Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-08963

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 3 juni 2022 (UHT-DC-I A en UHT-DH5 A)

Overdracht aan UHT: 10 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 3 juni 2022.


Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 en 2010.


Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 15 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van
    de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2012. In
    overleg met belanghebbende zijn de jaren 2009 en 2010 beoordeeld.
  • UHT heeft bij beschikking van 23 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- ingevolge de
    Catshuisregeling. Dat bedrag is aan belanghebbende betaald.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 19 mei 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
    geadviseerd dat gedurende de jaren 2009 en 2010 geen sprake is geweest van
    institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikkingen van 3 juni 2022 aan belanghebbende
    medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 en
    2010.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 6 juli 2022 tegen deze beschikking een
    bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft in een e-mail van 3 mei 2023 aan de Commissie bericht dat hij zich heeft onttrokken als gemachtigde van belanghebbende.
  • Belanghebbende heeft in een e-mail van 4 oktober 2023 de gronden van het
    bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 24 november 2023 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Belanghebbende heeft in een e-mail van 18 januari 2024 aan de Commissie bericht dat hij afziet van het recht om te worden gehoord.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2009 en 2010 af te wijzen.

Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende verzoekt om aan hem alle (relevante) stukken te verstrekken,
waaronder ook kopieën van de correspondentie, mailtjes en faxen tussen hem
en B/T.

Ingevolge artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft
belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. UHT heeft gedurende de bezwaarprocedure het bezwaardossier overgelegd en op 13 december 2023 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie stelt vast dat belanghebbende hiermee beschikt over de relevante stukken. UHT is niet gehouden gedurende deze
bezwaarprocedure het persoonlijk dossier aan belanghebbende te verstrekken.

Onzorgvuldige besluitvorming
Belanghebbende voert verder aan dat de bestreden besluiten zijn genomen op grond van beperkte gegevens. De persoonlijk zaakbehandelaar van belanghebbende had niet de beschikking over alle gegevens maar alleen over een beperkt deel van de stukken (de uitbetalingen en berekeningen van de toeslagen en de door belanghebbende doorgegeven salarisgegevens).

De Commissie begrijpt dit bezwaar van belanghebbende als een beroep op het
zorgvuldigheidsbeginsel omdat bij de voorbereiding en totstandkoming van de bestreden beschikkingen niet de vereiste zorgvuldigheid in acht is genomen.
De Commissie volgt belanghebbende hierin niet. UHT heeft in haar beschouwing
verwezen naar alle stukken waarop de bestreden besluiten zijn gebaseerd. Het gaat daarbij niet alleen om de betaal- en verrekenoverzichten, maar om meer stukken zoals alle voorschotbeschikkingen, correspondentie en het ouderverhaal van belanghebbende zoals opgenomen in het informatie- en beoordelings-formulier. De Commissie concludeert dat de bestreden besluiten zorgvuldig zijn voorbereid. Dit bezwaar kan daarom niet slagen.

Afgewezen jaren
Belanghebbende voert aan, samengevat, dat B/T hem voortdurend vroeg om informatie aan te leveren die hij al eerder had aangeleverd. Omdat B/T daarop telkens aangaf dat de aangeleverde informatie niet genoeg was, zorgde dat bij belanghebbende en zijn gezin voor veel stress waarop belanghebbende besloot de KOT stop te zetten.
Belanghebbende stelt te zijn gedupeerd omdat hij het volledige bedrag aan KOT moest terugbetalen.


De Commissie overweegt als volgt.
Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.

In het informatie- en beoordelingsformulier (productie 27) is voor de toeslagjaren 2009 en 2010 uitgebreid beschreven en toegelicht welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in de KOT hebben plaatsgevonden.
Voor wat betreft toeslagjaar 2009 geldt dat de KOT is aangevraagd op 3 maart 2009 en is toegekend bij voorschotbeschikking van 18 maart 2009 voor de periode 6 februari tot en met 31 december 2009. Het toegekende voorschot is vervolgens neerwaarts gecorrigeerd vanwege een lager aantal opvanguren (beschikking van 21 april 2009).
De daaropvolgende opwaartse bijstelling en neerwaartse bijstelling van de KOT
(beschikking van 8 juli 2009 respectievelijk 1 sept 2010) is het gevolg van een hoger aantal opvanguren respectievelijk een lager toetsingsinkomen.
Voor wat betreft toeslagjaar 2010 geldt dat de KOT (na automatische continuering)
neerwaarts is gecorrigeerd vanwege een lager aantal opvanguren en een lager
toetsingsinkomen. Als gevolg van de stopzetting van de KOT door belang-hebbende met ingang van 9 mei 2010 is de KOT vervolgens bijgesteld naar €3.596,- (belnotitie, productie 2). Vervolgens is dit bedrag op basis van de gegevens die de kinderopvanginstelling heeft doorgegeven over de einddatum van de opvang van de kinderen verhoogd naar € 3.600,- (productie 22 en 23).
Deze informatie is door belanghebbend bevestigd in het door hem ingevulde antwoordformulier van 8 juli 2010 (productie 19). Als gevolg van een hoger toetsingsinkomen is het definitieve bedrag van de KOT ten slotte bijgesteld naar
€ 3.555,-.

Geplaatst tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden ziet de Commissie onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2009 en 2010 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De correcties die door B/T zijn doorgevoerd zijn reguliere bijstellingen. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.


De Commissie heeft, ook in de stelling van belanghebbende dat hij de KOT heeft
stopgezet omdat hij voortdurend informatie moest aanleveren bij B/T die hij al eerder had aangeleverd, geen aanknopingspunten gevonden om hierover anders te oordelen.

Ten overvloede merkt de Commissie nog op dat zij in het dossier evenmin
aanknopingspunten heeft gevonden voor het standpunt van belanghebbende dat hij de toegekende KOT volledig moest terugbetalen. Volgens de berekeningen van B/T heeft belanghebbende uiteindelijk bedragen van €134,- (2009) resp. van
€ 45,- (2010) moeten terugbetalen. Die bedragen zijn ook terug te vinden in de LIC-overzichten over de jaren 2009 en 2010 (producties 28 en 29). De Commissie gaat ervan uit dat de terugbetalingen van de KOT tot die bedragen zijn beperkt gebleven.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de bestreden besluiten te herroepen, is er geen
aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en een vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter