Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-09257

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 juni 2022 (UHT-DC I)

Hoorzitting: 10 juli 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 21 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de
bezwaren in de onderhavige zaak gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit met kenmerk UHT-DC I deels te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 14.892,- over het toeslagjaar 2007.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 12 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de
    kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2005 tot en met 2007. In overleg met belanghebbende is dit verzoek uitgebreid met de toeslagjaren 2008 tot en met 2012.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 10 februari 2022, met kenmerk UHT-VCH,
    aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van € 14.892,-.
  • UHT heeft bij beschikking van 17 juni 2022, met kenmerk UHT-DC I, aan
    belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van
    € 14.892,- wegens vooringenomenheid over toeslagjaar 2007.
  • UHT heeft bij beschikking van 17 juni 2022, met kenmerk UHT-DH5 A, aan
    belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over de
    toeslagjaren 2005, 2006 en 2008 tot en met 2012 wegens hardheid.
  • UHT heeft bij beschikking van 17 juni 2022, met kenmerk UHT-DC-I A, aan
    belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over de
    toeslagjaren 2005, 2006 en 2008 tot en met 2012 wegens vooringenomenheid.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 21 juli 2022, ingekomen op 21 juli 2022, bezwaar ingediend tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 23 februari 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 17 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 10 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 10 juli 2025 een
    nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 11 juli 2025 op
    gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is/zijn gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht.
Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van
9 maanden definitief had moeten beslissen over de KOT over de toeslagjaren 2008 en 2009, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij – buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Inkomenstoelage
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) de inkomenstoelage van belanghebbende heeft ingehouden in de periode maart 2005 tot en met oktober 2007. Volgens belanghebbende werd de inkomens-toelage ingehouden om te verrekenen met de KOT. UHT stelt dat uit de LIC-overzichten niet op te maken valt dat een inkomenstoelage werd ingehouden ter verrekening met openstaande bedragen aan KOT. UHT kan dit ook niet uit andere stukken opmaken.

De Commissie maakt uit de LIC-overzichten op dat over de toeslagjaren 2006 en 2007 geen bedragen zijn verrekend met openstaande bedragen aan KOT. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt daarom ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2005
Belanghebbende stelt dat toeslagjaar 2005 ten onrechte niet in aanmerking voor
compensatie is gebracht, ondanks dat zij heeft verteld dat zij vanaf dit jaar problemen met de KOT heeft ervaren. Belanghebbende stelt dat zij wel kinderopvang heeft afgenomen en KOT heeft aangevraagd. Ter ondersteuning van dit punt heeft zij een overzicht aangeleverd waaruit blijkt dat de gemeente Albrandswaard in 2005 een bijdrage heeft geleverd aan de kosten van de kinderopvang.

UHT stelt dat uit de systemen niet blijkt dat over toeslagjaar 2005 een aanvraag KOT is gedaan. Het feit dat belanghebbende een bijdrage aan de opvangkosten heeft ontvangen van de gemeente verandert dit niet. Ook staat volgens UHT vast dat geen verlaging of afwijzing van de KOT heeft plaatsgevonden. Hierdoor bestaat volgens UHT geen recht op compensatie over toeslagjaar 2005 op grond van de Wht en kan niet geconcludeerd worden dat sprake is geweest van vooringenomen-heid, hardheid of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld.

De Commissie kan het standpunt van belanghebbende volgen dat uit de bijdrage van de gemeente kan worden afgeleid dat kinderopvang heeft plaatsgevonden over toeslagjaar2005. Dat opvang heeft plaatsgevonden impliceert niet per se dat KOT is aangevraagd, toegekend en ontvangen. Om in aanmerking te komen voor compensatie op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht moet sprake zijn geweest van een aanvraag KOT in een toeslagjaar. De Commissie kan uit het dossier niet opmaken dat belanghebbende een aanvraag KOT heeft ingediend over toeslagjaar 2005 of dat sprake is geweest van een onterechte verlaging of afwijzing.
De Commissie komt hierdoor tot de conclusie dat geen recht op compensatie over toeslagjaar 2005 bestaat op grond van de Wht en adviseert om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2006
Belanghebbende stelt dat toeslagjaar 2006 ten onrechte niet in aanmerking voor
compensatie is gebracht. Zij stelt over dit toeslagjaar problemen te hebben ervaren met de KOT. Zij stelt dat B/T buiten de wettelijke behandelingstermijn heeft gehandeld doordat haar aanvraag KOT per 1 september 2006 pas op 28 november 2006 is toegekend en in december 2006 pas is uitbetaald.

UHT stelt dat belanghebbende op 12 september 2006 een aanvraag KOT over toeslagjaar 2006 heeft gedaan, met 1 september 2006 als ingangsdatum. B/T heeft op 16 oktober 2006 om meer informatie verzocht. Belanghebbende heeft hierop gereageerd. De KOT is op 29 november 2006 toegekend voor een bedrag van € 2.096. De KOT is hierna eenmaal neerwaarts bijgesteld op 10 april 2007 naar € 1.826 op basis van een stopzetting die belanghebbende per 16 december 2006 heeft doorgevoerd. De KOT is vervolgens op 20 augustus 2007 neerwaarts bijgesteld van € 1.826 naar € 1.822 door een stijging in het toetsingsinkomen.

Naar het oordeel van de Commissie is over toeslagjaar 2006 sprake geweest van
reguliere bijstellingen door B/T op basis van gegevens waar B/T destijds vanuit mocht gaan. De Commissie betreurt dat belanghebbende in de problemen is gekomen door de late uitkering van de KOT, maar wijst erop dat B/T het recht heeft om aanvullende informatie op te vragen om het (voorlopige) recht op KOT vast te stellen. De Commissie ziet geen aanleiding om compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid en belanghebbende heeft geen omstandigheden aangevoerd die het toekennen van compensatie op grond van hardheid rechtvaardigen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2008 tot en met 2012
Belanghebbende betwist dat zij over de toeslagjaren 2008 tot en met 2012 geen KOT heeft aangevraagd. Subsidiair betwist zij dat ze de KOT zelf heeft stopgezet over deze toeslagjaren. UHT stelt dat uit de systemen niet blijkt dat over de toeslagjaren 2008 tot en met 2012 een aanvraag KOT is gedaan. UHT licht toe dat de KOT over toeslagjaar 2007 is geëindigd door de nihilbeschikking van
27 september 2007. Belanghebbende is voor deze handeling gecompenseerd. Volgens UHT is over de toeslagjaren 2008 tot en met 2012 geen sprake geweest van gekwalificeerde opvang, omdat belanghebbende dit zelf heeft verteld en in de systemen van B/T geen informatie over kinderopvang te vinden is. Hierdoor is sprake van evident geen recht op KOT en concludeert UHT dat geen recht op compensatie bestaat over deze toeslagjaren.

De Commissie overweegt hierover als volgt. Vaststaat dat belanghebbende over de
toeslagjaren 2008 tot en met 2012 geen KOT heeft aangevraagd. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, Wht wordt compensatie toegekend aan de aanvrager van KOT. Belanghebbende voldoet niet aan dit vereiste. Belanghebbende heeft in deze jaren niet betaald voor gekwalificeerde opvang. Daarom komt belanghebbende voor deze periode niet voor compensatie op grond van deze herstelmaatregel in aanmerking. De Commissie adviseert UHT daarom om de bezwaren van belanghebbende over deze jaren ongegrond te verklaren.

Belanghebbende stelt dat het gemis aan KOT over deze jaren het gevolg is van het feit dat hij/zij over de voorafgaande jaren door de B/T vooringenomen is behandeld en dat om die reden geen (geregistreerde) opvang is genoten. De commissie wijst erop dat belanghebbende daartoe een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijke schade kan indienen. Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele gevolgschade. Hiervoor bestaat een procedure waarbij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) een adviserende rol vervult.

RKT en HOTHOR
Belanghebbende merkt op dat in het RKT-bestand van toeslagjaar 2007 de code ‘r1001’ te lezen valt. Zij vraagt wat dit betekent. Deze code doet haar vermoeden dat zij stond opgenomen in het HOTHOR-systeem. UHT heeft toegelicht dat zij de betekenis van de code ‘r1001’ niet kan achterhalen, maar dat dit haar conclusie over dit toeslagjaar niet verandert. Over dit jaar is immers al vooringenomenheid vastgesteld. Volgens UHT volgt uit de RKT-bestanden van de overige toeslagjaren niet dat belanghebbende de classificatie ‘HOTHOR’ heeft gehad. Daarnaast leidt deze classificatie op zichzelf niet tot de conclusie dat sprake is van voorin-genomenheid.

De Commissie overweegt dat over toeslagjaar 2007 vooringenomenheid is vastgesteld en dat de code ‘r1001’ deze conclusie niet verandert. Verder maakt de Commissie niet uit het dossier op dat belanghebbende stond opgenomen in het HOTHOR-systeem. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening
Belanghebbende stelt dat zij de compensatieberekening niet kan controleren. UHT heeft de berekening per component gecontroleerd en onderbouwd aan de hand van de onderliggende producties. UHT is tot de conclusie gekomen dat de
compensatieberekening op de juiste wijze tot stand is gekomen met uitzondering van de vergoeding voor immateriële schade en de rentevergoeding over gemiste KOT.

De Commissie onderschrijft de conclusie van UHT dat belanghebbende op de juiste wijze is gecompenseerd en dat het merendeel van de componenten correct tot stand is gekomen. ten aanzien van de vergoeding voor immateriële schade en de
rentevergoeding over gemiste KOT adviseert de commissie als volgt.

Rentevergoeding over gemiste KOT
UHT heeft de rentevergoeding over gemiste KOT gecontroleerd en is tot de conclusie gekomen dat deze component te laag is vastgesteld door het gebruik van een onjuiste start- en einddatum. Met de juiste datums komt deze component over toeslagjaar 2007 € 351 hoger uit. UHT is voornemens deze component te wijzigen bij het nemen van de beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert UHT, conform het eigen standpunt, om de rentevergoeding over gemiste KOT volgens de juiste berekening te wijzigen in het voordeel van belanghebbende en het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.

Vergoeding voor immateriële schade
UHT heeft de vergoeding voor immateriële schade gecontroleerd en is tot de conclusie gekomen dat een onjuiste start- en einddatum zijn gehanteerd.
De startdatum is in het voordeel van belanghebbende, de einddatum is in het nadeel van belanghebbende. UHT wijst erop dat deze component is gemaximeerd op de hoogte van component e. UHT is voornemens de einddatum vast te stellen op de dagtekening van de beslissing op bezwaar, omdat het bezwaar met betrekking tot de rentevergoeding over gemiste KOT gegrond wordt geacht.
De Commissie adviseert UHT, conform het eigen standpunt, om de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade vast te stellen op de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.

Belanghebbende stelt verder dat het bedrag aan vergoeding voor immateriële schade hoger zou moeten liggen. De Commissie wijst erop dat op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding bedraagt van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar.
Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. Deze bezwaarprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Hiervoor bestaat een procedure waarbij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) een adviserende rol vervult. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Aanvullende vergoeding van 1%
Nu het bezwaar met betrekking tot de vergoeding voor immateriële schade en de
rentevergoeding over gemiste KOT gegrond wordt geacht, adviseert de Commissie om de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies en het bezwaar.

Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, niet tot het door
gemachtigde gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is en het bestreden besluit dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DC I toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • Het bezwaar, gericht tegen de beschikking van 17 juni 2022 met kenmerk UHTDC I, gegrond te verklaren in die zin dat:
    • De rentevergoeding over gemiste KOT over toeslagjaar 2007 in het voordeel van belanghebbende wordt aangepast;
    • De einddatum voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt vastgesteld op de dagtekening van de beslissing op bezwaar;
    • De aanvullende vergoeding van 1% wordt aangepast.
  • De overige bezwaren ongegrond te verklaren.
  • Een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter