Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-09203

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 21 juni 2022 (UHT-DC-I A)
21 juni 2022 (UHT-DH5 A)

Hoorzitting: 8 november 2024 om 14:00 uur

Overdracht aan UHT: 26 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te
kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende
bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen
compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) geen compensatie toegekend voor het jaar 2012.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 10 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van
    de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2013.
    De herbeoordeling is beperkt tot het toeslagjaar 2012, omdat in de overige jaren
    geen KOT door belanghebbende is aangevraagd.
  • UHT heeft bij beschikking van 10 maart 2022 aan belanghebbende
    medegedeeld dat hij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 7 juni 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
    geadviseerd dat gedurende het toeslagjaar 2012 geen sprake is geweest van
    institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikkingen van 21 juni 2022 met kenmerken UHT-DCI A en UHT-DH5 A aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2012 geen compensatie toegekend noch op grond van vooringenomenheid noch op grond van hardheid.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 20 juli 2022 tegen deze beschikkingen een
    bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft op 21 maart 2023 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 3 oktober 2023 schriftelijk gereageerd.
  • Op 8 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Naar aanleiding van een verzoek van de Commissie ter zitting heeft gemachtigde op 20 januari 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. UHT heeft hier op 29 januari 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

Procedurele bezwaren

Onderliggend dossier
Belanghebbende verzoekt om de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten.

De beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 24 januari 2024 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2012

De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Beoordeling vooringenomenheid en hardheid 2012
Belanghebbende voert aan dat de stopzetting van de KOT door de Belasting-dienst/Toeslagen (hierna: B/T) getuigt van zowel vooringenomenheid als
hardheid.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutionele vooringenomen handelwijze of van hardheid door B/T.
UHT voert, onder verwijzing naar de stukken in het dossier, aan dat er in het toeslagjaar 2012 geen sprake is van vooringenomenheid, aangezien de correcties van de KOT voor dit jaar zijn gebaseerd op een stopzetting die door of namens belanghebbende is doorgegeven (productie 16), en op het aantal daadwerkelijk genoten opvanguren zoals verstrekt door de kinderopvanginstelling (productie 19). Volgens UHT is er bovendien geen recht op compensatie op grond van de hardheidsregeling, omdat geen sprake is geweest van bijzondere omstandigheden.

Belanghebbende stelt zich daarentegen op het standpunt dat de KOT 2012 aan zijn expartner is uitbetaald, maar van hem is teruggevorderd. Er zou daarom sprake zijn van hardheid. De Commissie merkt op dat de uitbetalingen van de KOT 2012 hebben plaatsgevonden in de maanden maart, april en mei 2012. De beschikking waarmee het recht op KOT over die maanden werd vastgesteld, is op naam van belanghebbende gesteld. Belanghebbende heeft toegelicht dat hij en zijn ex-partner in februari 2012 uit elkaar zijn gegaan en dat de echtscheiding in september 2012 is uitgesproken. Gezien deze omstandigheden, is de Commissie van oordeel dat er voor B/T in beginsel geen aanleiding was om de uitbetalingen op een ander bankrekeningnummer te laten plaatsvinden of de terugvordering bij de ex-partner te laten plaatsvinden. Van hardheid is onder deze omstandigheden naar het oordeel van de Commissie geen sprake. De Commissie acht dit bezwaar-onderdeel derhalve ongegrond.

Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat bij de behandeling van de KOT voor het toeslagjaar 2012 ervan kan worden uitgegaan dat sprake is geweest van reguliere wijzigingen. De op dit punt ontwikkelde bezwaren kunnen daarom niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden.

Beoordeling O/GS-tegemoetkoming 2012
Belanghebbende stelt dat hij in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoet-koming, omdat meerdere keren om een betalingsregeling is verzocht, maar deze telkens door B/T is geweigerd.

De Commissie stelt voorop dat in productie 21 van het dossier is vermeld dat er in het toeslagjaar 2012 geen sprake is geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie. Ook volgt uit productie 20 dat bij B/T geen aanvraag voor een betalingsregeling bekend is. De Commissie heeft belanghebbende niettemin in de gelegenheid gesteld om zijn stelling dat er verschillende keren een betalingsregeling is geweigerd na de zitting nader te onderbouwen aan de hand van relevante bescheiden. Gebruikmakend van die geboden gelegenheid heeft gemachtigde op 20 januari 2025 onder andere een beklagschrift gericht aan het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden overgelegd, dat betrekking heeft op de ex-partner van belanghebbende.

Naar opvatting van de Commissie ontbreekt hiermee echter nog steeds een concrete en deugdelijke onderbouwing van de gestelde weigering van betalingsregelingen. Ook de overige bescheiden die gemachtigde in dit verband heeft overgelegd maken de ter zake opgeworpen stelling niet aannemelijk. Hoewel de Commissie uit het betoog van belanghebbende afleidt dat hij de nodige (financiële) problemen heeft ondervonden, ligt in deze procedure de vraag voor of aannemelijk is dat die problemen hun oorzaak vinden in de wijze waarop belanghebbende als aanvrager van KOT door B/T is behandeld.
Daarover is onvoldoende komen vast te staan. De slotsom is dat niet aannemelijk is geworden dat B/T verzoeken van belanghebbende om een betalingsregeling heeft afgewezen. Gelet op deze stand van zaken kan de Commissie dan ook niet anders dan UHT adviseren ook op dit punt het bezwaar ongegrond te verklaren.

Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daar komt bij dat naar aanleiding van de hoorzitting een hernieuwde zoekslag heeft plaatsgevonden op basis van de toelichting die belanghebbende heeft gegeven. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikkingen leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Proceskostenvergoeding
Aangezien de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen dus niet te herroepen, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie en advies

Samengevat adviseert de Commissie UHT om de bezwaren ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter