Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-08939

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten:

3 juni 2022 (UHT-DC I)
3 juni 2022 (UHT-DC-I A)
3 juni 2022 (UHT-DH5 A)

Ontvangst bezwaarschrift: 13 juli 2022

Hoorzitting: 5 december 2024

Overdracht advies aan UHT: 12 februari 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar in de onderhavige zaak gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden besluiten met kenmerken UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DH5 A op onderdelen te herroepen en aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde, namens de belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikkingen van 3 juni 2022 met kenmerken UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DH5 A.
Met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) is belanghebbende bij voornoemde beschikkingen van 3 juni 2022 medegedeeld dat hij over de toeslagjaren 2011, de maanden januari tot en met september 2012, 2014 en de maanden 1 januari tot en met 3 maart 2015 recht heeft op compensatie op grond van vooringenomenheid en dat belang-hebbende geen recht heeft op compensatie over de maanden oktober tot en met december 2012, 2013 en de maanden 4 maart tot en met 31 december 2015.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 6 april 2020 een herbeoordelingsverzoek ingediend voor de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2011 tot en met 2015.
  • Bij beschikking van 23 juni 2021, met kenmerk UHT-B DMB2, heeft UHT aan
    belanghebbende medegedeeld dat hij recht heeft op een forfaitair compensatie-bedrag van € 30.000 ingevolge de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 november 2021 aan UHT verstuurd. CvW heeft - kort
    samengevat - geoordeeld dat belanghebbende over de maanden oktober tot en met december van het toeslagjaar 2012, voor het toeslagjaar 2013 en de maanden 4 maart tot en met 31 december van het toeslagjaar 2015 niet in aanmerking komt voor compensatie op basis van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel.
  • Bij vooraankondiging compensatie KOT van 31 maart 2022 (kenmerk UHT-VC I) over de toeslagjaren 2011, 2012, 2014 en 2015 is belanghebbende medegedeeld dat in het verleden fouten zijn gemaakt en belanghebbende recht heeft op een voorlopig compensatiebedrag van € 32.834. Omdat het aanvullende bedrag hoger is dan het reeds toegekende bedrag, krijgt belanghebbende een aanvullend bedrag van € 2.834 uitbetaald.
  • Bij definitieve beschikking compensatie KOT van 3 juni 2022 (kenmerk UHT-DC I) is het definitieve compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2011, 2012 (januari tot en met september), 2014 en 2015 (1 januari tot en met 3 maart) vastgesteld op € 33.134. Omdat het definitieve bedrag hoger is dan het reeds toegekende voorlopige compensatiebedrag van € 32.834, krijgt belanghebbende een aanvullend bedrag van € 300 uitbetaald.
  • Bij definitieve beschikking afwijzing compensatie KOT van 3 juni 2022 (kenmerk UHTDC- I A) is belanghebbende medegedeeld dat hij voor wat betreft de toeslagjaren 2012 (oktober tot en met december), 2013 en 2015 (4 maart tot en met 31 december) niet in aanmerking komt voor een compensatie op grond van vooringenomenheid.
  • Bij beschikking herbeoordeling KOT van 3 juni 2022 (kenmerk UHT-DH5 A) is
    belanghebbende medegedeeld dat hij voor wat betreft de toeslagjaren 2012 (oktober tot en met december), 2013 en 2015 (4 maart tot en met 31 december) niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van hardheid van het stelsel.
  • Bij definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld van 11 juli 2022
    (kenmerk UHT-O OGS B) is een O/GS-tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2012, 2013 en 2015 vastgesteld op € 4.850.
  • Bij brief van 11 juli 2022, binnengekomen 13 juli 2022, heeft de gemachtigde namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikkingen met kenmerken UHT-DC I A, UHT-DH5 A en UHT-DC I.
  • Op 30 augustus 2023 heeft de gemachtigde zich gesteld als gemachtigde.
  • Bij brief van 14 september 2023 heeft de gemachtigde namens belanghebbende een aanvullend bezwaarschrift ingediend.
  • Op 25 maart 2024 heeft UHT schriftelijk gereageerd op de bezwaargronden van belanghebbende.
  • Bij e-mail van 8 oktober 2024 heeft de gemachtigde aanvullende stukken toegestuurd.
  • Op 5 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden, heeft het bezwaar behandeld en het navolgende advies uitgebracht.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

Zorgvuldigheids-en motiveringsgebrek
Belanghebbende stelt dat de beschikkingen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen en onvoldoende zijn gemotiveerd. De Commissie deelt het standpunt van UHT ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Weliswaar heeft UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikking niet voldoende toegelicht, maar door middel van het indienen van de schriftelijke beschouwing, een uitgebreide uitleg met behulp van overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) en overige producties zijn de bestreden besluiten voldoende onderbouwd. Voor zover de bestreden beschikkingen onvoldoende waren gemotiveerd, geldt de beschouwing van UHT als aanvulling hierop. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

De compensatieberekening
UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing een nieuwe compensatieberekening gepresenteerd en per component toegelicht hoe de definitieve compensatie tot stand is gekomen en wat de uitkomst is van de heroverweging in bezwaar. Bij de compensatieberekening zouden enkele componenten omhoog en andere omlaag aangepast moeten worden. Zo zijn voor 2012 de componenten a, c, e, g, h en o niet juist vastgesteld. Voor 2014 is de component o niet juist vastgesteld en voor 2015 zijn de componenten a, c, e, f, h en o niet juist vastgesteld. De Commissie stelt vast dat belanghebbende tegen de aanpassing van deze componenten geen
bezwaar heeft gemaakt.

2011
UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing geconcludeerd dat over het toeslagjaar 2011 geen recht op compensatie bestaat. UHT is van mening dat de compensatie voor dit toeslagjaar ten onrechte is toegekend aangezien de verlaging van de KOT van € 19.645 naar € 4.593 correct is vastgesteld op basis van de jaaropgaven die belanghebbende op 16 oktober 2014 heeft overgelegd. De aangeleverde gegevens zijn correct verwerkt in de beschikking van 6 februari 2015. UHT stelt dat in 2011 geen sprake is van vooringenomenheid (of hardheid), omdat de verlaging van de KOT is gebaseerd op reguliere wijzigingen. Dit in tegenstelling tot eerdere
beoordelingen in het dossier, waarin werd gesteld dat in het toeslagjaar 2011 wel sprake was van vooringenomenheid.

Daarnaast merkt UHT op dat, indien geen sprake is van vooringenomenheid, belanghebbende mogelijk in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming, maar dat deze tegemoetkoming volgens haar berekening niet zou leiden tot een hogere compensatie. Volgens UHT kan op grond van deze ambtshalve beoordeling geconcludeerd worden dat belanghebbende in totaal een hoger bedrag heeft ontvangen dan waarop hij volgens de Wht recht heeft.

UHT wijst vervolgens op het verbod op reformatio in peius, hetgeen inhoudt dat
belanghebbende door het indienen van het bezwaar niet in een nadeligere positie mag worden gebracht dan zonder bezwaar. Om deze reden laat UHT het bestreden compensatiebedrag ongewijzigd. Gemachtigde heeft aangegeven dat belanghebbende, mede door de ambtshalve heroverweging in de schriftelijke beschouwing, volledig het vertrouwen in de overheid heeft verloren. Belanghebbende heeft immers geen bezwaren met betrekking tot het toeslagjaar
2011 ingebracht. Volgens belanghebbende mag een heroverweging in dit geval niet leiden tot een terugdraaiing van het oorspronkelijke besluit.

De Commissie is van oordeel dat het jaar 2011 in deze bezwaarprocedure buiten beschouwing dient te blijven, aangezien tegen dat jaar geen bezwaren zijn ingediend en er ook geen aanleiding is om het besluit aan te passen in het voordeel van de bezwaarmaker buiten de aangevoerde gronden, zoals bedoeld in de toelichting bij artikel 3.6 bij het Besluit Beleid procesrecht herstel toeslagen (Stcrt. 2024, nr. 21683). Bij de herberekening van het besluit op bezwaar dient derhalve te worden uitgegaan van het compensatiebedrag over het jaar 2011 dat in het besluit in primo is opgenomen.

2012
Belanghebbende betwist dat sprake was van evident geen recht op KOT in de maanden oktober tot en met december 2012. De compensatie voor deze maanden werd afgewezen omdat belanghebbende werkloos zou zijn geweest en geen kinderopvang zou hebben afgenomen. Daarnaast heeft de gemachtigde op 8 oktober 2024 aanvullende stukken ingediend waaruit blijkt dat de ex-partner van belanghebbende in 2012 verschillende ondernemingsactiviteiten heeft verricht, zoals het geven van taalcursussen in april 2012. Tijdens de hoorzitting is bovendien naar voren gekomen dat zij ook andere werkzaamheden verrichtte, zoals catering en postbezorging. Voor deze activiteiten zijn echter geen bewijsstukken overgelegd. Wel heeft de gemachtigde een document ingediend waaruit blijkt dat de ex-partner sinds 18 september 2009 ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel en dat zij in juni 2012 producten heeft verkocht op naam van haar bedrijf.

UHT heeft bevestigd dat zij een fout heeft gemaakt: het was niet belanghebbende, maar zijn ex-partner, die vanaf 1 juli 2012 werkloos was. Zij had recht op drie maanden doorwerking van de KOT, tot 1 oktober 2012. Uit de UWV-viewer blijkt dat de ex-partner van belanghebbende per 1 december 2012 weer aan het werk is gegaan, waardoor in de maand december 2012 wél recht op KOT bestond.

De Commissie heeft de ingediende stukken in overweging genomen, maar deelt de conclusie van UHT dat deze stukken onvoldoende het recht op KOT over de maanden oktober en november van het toeslagjaar 2012 onderbouwen, en derhalve onvoldoende bewijs vormen voor het vaststellen van het recht op KOT voor de maanden oktober en november 2012.


Met betrekking tot het standpunt van belanghebbende dat zijn ex-partner in het toeslagjaar 2012 een opleiding volgde en beiden om die reden in aanmerking komen voor compensatie, volgt de Commissie belanghebbende niet. Uit de aanvullende stukken blijkt dat de ex-partner van belanghebbende inderdaad ingeschreven stond bij het [naam] van 12 maart 2012 tot en met 19 april 2012, maar gedurende deze periode geen onderwijs heeft gevolgd vanwege werkverplichtingen. Daarnaast blijkt uit de stukken dat zij van 23 mei 2012 tot en met 14 september 2012 werkzaam was. Gezien het feit dat zij niet tot de doelgroep van de KOT behoorde, is er geen recht op KOT in de maanden oktober en november. De Commissie adviseert om dit gedeelte van het bezwaar ongegrond te verklaren.


De Commissie adviseert dan ook om het bezwaar met betrekking tot het jaar 2012 alleen en voor zover betrekking hebbend op de maand december 2012, gegrond te verklaren.

2013
Belanghebbende stelt dat B/T in het toeslagjaar 2013 de KOT heeft stopgezet op basis van het uitblijven van een reactie van zijn zijde, zoals zou blijken uit de toelichting “aanvraag stoppen na geen reactie”. Tijdens de hoorzitting heeft de gemachtigde van belanghebbende aangegeven dat belanghebbende betreurt dat hij zelf zou hebben bijgedragen aan de stopzetting van de KOT in dat jaar. Belanghebbende heeft tevens verklaard dat dit niet zijn intentie was en dat hij van mening is dat hij alsnog recht heeft op compensatie voor het toeslagjaar 2013.

UHT is van mening dat de KOT 2013 volledig is stopgezet naar aanleiding van het
antwoordformulier van 29 april 2014, waarin belanghebbende zelf heeft verklaard geen kinderopvang te hebben afgenomen in 2013. Deze verklaring heeft geresulteerd in de nihilbeschikking van 13 februari 2015. De verwijzing naar een interne stopmelding van 15 mei 2014 met de omschrijving “aanvraag stoppen na geen reactie btsl 4” is onjuist, aangezien deze melding betrekking heeft op de KOT over het jaar 2012 en niet op het toeslagjaar 2013. De interne melding ziet specifiek op een stopzetting van de KOT per 1 januari 2012 en heeft derhalve geen rol gespeeld bij de stopzetting van de KOT voor 2013.

De Commissie concludeert dat de nihilbeschikking het gevolg is van de eigen opgave van belanghebbende. De Commissie maakt uit de onderliggende stukken op dat belanghebbende over 2013 geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang en daarom evident geen recht heeft op KOT. Belanghebbende is door B/T in de gelegenheid gesteld om te reageren en heeft verder niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat hij wel geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen en dat hij en zijn partner aan de andere voorwaarden van de KOT voldeden. De Commissie stelt vast dat belanghebbende niet heeft betwist dat de
uitbrieven van B/T zijn ontvangen en dat belanghebbende destijds na de door belanghebbende gememoreerde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
9 mei 2018, geen verdere actie heeft ondernomen. Concluderend adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

2015
Belanghebbende heeft in het toeslagjaar 2015 compensatie ontvangen voor de periode van 1 januari tot en met 3 maart 2015. Belanghebbende stelt echter dat hij ook recht heeft op compensatie over de periode van 4 maart 2015 tot en met december 2015.

Uit de stukken blijkt dat belanghebbende destijds een herzieningsverzoek heeft ingediend waarin is aangegeven dat hij per 3 december 2014 werkloos is geworden. Conform artikel 1.6 lid 5 van de Wet kinderopvang (Wko) bestaat na werkloosheid nog drie maanden recht op KOT. Dit betekent dat belanghebbende recht had op KOT tot en met 3 maart 2015. Vanaf 4 maart 2015 had belanghebbende terecht geen recht meer op KOT. De tijdens de hoorzitting
aangevoerde gronden dat de ex-partner van belanghebbende mogelijk verschillende ondernemingsactiviteiten heeft verricht en een opleiding tot apothekersassistente volgde in het desbetreffende jaar, heeft belanghebbende onvoldoende onderbouwd om te concluderen dat belanghebbende recht zou hebben op KOT. Bovendien constateert de Commissie dat de ingediende aanvullende stukken betrekking hebben op de ondernemingsactiviteiten van de expartner in het toeslagjaar 2013 en niet op het toeslagjaar 2015. Gelet op het bovenstaande adviseert de Commissie het bezwaar met betrekking tot het jaar 2015 ongegrond te verklaren.

Ambtshalve beoordeling compensatie toeslagjaren 2012, 2014 en 2015
UHT heeft in haar beschouwing gesteld dat voor het jaar 2012 de volgende componenten niet juist zijn vastgesteld: a, c, e, g, h en o. Voor het jaar 2014 de volgende component niet juist is vastgesteld: o (rente) en voor het jaar 2015 de volgende componenten niet juist zijn vastgesteld: a, c ,e ,f ,h en o. Dit is niet bestreden door belanghebbende, derhalve adviseert de Commissie deze componenten conform de bijlage compensatieberekening bij de beschouwing aan te passen.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en het bestreden besluit dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie aan UHT om:

  • de bestreden besluiten met kenmerken UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DH5 A op onderdelen te herroepen;
  • de overige bezwaren ongegrond te verklaren;
  • en om het verzoek om een vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter