Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12950

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primaire besluiten: 27 januari 2023 (UHT-DCHA) en 31 oktober 2023 (UHT-T OGS B)

Hoorzitting: 6 augustus 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 26 augustus 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de
proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 27 januari 2023 en 31 oktober 2023. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 juni 2020 verzocht om herbeoordeling van de
    kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met belanghebbende heeft de
    beoordeling plaatsgevonden over de jaren 2011 tot en met 2014.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 10 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
    geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van
    institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de beschikkingen van 27 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA en
    31 oktober 2023 met kenmerk UHT-T OGS B (hierna: de bestreden
    beschikkingen) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op
    compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2011 tot en met 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 20 april 2023, ingekomen op diezelfde datum,
    tegen de bestreden beschikking van 27 januari 2023 een bezwaarschrift
    ingediend.
  • Gemachtigde heeft daarnaast bij brief van 11 december 2023, ingekomen op
    diezelfde datum, tegen de bestreden beschikking van 31 oktober 2023 een
    bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 26 november 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Gemachtigde heeft voorafgaand aan de zitting, in een e-mailbericht van
    6 augustus 2025, een tweetal aanvullende producties overgelegd.
  • Op 6 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is
    een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 21 augustus 2025
    een nadere schriftelijke reactie ingediend.
  • Gemachtigde heeft, ook na een rappel daartoe, geen gebruik gemaakt van de ter
    zitting geboden gelegenheid om nadere stukken in te dienen.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Motivering bestreden besluit / persoonlijk dossier/ equality of arms
Belanghebbende voert aan dat de bestreden beschikkingen onvoldoende zijn
gemotiveerd. Belanghebbende voert verder aan dat UHT in strijd met het beginsel van “equality of arms” handelt. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad omdat zij niet beschikt over het volledige, persoonlijk dossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten. In het ouderdossier waarover belanghebbende beschikt ontbreekt belangrijke informatie.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling van
belanghebbende dat de motivering van de bestreden beschikkingen onvolledig moet worden geacht. De Commissie constateert dat UHT in bezwaar een schriftelijke beschouwing heeft ingediend, waarin UHT een aanvullende uitgebreide uitleg heeft gegeven met behulp van het informatie- en beoordelingsformulier, overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: “LIC”) en overige producties. Naar het oordeel van de Commissie zijn bestreden beschikkingen hierdoor in ieder geval voldoende gemotiveerd onderbouwd.

De Commissie overweegt voorts dat de schriftelijke beschouwing en het bezwaardossier op 15 april 2025 aan gemachtigde zijn gezonden. Gemachtigde en belanghebbende hebben hierdoor kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikkingen en zij hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog stukken zouden ontbreken die van belang zijn voor het door UHT genomen besluit. Van enige schending van het bepaalde bij artikel 7:4, lid twee, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dan ook niet gebleken. De door belanghebbende in dit verband ontwikkelde bezwaren kunnen dus
niet tot het door haar gewenste doel leiden.

Afgewezen jaren 2011 tot en met 2014
Aan belanghebbende is géén compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2014. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij ook voor die jaren
gecompenseerd dient te worden.

De Commissie overweegt als volgt. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn.

Toeslagjaar 2011
Voor wat betreft toeslagjaar 2011 is tussen partijen niet in geschil dat B/T jegens
belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld. De volgens B/T verzonden
vraagbrieven zijn niet teruggevonden in de systemen. Hierdoor is belanghebbende niet voldoende in de gelegenheid gesteld om het recht op KOT aan te tonen. Maar belanghebbende voldeed niet aan de voorwaarden voor toekenning van KOT. Niet gebleken is dat gekwalificeerde opvang is afgenomen (artikel 1.5 Wet kinderopvang). De KOI-viewer over het jaar 2011 bevat bovendien ook geen gegevens over opvang. Een andere voorwaarde is dat sprake moet zijn van zogeheten doelgroeperschap en dat belanghebbende gebruik maakte van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (artikel 1.6 Wet kinderopvang). Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt niet dat belanghebbende aan die laatste voorwaarde voldeed. Dat betekent dat UHT terecht heeft geconcludeerd dat evident geen recht op KOT bestond. Van compensatie kan dan ook
geen sprake zijn. De Commissie heeft ook geen concrete aanknopingspunten gevonden die maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een hardheidscompensatie rechtvaardigen. Deze bezwaargrond kan daarom niet slagen.

Toeslagjaar 2012
Voor wat betreft toeslagjaar 2012 geldt dat de KOT neerwaarts is gecorrigeerd bij
beschikking van 21 november 2012. Dat is gedaan omdat belanghebbende niet zou hebben gereageerd op de verzoeken van B/T om stukken in te sturen over een
betalingsregeling. Als gevolg hiervan heeft B/T de KOT per 1 februari 2012 stopgezet. Nadat belanghebbende bezwaar heeft ingediend en stukken heeft overgelegd waaruit de betalingsreling blijkt, is de KOT opwaarts gecorrigeerd. De daaropvolgende nihilstelling van de KOT is omdat belanghebbende volgens B/T niet met stukken heeft onderbouwd dat zij doelgroeper was en aan de voorwaarden voor toekenning van KOT voldeed. Daarmee voldoet zij niet aan de voorwaarden voor toekenning van KOT en bestaat geen recht op compensatie wegens vooringenomen handelen bestaat. Verder is over dit jaar ook niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een hardheidscompensatie rechtvaardigen. Deze bezwaargrond kan daarom evenmin slagen.

Toeslagjaren 2013 en 2014, “CAF-16”-onderzoek
Voor wat betreft de toeslagjaren 2013 en 2014 overweegt de Commissie dat uit de
voorhanden zijnde stukken blijkt dat de KOT in die jaren neerwaarts is gecorrigeerd en dat sprake is van nihilstelling van de KOT. Volgens UHT is sprake van vooringenomen handelen door B/T over beide jaren, maar had belanghebbende evident geen recht op KOT. Belanghebbende is betrokken geweest bij een “CAF-16”-onderzoek. De uitkomst van dat onderzoek is geweest dat belanghebbende over de toeslagjaren 2013 en 2014 strafrechtelijk is veroordeeld wegens vervalsing van stukken en dat die uitspraak onherroepelijk is.

Ter zitting is door gemachtigde aan de orde gesteld dat een afschrift van de uitspraak van het Hof waaruit de onherroepelijke veroordeling van belanghebbende blijkt in het dossier ontbreekt. Aan gemachtigde is een termijn geboden om een afschrift van die uitspraak op te vragen zodat dit stuk aan het dossier kan worden toegevoegd. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt zodat geen kennis kan worden genomen van de precieze inhoud van het betreffende arrest.

Bij deze stand van zaken houdt de Commissie het ervoor dat de onherroepelijke
veroordeling van belanghebbende wegens vervalsing van stukken betreffende de
opvanguren vaststaat en in deze als uitgangspunt geldt. Het standpunt van gemachtigde dat belanghebbende, ondanks de strafrechtelijke veroordeling, wel gecompenseerd moet worden voor de niet betwiste opvanguren is naar het oordeel van de Commissie niet verenigbaar met de tekst en de systematiek van de Wht, zoals neergelegd in artikel 2.1, eerste en tweede lid, van de Wht. De Wht gaat uit van compensatie wegens vooringenomen handelen, tenzij sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan belanghebbende toe te rekenen is, op grond waarvan geen recht op compensatie wegens vooringenomen handelen bestaat. Die laatste situatie doet zich hier voor. Dat in een dergelijk geval door de wetgever (enige) ruimte is geboden om, zoals gemachtigde in deze zaak betoogd heeft, alsnog compensatie toe te kennen voor de niet vervalste uren, volgt noch uit de wetstekst nog uit de Memorie van Toelichting van de Wht. Dat standpunt van gemachtigde kan daarom niet worden gevolgd. Verder is over de toeslagjaren 2013 en 2014 evenmin gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een hardheidscompensatie rechtvaardigen. De Commissie concludeert dat aan belanghebbende geen recht op compensatie heeft over de jaren 2013 en 2014 toekomt. Deze bezwaargrond kan daarom slagen.

Beslagvrije voet
Belanghebbende voert aan dat B/T bij de verrekeningen onterecht geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, terwijl daar wel gegevens over voorhanden waren bij B/T. Daarom is in haar ogen sprake van hardheid bij de toepassing van het toeslagenstelsel door B/T.

De Commissie overweegt hierover dat de beslagvrije voet niet van toepassing is op KOT. Deze toeslag is immers niet bedoeld als inkomensvoorziening, maar voor het bevorderen van de arbeidsparticipatie. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Niet herbeoordeelde toeslagjaren
Belanghebbende voert aan dat niet alle jaren zijn meegenomen in de herbeoordeling en dat zij geen toestemming heeft gegeven om de herbeoordeling te beperken tot enkele jaren. UHT heeft dit weersproken.

De Commissie overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin B/T een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken. De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende zag op de jaren 2011 tot en met 2014, hetgeen blijkt uit het door de persoonlijk zaakbehandelaar in samenspraak met belanghebbende opgestelde informatie- en beoordelingsformulier (pagina 18 en pagina 70 bezwaardossier). Belanghebbende heeft ermee ingestemd dat de herbeoordeling ziet op de jaren 2011 tot en met 2014. Dat andere jaren waarin KOT is toegekend ten onrechte, althans zonder instemming van belanghebbende niet zouden zijn meegenomen in de
herbeoordeling, is op grond van de voorhanden zijnde stukken niet gebleken. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de andere jaren in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikkingen moeten worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikkingen de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om andere jaren dan de jaren 2011 tot en met 2014 in haar advisering te betrekken.

UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing aangegeven dat belanghebbende KOT heeft ontvangen over de jaren 2006 tot en met 2014 en over de jaren 2023 en 2024 (productie 78 bezwaardossier). UHT heeft daarbij toegezegd dat het verzoek om herbeoordeling van de jaren 2006 tot en met 2010 is doorgezet naar de juiste afdeling (productie 79 bezwaardossier). De Commissie heeft met instemming hiervan kennis genomen. Nu deze werkwijze, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie onderhavige bezwaarprocedure niet aan. Dit onderdeel van het bezwaar is daarom ongegrond.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie adviseert het bezwaar ongegrond te verklaren, is er geen aanleiding om het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter