maart 2025 volgt UHT het nadere advies van CWS.

De Commissie constateert dat het nadere advies van CWS van 11 december 2024, dat UHT overneemt, aan de bezwaren van belanghebbende tegemoetkomt, in die zin dat het totaalbedrag het verzochte totaalbedrag overtreft. Het nadere advies is voldoende gemotiveerd en navolgbaar. Het bezwaar is op dit onderdeel is gegrond.

Inkomensschade van belanghebbende
Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van de inkomensschade ter grootte van €113.870,-. Het gaat daarbij om de volgende schadeposten:

  1. Het mislopen van een aanvullende bijstandsuitkering.
  2. Het mislopen van inkomsten door ziekte (burn out).
  3. Inkomensschade als gevolg van studieonderbreking.

1. Het mislopen van een aanvullende bijstandsuitkering

Belanghebbende geeft te kennen dat zij op 24 juni 2016 aan de voorwaarden voor een aanvullende bijstandsuitkering voldeed. Deze uitkering werd haar geweigerd omdat de gemeente Amsterdam haar bestempelde als fraudeur. Deze afwijzingsgrond staat niet in de beschikking, maar het is haar wel mondeling meegedeeld.

CWS schrijft in haar advies van 18 november 2022 dat het niet aannemelijk is dat de gemeente belanghebbende een aanvullende bijstandsuitkering weigerde vanwege problemen met de KOT. Belanghebbende stond in 2014 al op de FSV-lijst, ruim voordat de problemen met de KOT speelden. CWS adviseert deze schade niet te vergoeden.

In bezwaar voert gemachtigde aan dat er wel degelijk een relatie is tussen de vermelding op de FSV-lijst, en daardoor de problemen met de KOT en het mislopen van de bijstandsuitkering. Het één hangt samen met het ander. Belanghebbende is hierdoor gedupeerd.

CWS geeft in haar nadere advies van 11 december 2024 te kennen dat de problemen met de KOT later een rol zijn gaan spelen. Het is niet aannemelijk dat belanghebbende door plaatsing op de FSV-lijst niet in aanmerking kwam voor een aanvullende bijstandsuitkering. Belanghebbende kreeg ondanks plaatsing op de lijst KOT toegekend.

In de aanvullende reactie van 7 februari 2025 voert gemachtigde nogmaals aan dat zij inkomensschade heeft geleden omdat zij niet in aanmerking kwam voor een aanvullende bijstandsuitkering.

In de beschouwing van 18 maart 2025 van UHT wordt het (nadere) advies van CWS gevolgd.

De Commissie stelt op grond van (artikel 13 van de) Participatiewet vast dat in limitatief omschreven omstandigheden een aanvrager kan worden uitgesloten van het recht op een (aanvullende) bijstandsuitkering. Limitatief betekent: een opsomming waarvan geen uitbreiding mogelijk is. Plaatsing op een FSV lijst is niet een omstandigheid die in deze opsomming wordt genoemd. Belanghebbende heeft haar stelling dat de gemeente haar geen aanvullende bijstandsuitkering verstrekte vanwege het voorkomen op een FSV-lijst niet met een beschikking of andere schriftelijke documentatie onderbouwd. De Commissie vindt het (nadere) advies van CWS op dit punt voldoende gemotiveerd en navolgbaar. De Commissie volgt belanghebbende dus niet in haar bezwaargrond.

2. Het mislopen van inkomsten door ziekte.

Belanghebbende geeft te kennen dat zij door de problemen met de KOT in 2018 een burn-out kreeg en hierdoor minder inkomsten had. Hierdoor kwam zij in de Ziektewet terecht en liep zij een netto salaris van € 12.000,- mis.

CWS verwoordt op 18 november 2022 in haar advies dat er geen medische
onderbouwing is voor een verband tussen de burn-out en de KOT-problemen.
Belanghebbende is gevraagd om aanvullende medische informatie, maar heeft hier niet aan kunnen voldoen. Hierdoor is het onvoldoende aannemelijk dat de KOT-problemen hebben geleid tot een burn-out en inkomensschade. CWS adviseert daarom deze schade niet te vergoeden.

In bezwaar stelt de gemachtigde dat CWS onvoldoende inspanningen heeft geleverd om de noodzakelijke medische informatie te krijgen. Belanghebbende heeft in bezwaar alsnog medische informatie overgelegd waaruit volgens haar genoegzaam blijkt dat zij door haar klachten inkomensschade heeft geleden.

CWS heeft nadien medisch advies ingewonnen bij Sanacare Medisch Adviesbureau
(Sanacare). Sanacare heeft op 21 augustus 2024 advies aan CWS uitgebracht. De
medisch adviseur van Sanacare beschrijft het volgende. Er is sprake van medische
problematiek al vóór de KOT affaire door moeizame familieomstandigheden en scheiding. Belanghebbende is daarvoor verwezen naar een psycholoog en er is toen medicatie voorgeschreven. Het is zeer waarschijnlijk dat de klachten van belanghebbende door de KOT problematiek zijn verergerd. Er is sprake van depressieve klachten, stress, vermoeidheid en angststoornissen. Het is mogelijk dat als de problemen rond de KOT zich niet hadden voorgedaan er op enig moment sprake zou zijn geweest van dezelfde medische problematiek op basis van de moeizame scheiding. Het beloop van het ziektebeeld is verergerd door het niet oplossen van de problemen rond de KOT. Zonder deze problemen zou er een gunstiger beloop zijn geweest. Als de problemen rond de KOT zich niet hadden voorgedaan, zou er mogelijk geen reden zijn geweest om medicatie voor te schrijven. Op basis van de ter beschikking gestelde medische informatie is de
medisch adviseur van mening dat de problemen rond de KOT de medische problematiek hebben verergerd. Als direct gevolg hiervan zijn er beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren waardoor belanghebbende haar werk niet kan verrichten en zij arbeidsongeschikt is. CWS concludeert in het nadere advies van 11 december 2024 dat het uit het advies van de medisch adviseur aannemelijk is dat de psychische klachten van belanghebbende zijn verergerd door de KOT-problematiek. Daarom adviseert CWS om aan belanghebbende een aanvullende immateriële en materiële schadevergoeding toe te kennen. CWS adviseert om 50% van de inkomensschade toe te rekenen aan de KOT-problemen, aangezien meerdere factoren en omstandigheden een rol hebben gespeeld. De schade wordt berekend over de periode van 1 juni 2018 tot 1 juni 2020. Voor deze periode wordt
uitgegaan van het verhaal van belanghebbende. Met behulp van een specialist inkomensschade heeft CWS het schadebedrag berekend op €5.341,-.

In de aanvullende reactie van 7 februari 2025 voert gemachtigde hiertegen aan dat CWS bij de 50/50 verdeling te veel gewicht toekent aan de factoren en omstandigheden die zich buiten de sfeer van de Belastingdienst/Toeslagen voordeden. Door de problemen met de KOT zijn de klachten van belanghebbende verergerd en is zij arbeidsongeschikt geworden. Dat schrijft Sanacare ook, uit de manier van verwoorden blijkt dat Sanacare vindt dat een groter aandeel ligt in de KOT problemen. Doordat belanghebbende geen inkomsten meer had vanwege het wegvallen van inkomen, heeft zij zich moeten prostitueren en heeft zij seksueel overdraagbare ziektes opgelopen. Zij heeft daardoor tot de dag van vandaag diverse fysieke en mentale klachten. Deze klachten zijn niet in het medisch advies meenomen.

In de beschouwing van 18 maart 2025 van UHT wordt het nadere advies van CWS over de 50/50 verdeling opgevolgd omdat het volgens UHT begrijpelijk en voldoende gemotiveerd is.

De Commissie is van oordeel dat het nadere advies van CWS voldoende navolgbaar en gemotiveerd is. Daarom acht de Commissie het begrijpelijk en navolgbaar dat 50% van de schade wordt toegerekend aan de Belastingdienst/Toeslagen en 50% aan andere oorzaken. Belanghebbende heeft daarnaast niet duidelijk gemaakt op welke wijze en in hoeverre de gevolgen die zij helaas heeft moeten ondergaan als gevolg van seksueel overdraagbare ziektes invloed heeft gehad op de toerekenbaarheid van de schade. Op grond van de toerekening van 50% is er op 25 september 2024 een schaderapport opgesteld en vastgesteld dat belanghebbende over de periode 1 juni 2018 tot en met 1 juni 2020 een inkomensschade heeft geleden van €5.341,-. De Commissie meent dat de gemaakte berekening van de wettelijke rente ter grootte van €1.039,- inzichtelijk is gemotiveerd.

De Commissie constateert gelet op het voorgaande dat het nadere advies van CWS van 11 december 2024 aan de bezwaren van belanghebbende deels tegemoetkomt. Het bezwaar is dus ook op dit punt gegrond.

3. Inkomensschade als gevolg van studieonderbreking.
Belanghebbende merkt over deze schadepost op dat zij haar Hbo-opleiding
Verpleegkunde heeft moeten staken vanwege de problemen met de KOT. Zij begon deze studie in 2015, stopte daarmee en startte op 29 januari 2016 met een leerarbeidsovereenkomst voor Verzorgende C. Als zij haar studie niet had hoeven
beëindigen, zou zij in 2019 met een diploma de arbeidsmarkt zijn opgegaan en had in de vijf daaropvolgende jaren tussen €2.112,- en €2.868,- bruto per maand kunnen verdienen. Belanghebbende wil eind 2022 alsnog met deze opleiding beginnen.

In haar advies van 18 november 2022 adviseert CWS om de schade door de
studieonderbreking niet te vergoeden, omdat de KOT-problemen eerst in februari/maart 2016 speelden. De KOT over 2015 werd toen voor het eerst op nihil gesteld. In januari 2016 had belanghebbende net uitstel gevraagd om te antwoorden op vragen van de Belastingdienst/Toeslagen. Toen kon zij nog niet weten dat er een nihilstelling zou komen. Aangezien belanghebbende op 29 januari 2016 begon met een leer-werktraject als Verzorgende C, mag worden aangenomen dat zij om een andere reden met haar Hbo-opleiding
Verpleegkunde is gestopt.

In bezwaar stelt de gemachtigde dat belanghebbende in de zomer van 2015 met haar Hbo-opleiding is begonnen. De KOT over 2015 werd vervolgens neerwaarts bijgesteld, waardoor zij in november en december 2015 geld van haar familie moest lenen. Hierdoor kwam belanghebbende in de knel en moest zij haar opleiding staken. In januari 2016 is zij gestart bij Cordaan.

In haar advies van 11 december 2024 schrijft CWS niet terug te komen op het eerdere advies. Belanghebbende was al gestopt met haar Hbo-opleiding voordat de KOT over 2015 in februari/maart 2016 op nihil werd gesteld. Er is geen causaal verband met de KOT-problematiek. Uit het overzicht van de beschikkingen blijkt dat de KOT na oktober 2015 juist naar boven werd bijgesteld. De eerste nihilstelling over 2015 vond pas plaats in april 2016.

In de aanvullende reactie van 7 februari 2025 voert gemachtigde aan dat uit de
bewoordingen in het medisch advies volgt dat het stopzetten van de vervolgopleiding het directe gevolg is van de problemen met de KOT. Gemachtigde benadrukt dat er wel degelijk een causaal verband is tussen de medische problematiek en het moeten staken van de vervolgopleiding.

In de beschouwing van 18 maart 2025 van UHT wordt het (nadere) advies van CWS
gevolgd.

De Commissie is van oordeel dat het (nadere) advies van CWS voldoende gemotiveerd en navolgbaar is. Belanghebbende kreeg pas problemen met de KOT toen zij op 1 april 2016 geconfronteerd werd met een nihilstelling van de KOT over 2015. De Commissie is dan ook van oordeel dat er geen causaal verband bestaat tussen de problemen met de KOT en de al eerder gestaakte Hbo-opleiding. Dat de medisch adviseur een daarmee niet verenigbare conclusie heeft getrokken, maakt de (interpretatie van) de feiten niet anders. Deze bezwaargrond slaagt dus niet.

Overige vermogensschade
Verkoop auto
Belanghebbende verzoekt om vergoeding van de schade die is ontstaan door de
gedwongen verkoop van haar auto vanwege een dwangbevel van B/T. De auto, gekocht voor €3.000,- moest zij verkopen voor €1.500,-. Hierdoor bedraagt de schade €1.500,-.

De Commissie constateert dat het nadere advies van CWS van 11 december 2024 aan het bezwaar van belanghebbende tegemoet komt en dat UHT dit overneemt. Daarmee is het bezwaar gegrond.

Verkoop sieraden
Belanghebbende verzoekt om vergoeding van de schade geleden door de gedwongen verkoop van een gouden ring en armband.

De Commissie constateert dat CWS in het nadere advies van 11 december 2024 ook op dit punt aan het bezwaar van belanghebbende tegemoetkomt en dat UHT dat overneemt. Het bezwaar is daarmee gegrond.

Studieboeken
Belanghebbende verzoekt om vergoeding van de kosten van studieboeken, waar zij niets meer mee kan omdat zij haar studie moest stoppen. Deze kosten schat zij op €1.000,-.

In haar advies van 18 november 2022 adviseert CWS om deze schade niet te vergoeden, omdat het niet aannemelijk is dat belanghebbende haar studie vanwege de KOT-problematiek heeft moeten stoppen. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

In bezwaar stelt de belanghebbende dat er wel een causaal verband bestaat tussen het stoppen met haar studie en de KOT-problematiek.

In haar advies van 11 december 2024 schrijft CWS dat er geen aanknopingspunten zijn om af te wijken van het eerdere advies.

In de aanvullende reactie van 7 februari 2025 voert gemachtigde aan dat gelet op de bewoordingen in het medisch advies belanghebbende haar opleiding heeft moeten staken vanwege de problemen met de KOT. Belanghebbende verzoekt om de gemaakte kosten van de studieboeken te vergoeden.

In de beschouwing van 18 maart 2025 van UHT wordt het (nadere) advies van CWS
gevolgd.

De Commissie verwijst naar wat hiervoor is overwogen over het stoppen met de Hbo opleiding. Het (nadere) advies is volgens de Commissie dus begrijpelijk en navolgbaar. Het bezwaar slaagt op dit punt niet.

Diverse schulden
Belanghebbende verzoekt om een vergoeding voor diverse schulden en leningen,
waaronder een studieschuld bij DUO, leningen van familie en kennissen, een huurschuld en een lening van de gemeentelijke kredietbank. CWS adviseert op 18 november 2022 om geen vergoeding toe te kennen, omdat schulden geen schade vormen. Tegenover een schuld staat namelijk iets van waarde. Alleen rente en kosten kunnen schade vormen als er een causaal verband bestaat met de
kinderopvangproblemen. Er is niet gebleken dat belanghebbende rente en kosten heeft hoeven betalen. De schuld bij DUO is kwijtgescholden.

Belanghebbende dient in bezwaar een brief van de gemeente Amsterdam van 8 januari 2021 in, waaruit blijkt dat een schuldregeling is overeengekomen. De aflossingsruimte van de belanghebbende bedraagt € 53,- per maand.
CWS ziet in het nadere advies geen aanleiding om af te wijken van het eerdere advies. De schuldregeling is geen schuld of lening. Er is (nog steeds) niet gebleken dat belanghebbende rente en kosten over schulden heeft moeten betalen.

In de beschouwing van 18 maart 2025 van UHT wordt het (nadere) advies van CWS
gevolgd. De Commissie is van oordeel dat het (nadere) advies van CWS voldoende gemotiveerd en navolgbaar is. Het bezwaar is dus op dit punt ongegrond.

Immateriële schadevergoeding
Belanghebbende verzoekt om een vergoeding voor de immateriële schade die is geleden door haar en haar kinderen.

CWS adviseert op 18 november 2022 om een schadevergoeding van €13.500,- voor het leed van belanghebbende en €1.500,- voor het leed van elk kind toe te kennen.

In bezwaar voert belanghebbende aan, kort weergegeven, dat het voor haar niet
inzichtelijk is hoe CWS deze schadevergoeding heeft berekend en dat dit getuigt van een onzorgvuldige besluitvorming. Verder mist belanghebbende belangrijke gebeurtenissen bij het bepalen door CWS van de hoogte van de immateriële schadevergoeding.

In het nadere advies adviseert CWS om het bedrag aan immateriële schadevergoeding te verhogen naar € 25.800,- (inclusief wettelijke rente). Daarbij geeft CWS een uitgebreide toelichting bij de verschillende posten die in aanmerking worden genomen bij de berekening van de schadevergoeding.

In de reactie op het nadere advies richt de gemachtigde geen gronden meer tegen deze nadere berekening van de immateriële schadevergoeding.

UHT neemt in haar beschouwing het nadere advies van CWS over.

Omdat UHT is tegemoet gekomen aan het bezwaar van belanghebbende, is het bezwaar ook op dit punt gegrond.

Conclusie en proceskostenvergoeding
Het geheel overziend, slaagt het bezwaar van belanghebbende op verschillende punten. Omdat het primaire besluit op die punten moet worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2,5 procespunten (bezwaarschrift, verschijnen hoorzitting en schriftelijke reactie) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen overeenkomstig wat in het advies is overwogen en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Secretaris

Fungerend voorzitter