BAC 2023-12931
Publicatiedatum 28-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 17 februari 2023 met kenmerk UHT-DCHA
Hoorzitting: 6 november 2024
Overdracht advies aan UHT: 6 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren en de beschikking met kenmerk UHT-DCHA
in stand te laten.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 17 februari 2023 met kenmerk UHT-DCHA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 tot en met 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2016.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft UHT op 2 februari 2023
geadviseerd over de toewijzing van compensatie over de toeslagjaren 2013 tot en met 2016. Volgens de CvW bestaat geen aanleiding voor compensatie over deze jaren, omdat in deze periode evident geen recht bestond op kinderopvangtoeslag. Voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2016 bestond volgens de CvW geen recht op een O/GS-tegemoetkoming. - UHT heeft bij bestreden beschikking van 17 februari 2023 aan belanghebbende
medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2013 tot en
met 2016. - Gemachtigde heeft bij brief van 24 maart 2023 tegen deze beschikking een
bezwaarschrift ingediend. - UHT heeft op 7 februari 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 6 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Belanghebbende heeft op 5 november 2024, 7 november 2024 en 9 december
2024 aanvullende stukken ingediend. - UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 6 januari 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Het inzagerecht van belanghebbende en de op de zaak betrekking hebbende stukken
Volgens belanghebbende heeft UHT verzuimd stukken te overleggen, die voor de
beoordeling van het bezwaar relevant zijn. Het inzagerecht en de equality of arms
zouden hiermee geschonden zijn. De Commissie overweegt met betrekking tot deze procedurele bezwaren als volgt.
Ingevolge artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken (ook wel: het inzagerecht). UHT heeft een uitgebreid bezwaardossier ter beschikking gesteld, waaronder begrepen de door belanghebbende verlangde IB-formulier, LIC-overzichten. Het komt de Commissie voor dat belanghebbende kan beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Het is gezien het voorgaande niet aannemelijk dat belanghebbende in zijn rechtspositie is geschaad door het niet overleggen van stukken. De fair balance tussen partijen is gedurende deze bezwaarprocedure niet in het geding gekomen.
De Commissie is gezien het voorgaande de opvatting toegedaan dat het inzagerecht en de equality of arms in deze bezwaarprocedure niet zijn geschonden.
Beoordeling afwijzing over toeslagjaren 2013, 2014, 2015 en 2016
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de toeslagjaren 2013, 2014, 2015 en 2016 af te wijzen.
UHT heeft bij bestreden beschikking per jaar gemotiveerd onderbouwd waarom over de toeslagjaren 2013, 2014, 2015 en 2016 geen sprake zou zijn geweest van vooringenomenheid en/of hardheid bij de uitvoering. De Commissie overweegt over deze toeslagjaren als volgt.
Vooringenomenheid en evident geen recht op kinderopvangtoeslag in toeslagjaren 2013, 2015 en 2016
Belanghebbende betoogt dat aan hem ten onrechte geen compensatie is toegekend over de toeslagjaren 2013 tot en met 2016. UHT stelt zich op het standpunt dat, hoewel sprake is van vooringenomen handelen jegens belanghebbende voor de toeslagjaren 2013, 2015 en 2016, belanghebbende evident geen recht had op kinderopvangtoeslag voor deze toeslagjaren omdat geen sprake is geweest van afgenomen opvang bij een gekwalificeerde kinderopvanginstelling.
De Commissie overweegt dat niet in geschil is dat Belastingdienst/Toeslagen (B/T) jegens belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld over de toeslagjaren 2013, 2015 en 2016. Daarmee ligt de vraag voor of sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende toerekenbaar zijn als bedoeld in artikel 2.1 lid 2 Wht.
De Commissie stelt vast dat over de jaren 2013, 2015 en 2016 nihilstellingen hebben plaatsgevonden. De nihilstellingen over deze jaren hebben plaatsgevonden, omdat geen sprake is geweest van afgenomen kinderopvang. De ondervraagde kinderopvanginstellingen hebben aangegeven dat de kinderen van belanghebbende niet bij hen bekend waren . Ook de KOI-viewers over deze jaren zijn leeg (producties 35 tot en met 43). Belastingdienst/Toeslagen heeft geen bezwaar ontvangen tegen de nihilstellingen.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de op zijn bankrekeningnummer overgemaakte kinderopvangtoeslag, aan de gastouder of een andere kinderopvanginstelling is overgemaakt (zie LIC-overzichten onder producties 31 tot en met 34, en pagina 28 dossier). Belanghebbende heeft zijn stelling dat sprake is van fraude door derden, evenmin onderbouwd. Namens belanghebbende is tijdens de hoorzitting gesteld dat hij een klacht heeft ingediend en dat alle bewijzen daarbij zijn meegestuurd. UHT heeft dit geverifieerd bij de desbetreffende klachtenafdeling. Uit de systemen kan worden afgeleid dat de klacht telefonisch is ingediend op 13 december 2017, maar daar blijkt niet uit dat er stukken zijn verstuurd aan of zijn ontvangen door Belastingdienst/Toeslagen (productie 44).
De Commissie is van oordeel dat zich een ernstige onregelmatigheid heeft voorgedaan die aan belanghebbende toerekenbaar is als bedoeld in artikel 2.1 lid 2 Wht.
Toeslagjaar 2014
B/T heeft over toeslagjaar 2014 gevraagd om opvangcontracten met de
kinderopvanginstelling, facturen van de kinderopvanginstelling en bankafschriften
waaruit blijkt dat kinderopvang is betaald (producties 16 en 17). B/T stelt deze stukken niet van belanghebbende te hebben ontvangen, waarop de KOT over toeslagjaar 2014 nihil is gesteld. B/T.. De Commissie stelt vast dat ook over 2014 de ondervraagde kinderopvanginstellingen hebben aangegeven dat de kinderen van belanghebbende aldaar tussenschoolse opvang hebben genoten maar geen kinderopvang conform de Wet op de Kinderopvang (producties 40 en 41).De KOI-viewer over 2014 is bovendien leeg (productie 37).
De Commissie heeft daarom geen grond kunnen vinden om te adviseren dat er bij de terugvordering van de kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De kinderopvangtoeslag over 2014 is teruggevorderd, omdat belanghebbende niet op de informatieverzoeken van B/T heeft gereageerd en daarnaast is gebleken dat de kinderen niet bekend zijn voor kinderopvang bij de kinderopvanginstellingen. Een dergelijke terugvordering geeft in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier in dit geval anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overige bezwaargronden – hardheid en beslagvrije voet
Zoals uit het voorgaande volgt, heeft UHT voor de jaren 2013, 2015 en 2016 terecht geconcludeerd dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan belanghebbende toerekenbaar is. Daarom is terecht de KOT over deze jaren teruggevorderd. Het verrekenen van terechte terugvorderingen levert geen compensatie op grond van hardheid op. Ten aanzien van 2014 was ook sprake van een terechte terugvordering.
Belanghebbende betoogt dat B/T bij de verrekeningen van door belanghebbende terug te betalen kinderopvangtoeslag geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. De toeslagen (waaronder toegekende kinderopvangtoeslag)en teruggaven inkomstenbelasting) zijn niet (volledig) aan belanghebbende uitbetaald, omdat de kinderopvangtoeslagschuld van belanghebbende over de toeslagjaren 2013, 2014, 2015 en 2016 hiermee is verrekend (productie 31 tot en met 34).
De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j van het Wetboek van Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buitendien niet binnen de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel in het kader van de Wht en kan daarmee geen onderdeel zijn van de bezwaarprocedure. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Opzet/grove schuld kwalificatie
Uit het dossier volgt dat er een O/GS-registratie heeft plaatsgevonden over toeslagjaren 2014, 2015 en 2016 (productie 30). UHT heeft geoordeeld dat gezien de omstandigheden deze kwalificatie terecht is. Belanghebbende heeft immers kinderopvangtoeslag aangevraagd en daarna de uren verhoogd terwijl geen sprake was van kinderopvang. UHT heeft verwezen naar het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling van 25 augustus 2016 (productie 45) en de afwijzing daarvan op 22 september 2016 (productie 46). In die afwijzing is aan belanghebbende gecommuniceerd waarom er sprake is van opzet/grove schuld.
Gelet op het vorenstaande is de Commissie van oordeel dat de O/GS-kwalificatie terecht is geweest. Derhalve komt belanghebbende naar opvatting van de Commissie niet in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming.
Schending motiveringsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel
Gelet op het dossier komt het de Commissie voor dat bij de integrale beoordeling is gekeken naar alle feiten en omstandigheden die voor het beoordelen van het recht op forfaitaire compensatie ingevolge de Wht van belang zijn.
De Commissie ziet geen aanleiding, mede gelet op de gronden van het bezwaar, om te veronderstellen dat UHT bij de totstandkoming van de bestreden beschikking onzorgvuldig heeft gehandeld, of dat de bestreden beschikking ondeugdelijk is gemotiveerd.
Proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een
proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter