Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-09224

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 juni 2022 (UHT-DC-I A, UHT-DH5 A EN UHT-DC I)

Hoorzitting: 10 maart 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 12 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag met de hierboven genoemde kenmerken.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 20.441,- voor de jaren 2018 en 2019 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 en 2013.

Op 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) in werking
getreden. Gelet op de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen
geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 augustus 2020 verzocht om een herbeoordeling van
    de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012, 2013, 2018 en 2019.
  • UHT heeft bij beschikking van 23 februari 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 16 februari 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in
    haar advies geconcludeerd dat gedurende de jaren 2012 en 2013 geen sprake is
    geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen met de kenmerken UHT-DH5 A en UHTDC-I A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 en 2013.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I aan
    belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 20.441,-
    voor de jaren 2018 en 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 juli 2022, ingekomen op 13 juli 2022, tegen deze laatst vermelde beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft bij beschikking met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een
    O/GS-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van € 3.185,- voor de jaren
    2012 en 2013. Belanghebbende heeft tegen deze beschikking geen bezwaar
    gemaakt.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 26 oktober 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 19 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift en de
    daarop gegeven aanvulling.
  • Op 10 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft op 30 april 2025 een aanvullende beschouwing en producties
    ingediend.
  • Gemachtigde heeft op 15 mei 2025 schriftelijk gereageerd op de aanvullende beschouwing.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
De Commissie is ten aanzien van de motivering van de beschikkingen en de
zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek van oordeel dat, in aanmerking genomen de in de (aanvullende) beschouwing opgenomen toelichtingen en datgene wat op de hoorzitting is besproken, thans kan worden gesproken van een zorgvuldig tot stand gekomen en gemotiveerd besluit.

Toeslagjaren 2018 en 2019
Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) over de
toeslagjaren 2018 en 2019 vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld.
Hiervoor heeft UHT bij beschikking met kenmerk UHT-DC I, volgens de daarvoor
geldende algemene, “forfaitaire” en dus met vaste vergoedingen werkende regeling van de Wht, belanghebbende een compensatiebedrag toegekend van
€ 20.441,-. Het compensatiebedrag is vastgesteld aan de hand van een compensatieberekening.

Toeslagjaar 2012 en 2013
Volgens belanghebbende is ten onrechte geen compensatie toegekend voor de
toeslagjaren 2012 en 2013. Belanghebbende is per 1 juni 2012 gewisseld van
kinderopvanginstelling. Door een systeemfout van B/T is de kinderopvangtoeslag voor de eerste kinderopvanginstelling doorgelopen en is de kinderopvangtoeslag twee keer uitbetaald in de periode 1 juni 2012 tot en met 21 mei 2013. Belanghebbende stelt dat zij veelvuldig telefonisch contact heeft opgenomen met B/T over de dubbele betaling, maar zij heeft geen medewerking van B/T gekregen. Belanghebbende begrijpt dat zij de teveel ontvangen kinderopvangtoeslag moest terugbetalen, maar B/T heeft volgens haar ten onrechte geen rekening gehouden met haar persoonlijke situatie. De betalingsregeling van € 600,- per maand was zeer onredelijk. Belanghebbende heeft door de systeemfout veel financiële problemen gekregen, waardoor ook haar huwelijk is beëindigd. Belanghebbende stelt dan ook dat B/T onrechtmatig heeft gehandeld op grond van artikel 49, derde lid aanhef en onder b, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).

In de aanvullende reactie van 15 mei 2025 stelt belanghebbende dat de terugvordering in 2012 getoetst moet worden aan het zorgvuldigheidsbeginsel, maar dat dit in het bestreden besluit niet is gebeurd. Belanghebbende stelt dat artikel 26 Awir anders moet worden gelezen op basis van rechtsoverweging 4.3 van de uitspraak van 25 maart 2020 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op grond van de nieuwe “lijn” in de rechtspraak (ECLI:NL:RVS:2019:3536) heeft B/T een discretionaire ruimte bij de vaststelling van het bedrag dat wordt teruggevorderd. Dit betekent dat B/T op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtstreeks bij
het besluit betrokken belangen moet afwegen en onder bijzondere omstandigheden van terugvordering kan afzien of het terug te vorderen bedrag kan matigen.

Belanghebbende stelt verder dat UHT de O/GS-vaststelling voor de toeslagjaren 2012 en 2013 niet heeft onderbouwd en dat de daarop betrekking hebbende beschikking daarmee niet voldoet aan het zorgvuldigheids- en motiverings-beginsel. Omdat UHT niet kan onderbouwen wat de motivering is voor de O/GS-vaststelling, kan het besluit geen standhouden en moeten de fouten van B/T in de toeslagjaren 2012 en 2013 gezien worden als vooringenomen handelen van B/T.

UHT stelt dat de kinderopvangtoeslag voor de toeslagjaren 2012 en 2013 is bijgesteld naar aanleiding van de door belanghebbende geleverde informatie en door de systeemfout van B/T. In het toeslagjaar 2012 waren er drie verlagingen. De eerste betrof een wijziging in het inkomen, de tweede een stopzetting van de kinderopvangtoeslag door belanghebbende en de laatste een aanpassing conform de door belanghebbende opgestuurde jaaropgave. In 2013 vloeiden de verlagingen voort uit een stopzetting door belanghebbende, een wijziging conform het antwoordformulier en een hoger toetsingsinkomen. Het ging hier dus om reguliere correcties. Hoewel de correctie is ontstaan door de systeemfout bij B/T, betreft het volgens UHT wel een reguliere terugvordering. De hier besproken verlagingen kunnen niet worden aangemerkt als vooringenomen handelen.

Tevens was er geen onevenredige hardheid in de toeslagjaren 2012 en 2013. De teveel betaalde kinderopvangtoeslag door de systeemfout, waardoor belanghebbende teveel kinderopvangtoeslag heeft ontvangen in 2012 en 2013, mocht worden teruggevorderd.
UHT stelt hiertegenover dat B/T op grond van artikel 26 van de Awir verplicht is om een onjuist vastgesteld bedrag te corrigeren en het teveel betaalde bedrag moet
terugvorderen. UHT stelt in haar aanvullende beschouwing van 30 april 2025 dat er een betalingsregeling is getroffen met belanghebbende. Daaruit blijkt dat B/T heeft getracht een maatregel te treffen om rekening te houden met de financiële situatie van belanghebbende. Van belang is verder dat de kinderopvangtoeslag ten goede is gekomen aan belanghebbende, omdat een deel van de kinderopvang-toeslag aan haar is uitbetaald en een deel is verrekend. UHT stelt dat er dus geen bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven tot compensatie op basis van de hardheidsregeling.

UHT stelt ook dat er een onterechte O/GS-kwalificatie was, maar dat belanghebbende daarvoor is gecompenseerd. UHT heeft in haar aanvullende beschouwing toegelicht dat de beoordeling van O/GS plaatsvindt door de afdeling LIC en dat UHT ervan mag uitgaan dat deze juist is.

De Commissie overweegt het volgende. De systeemfout van B/T heeft zeer vervelende consequenties gehad voor belanghebbende. De fout is ontstaan door de aanvraag kinderopvangtoeslag van belanghebbende van 4 juni 2012 voor de nieuwe kinderopvanginstelling. B/T heeft deze wijziging behandeld als een extra aanvraag of toevoeging in plaats van een wijziging. Het is een fout, maar die kan op zichzelf niet gezien worden als vooringenomen handelen van B/T.

Voor de beoordeling van het criterium “bijzondere omstandigheden” van de
hardheidsregeling geldt het volgende. Op grond van artikel 3:4, tweede lid, Awb mogen de nadelige gevolgen van een besluit tot terugvordering voor belanghebbende niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen belang. Op grond van de genoemde uitspraak van 25 maart 2020 van de Afdeling moet B/T meer mogelijkheden krijgen om in individuele gevallen maatwerk te leveren. UHT heeft beoordeeld of er een bijzondere omstandigheid op grond van hardheid aanwezig was en heeft in haar beoordeling betrokken dat de kinderopvangtoeslag ten goede is gekomen aan belanghebbende omdat de kinderopvangtoeslag is uitbetaald aan belanghebbende en voor een deel is verrekend. De ‘hardheidstoets’ die UHT heeft aangelegd op basis van de
Wht staat op één lijn met de toets die de Afdeling in de uitspraak van 25 maart 2020 heeft toegepast. Van belang is ook dat er een betalingsregeling is aangeboden. De Commissie is het eens met het standpunt van UHT en acht de terugvordering niet onevenredig.

Belanghebbende heeft voor de toeslagjaren 2012 en 2013 een O/GS-tegemoetkoming ontvangen. Op grond van artikel 2.6 Wht heeft belanghebbende recht op deze tegemoetkoming vanwege de onterechte O/GS-kwalificatie en omdat er geen (ruimere) persoonlijke betalingsregeling is toegekend.

Aanvullende immateriële schadevergoeding
Op grond van artikel 2.1 lid 3 Wht is het niet mogelijk om een hogere schadevergoeding toe te kennen dan die met het vaste (“forfaitaire”) bedrag. Wel biedt de Wht de mogelijkheid om voor de werkelijk geleden schade een verzoek om aanvullende compensatie in te dienen. Een dergelijk verzoek om aanvullende schade dient te worden voorgelegd aan de Commissie Werkelijke Schade. Dit volgt uit artikel 5.2 Wht.

Proceskostenvergoeding
De Commissie adviseert om de bestreden beschikkingen in stand te laten.
Zij adviseert om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • de bestreden beschikkingen van 14 juni 2022 met de kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-DC I in stand te laten;
  • het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter