BAC 2023-12935
Publicatiedatum 28-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 8 februari 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 26 september 2024
Overdracht advies aan UHT: 27 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT
om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit te
herroepen ten aanzien van het toeslagjaar 2012, een nieuwe beslissing te
nemen met inachtneming van dit advies en het verzoek om toekenning van een
proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 8 februari 2023 genomen beschikking met kenmerk UHT-DCHA.
In deze beschikking is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 18 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van
de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2012. De
herbeoordeling is vervolgens gedaan over de toeslagjaren 2011 en 2012. - Bij beschikking van 12 augustus 2022 heeft UHT aan belanghebbende
medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 op
grond van de Catshuisregeling, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is. - De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende op 16 januari 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft
geadviseerd dat in de toeslagjaren 2011 en 2012 geen sprake is geweest van
institutionele vooringenomenheid of hardheid. - Bij beschikking van 8 februari 2023 met kenmerk UHT-DCHA heeft UHT aan
belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de
toeslagjaren 2011 en 2012. - Bij brief van 16 maart 2023, ingekomen op 17 maart 2023, heeft gemachtigde
tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. - UHT heeft op 5 april 2024 schriftelijk gereageerd.
- Op 26 september 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is
gevoegd. - Op de hoorzitting is afgesproken dat UHT binnen drie weken zou reageren op het door belanghebbende gestelde ten aanzien van het aantal door haar in 2012
gewerkte uren alsmede van het aantal uren kinderopvang waarop zij recht zou
hebben. Op 4 november 2024 is op verzoek van UHT een week uitstel gegeven
voor het aanleveren van de informatie. Op 16 december 2024 heeft UHT
gereageerd. Hierop heeft gemachtigde op 29 januari 2025 gereageerd. - De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies aan UHT opgesteld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Compleetheid dossier en motivering besluit
Belanghebbende stelt dat onderliggende stukken die ten grondslag liggen aan de
bestreden beschikking van 8 februari 2023 ontbreken. Derhalve is de bestreden
beschikking onvoldoende gemotiveerd.
De Commissie is van oordeel dat dit onderdeel van het bezwaar ongegrond is. Ter
voorbereiding van de definitieve compensatiebeschikking zijn de bedragen in de
compensatieberekening vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De gegevens zijn afkomstig van onder meer de
voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen, formulieren, meldingen, RKTbestanden, SAS-overzichten en overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC). De Commissie stelt vast dat belanghebbende inmiddels beschikt over de schriftelijke reactie van UHT en de bijbehorende stukken, die op 5 september 2024 aan gemachtigde zijn verzonden. Op basis van de in dit dossier opgenomen stukken kon belanghebbende genoegzaam inzicht verkrijgen in de totstandkoming van de bestreden beschikking. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ''equality of arms'', zoals opgenomen in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), omdat zij niet de beschikking heeft over haar volledige dossier. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op
afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft
belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 5 september 2024 ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen om haar standpunt uiteen te zetten en daarvan gebruik gemaakt. De Commissie acht het bezwaar op dit punt eveneens ongegrond.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de compensatie over 2011. Op dat jaar wordt derhalve niet ingegaan in dit advies.
Toeslagjaar 2012
Tijdens de hoorzitting van 26 september 2024 heeft belanghebbende aangevoerd dat sprake is van vooringenomen handelen van B/T jegens haar met betrekking tot
toeslagjaar 2012. B/T heeft nagelaten een volgens belanghebbende noodzakelijke
uitvraag bij haar te doen over het aantal gewerkte uren. B/T heeft moeten twijfelen aan de informatie van UWV met betrekking tot het aantal gewerkte uren. Belanghebbende heeft in 2012 1.539 uren gewerkt en niet 1.149 uren, het aantal uren waar B/T vanuit gegaan is op basis van de informatie van UWV. UHT heeft ter gelegenheid van de hoorzitting toegezegd dat zij de situatie van belanghebbende nader zou onderzoeken en haar bevindingen binnen drie weken na de hoorzitting aan de Commissie en belanghebbende zou laten weten.
In die reactie stelt UHT zich op het standpunt dat in dit geval een verzoek zou moeten worden gedaan om herziening van een mogelijk foutieve vaststelling door B/T van het aantal gewerkte uren. De herstelregelingen zouden, aldus UHT, hier niet in voorzien. Een dergelijk verzoek zou moeten worden gedaan bij de afdeling Toeslagen Regulier voor het herzien van de reeds vastgestelde KOT.
Belanghebbende betwist deze stelling van UHT. Volgens belanghebbende had B/T in dit geval niet zonder meer uit mogen gaan van de UWV-gegevens. Uit de destijds beschikbare informatie had B/T moeten zien dat de door UWV-gegevens niet juist konden zijn. Belanghebbende onderbouwt deze stelling met een berekening op basis van haar jaarinkomen in 2012, haar uurloon en de jaaropgave van de kinderopvanginstelling.
Met UHT is de Commissie van oordeel dat de Wht niet ziet op de herziening van
definitieve KOT-beschikkingen. Het gaat in dit geval echter niet om een herziening van de hoogte van de KOT over het toeslagjaar 2012 maar om de vraag of B/T
vooringenomen heeft gehandeld door geen navraag te doen alvorens de KOT neerwaarts bij te stellen.
De Commissie constateert dat een dergelijke, in dit geval noodzakelijke navraag
achterwege is gebleven. Het (niet betwiste) verschil in het aantal opgegeven uren versus het aantal gerapporteerde uren had naar het oordeel van de Commissie aanleiding moeten geven tot het doen van navraag bij belanghebbende. De Commissie neemt daarbij in aanmerking dat het door belanghebbende verdiende uurloon bij B/T bekend was en het door haar verdiende jaarloon niet correspondeerde met het door UWV opgegeven in 2012 gewerkte uren, hetgeen aanleiding had moeten zijn navraag te doen. De Commissie concludeert daarom dat B/T destijds individueel vooringenomen heeft gehandeld en dat dientengevolge belanghebbende recht heeft op compensatie over het toeslagjaar 2012 op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en alsnog een compensatieberekening over het toeslagjaar 2012 op te stellen.
Overige toeslagjaren
In de aanvullende reactie van 29 januari 2025 stelt belanghebbende dat ten onrechte niet alle toeslagjaren zijn beoordeeld waarin belanghebbende KOT heeft aangevraagd. Zij is van mening dat een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, Wht ziet op alle toeslagjaren vóór 2020 waarin de aanvrager van compensatie KOT heeft aangevraagd.
De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de toeslagjaren 2011 en 2012. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om dit toeslagjaar (alsnog) in haar advisering in de onderhavige procedure te betrekken. De Commissie adviseert UHT om de gestelde relevante toeslagjaren, vanwege de bijzondere omstandigheden, met spoed te laten onderzoeken door de desbetreffende afdeling. Nu deze werkwijze, in de opvatting van UHT, gelet op eerdere bezwaarprocedures waarover de Commissie heeft geadviseerd, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich brengt, houdt de Commissie onderhavige bezwaarprocedure niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de
Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren;
- het bestreden besluit te herroepen ten aanzien van het toeslagjaar 2012;
- de compensatie over het toeslagjaar 2012 te berekenen en ook alle ingevolge de
Wht daarmee samenhangende vergoedingen te berekenen met inachtneming van dit advies en; - vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen.
Secretaris
Fungerend voorzitter