Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-09308

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 21 juni 2022 en 28 juli 2022

Hoorzitting: 1 juli 2025

Overdracht advies aan UHT: 10 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
de bezwaren gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een
vergoeding voor de proceskosten toe te wijzen.

Onderwerp van advies

De gemachtigde heeft namens belanghebbende afzonderlijk bezwaar ingediend tegen de onderscheiden besluiten van 21 juni 2022 en 28 juli 2022 waarbij belanghebbende is meegedeeld:

  • dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2013, januari tot en met 5 mei 2014 en 2015 is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom recht heeft op een compensatiebedrag van € 30.000 (UHT-DC I);
  • dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 6 mei tot en met 31 december 2014 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom geen recht heeft op compensatie over dit tijdvak (UHT-DC-I A);
  • dat er bij de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over juni tot en met
    31 december 2014 niet is gebleken dat deze te laag is vastgesteld, zodat belanghebbende geen recht heeft op een tegemoetkoming (UHT-DH5 A);
  • dat belanghebbende recht heeft op een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS-tegemoetkoming) over de periode 6 mei tot en met 31 december 2014 van € 1.139 (UHT-O OGS B).

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • Bij brief van 30 april 2021 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader
    van de eerste toets, recht heeft op een betaling van € 30.000.
  • Op 25 augustus 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies
    uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor het toeslagjaar 2014 sprake is van institutioneel vooringenomen handelen maar dat belanghebbende de KOT per 6 mei 2014 heeft stopgezet en zij daarna geen gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen. Er is daarom evident geen recht op KOT voor de periode 6 mei 2014 tot en met 31 december 2014 en daarmee ook geen recht op compensatie voor die periode. Evenmin zou er sprake zijn van bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidscompensatie rechtvaardigen.
  • Voor de toeslagjaren 2013, 2015 en de periode 1 januari 2014 tot en met 5 mei
    2014 is de compensatieregeling wel van toepassing.
  • Bij brieven van 21 juni 2022 en 28 juli 2022 zijn de besluiten meegedeeld aan
    belanghebbende.
  • Bij afzonderlijke brieven van 26 juli 2022 en 19 augustus 2022 heeft gemachtigde tegen de besluiten bezwaar gemaakt.
  • Op 30 januari 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 1 juli 2025 heeft een hoorzitting playatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit
    advies gevoegd.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden heeft dit advies behandeld.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Schending motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende heeft gesteld dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en evenmin voldoende zijn gemotiveerd. De Commissie is van oordeel dat UHT door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van LIC-overzichten en overige producties alsnog de bestreden besluiten voldoende heeft onderbouwd. Gelet op deze omstandigheden is de Commissie van oordeel dat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Niet is gebleken dat er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden.


Toeslagjaar 2013
Belanghebbende heeft gesteld dat de compensatieberekening onjuist is, omdat zij in oktober 2013 niet een bedrag van € 5.428 heeft ontvangen. Zij is van mening dat ze daarom recht heeft op een hoger compensatiebedrag. De Commissie is van oordeel dat UHT in de schriftelijke beschouwing (en ter hoorzitting) op afdoende wijze heeft toegelicht op welke wijze tot het bedrag van € 5.428 is gekomen.
Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 6 mei 2014 tot en met 31 december 2014
Belanghebbende heeft gesteld dat de vele terugvorderingen er mede voor hebben
gezorgd dat zij noodgedwongen geen gekwalificeerde kinderopvang heeft kunnen
afnemen voor deze periode.
Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van belanghebbende bij de uitvoering van de KOT in de periode 6 mei 2014 tot en met 31 december 2014 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Als vooringenomenheid wordt vastgesteld, dan is de compensatieregeling van toepassing. Uit artikel 2.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) volgt echter dat compensatie achterwege blijft indien sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als blijkt dat de ouder evident geen recht had op KOT in de betreffende periode.
UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel in de genoemde periode sprake is geweest van vooringenomenheid, aan belanghebbende toch geen compensatie kan worden toegekend. Volgens UHT was in het geval van belanghebbende in de genoemde periode namelijk sprake van evident geen recht op KOT, omdat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang.
Nu vaststaat dat belanghebbende evident geen recht had op KOT over de periode 6 mei 2014 tot en met 31 december 2014, heeft UHT terecht vastgesteld dat geen recht bestaat op compensatie KOT over deze periode. Dat belanghebbende geen
gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen vanwege de angst om geconfronteerd te worden met een terugvordering van de KOT maakt het niet anders.

Vergoeding toeslagrente over gemiste KOT
In de schriftelijke reactie heeft UHT aangegeven dat component O van de
Compensatieberekening (ten dele) onjuist is vastgesteld. Onder verwijzing naar hetgeen daarover is opgemerkt in de schriftelijke reactie, adviseert de Commissie om de rentevergoeding over gemiste KOT opnieuw te berekenen bij de beslissing op bezwaar.


Immateriële schadevergoeding
Nu de rente over gemiste KOT moet worden aangepast, en het bezwaar op dit punt dus gegrond is, dient de vergoeding voor immateriële schade te worden doorberekend tot aan de datum van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade bij de beslissing op bezwaar opnieuw dient te worden vastgesteld.

Aanvullende vergoeding van 1 procent
Het advies van de Commissie om de vergoeding voor de rente over gemiste KOT en de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade aan te passen, leidt ertoe dat de aanvullende vergoeding van 1 procent in de beslissing op bezwaar over een hoger subtotaal moet worden berekend dan het geval is in de definitieve
compensatiebeschikking.


O/GS-tegemoetkoming
Ingevolgde artikel 2.6, tweede lid, van de Wht, bedraagt de O/GS-tegemoetkoming 30 procent van het bedrag van de terugvordering(en). In 2014 bedroegen de
terugvorderingen in totaal € 6.057. 30% hiervan bedraagt € 1.130 (naar boven
afgerond). Gelet hierop is niet gebleken dat de O/GS-tegemoetkoming onjuist is
vastgesteld.

Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren gedeeltelijk gegrond zijn en op onderdelen leiden tot herroeping van de bestreden beschikking, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb in aanmerking voor een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

  • het bestreden besluit UHT-DC I te herroepen zoals hiervoor is aangegeven;
  • de overige bezwaren ongegrond te verklaren;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter