Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-08870

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten:
26 mei 2022 (UHT-DC I)
26 mei 2022 (UHT-DHR)
26 mei 2022 (UHT-DH5 A)
26 mei 2022 (UHT-DC-I A)

Ontvangst bezwaarschrift: [dd-mm-jj]

Hoorzitting: 20 december 2024 om 14:00 uur

Overdracht aan UHT: 7 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om toekenning
van een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 26 mei 2022 genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met kenmerken UHT-DC I, UHT-DHR, UHT-DH5 A en UHT-DC-I A (hierna ook te noemen: de bestreden beschikkingen).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 18.217, in het kader van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000 voor de jaren 2013 en 2014 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2015.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 7 januari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2013 tot en met 2015.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 16 december 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende het jaar 2015 geen sprake is geweest
    van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen van 26 mei 2022 (met kenmerken:
    UHT-DC I en UHT-DHR) aan belanghebbende een compensatie toegekend voor
    een bedrag van € 30.000 voor het jaar 2013 en de periode van 1 januari tot en
    met 27 augustus 2014 vanwege vooringenomenheid en voor de periode van
    28 augustus tot en met 31 december 2014 vanwege hardheid van het stelsel.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen van 26 mei 2022 (met kenmerken:
    UHT-DH5 A en UHT-DC-I A) aan belanghebbende geen compensatie toegekend
    voor het jaar 2015.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 juli 2022, ingekomen op 7 juli 2022, tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft bij beschouwing gedateerd 9 juli 2024 schriftelijk gereageerd op het
    bezwaarschrift.
  • Op 20 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 20 januari 2025
    een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft daar op 24 januari 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2013 en 2014 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belang-hebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2015 af te wijzen.

Indienen zienswijze, overleggen volledig dossier en equality of arms
Belanghebbende stelt dat zij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze in te dienen. Zij heeft aangegeven eerst de benodigde stukken van UHT te willen ontvangen voordat zij een zienswijze zou indienen. Desondanks heeft UHT een definitief besluit genomen.

De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen.
De Commissie stelt vast dat gemachtigde op 14 oktober 2024 in het bezit is gesteld van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belang-hebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest voor de door UHT genomen beschikkingen. De Commissie ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) zou zijn geschonden. De Commissie is van oordeel dat de door belanghebbende in dit verband ontwikkelde bezwaren dan ook geen doel treffen.

Afwijzing compensatie voor het toeslagjaar 2015
Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor het toeslagjaar 2015. Zij stelt dat zij in dat jaar gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en KOT heeft aangevraagd, maar deze niet heeft ontvangen. Bovendien wijst zij op de inconsistentie met het jaar 2014, waarin hardheid is aangenomen. UHT stelt dat belanghebbende vanwege haar verblijfstatus geen aanspraak kon maken op KOT en deze daarom niet heeft ontvangen.
Hierdoor komt belanghebbende volgens UHT niet in aanmerking voor de Compensatieregeling.

Op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt, in de kern samengevat, voor een
compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel
vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of van
bijzondere hardheid.

De Commissie stelt voorop dat zij aannemelijk acht dat belanghebbende in 2015 kinderopvang afnam en dat zij in dit jaar – net als in 2014 – studiefinanciering ontving. Verder staat niet ter discussie dat belanghebbende voor toeslagjaar 2015 KOT heeft aangevraagd en herhaaldelijk contact heeft gezocht met B/T over de toekenning. Uit de beschikbare stukken blijkt dat de aanvraag is tegengehouden vanwege ‘toezicht’. Op zichzelf is het instellen van een (extra) controle of het tussentijds opvragen van gegevens onvoldoende om te concluderen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard is geweest. Daarvoor is meer nodig.

Op 25 april 2016 heeft B/T in een systeemnotitie opgenomen dat belanghebbende vanaf 28 augustus 2014 niet meer beschikte over een geldige verblijfsstatus. Er is uiteindelijk geen KOT toegekend.

De Commissie merkt op dat niet in geschil is dat in het toeslagjaar 2015 geen sprake was van een geldige verblijfstitel. Gelet op het bepaalde bij artikel 9, lid 1, van de Awir staat en stond het ontbreken van een geldige verblijfstitel eraan in de weg dat belanghebbende met kans op succes in de hier relevante periode KOT kon aanvragen. Aangezien aldus niet is voldaan aan een essentieel vereiste voor het kunnen verkrijgen van KOT, kwalificeert dit als een ernstige onregelmatigheid die toekenning van compensatie in de weg staat. Dat belanghebbende overigens aan alle voorwaarden voor KOT voldeed, doet daar niet aan af. De vraag of B/T vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard is geweest, kan dan in het midden blijven. Door belanghebbende is niet gesteld dat die onregelmatigheid in dit geval niet aan haar kan worden toegerekend. Ook in het dossier heeft de Commissie onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het trekken van een dergelijke conclusie. Zo blijkt bijvoorbeeld niet dat B/T ten tijde van de toekenning in 2014 al op de hoogte was van het vervallen van de verblijfstitel, met als gevolg dat bij belanghebbende vertrouwen zou kunnen zijn gewekt.

Anders dan belanghebbende stelt is, naar het oordeel van de Commissie, niet sprake van een inconsistentie met het standpunt dat UHT inneemt ten opzichte van het toeslagjaar 2014. In het laatstgenoemde jaar heeft UHT hardheid aangenomen omdat werd besloten de onterecht ontvangen KOT terug te vorderen, met als gevolg dat belanghebbende die achteraf moest terugbetalen.
De gevolgen van die beslissing acht UHT – althans zo begrijpt de Commissie de toelichting zoals o.a. opgenomen in productie 6 en 7 – in het licht van alle omstandigheden te hard. In 2015 is daarentegen geen KOT toegekend en is
ook geen beslissing tot terugvordering genomen. Beide jaren verschillen daarom, in betekenende mate, in de manier waarop het handelen van B/T heeft uitgewerkt. Het zijn daarmee geen vergelijkbare gevallen voor de hardheidsregeling.

Op basis van het bovenstaande kan de Commissie UHT volgen in haar stelling dat
belanghebbende voor het toeslagjaar 2015 niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht en adviseert zij UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Herbeoordeling 2016
Belanghebbende betoogt in haar bezwaar dat zij ook voor 2016 compensatie dient te ontvangen.

De Commissie stelt vast dat het oorspronkelijke verzoek om herbeoordeling van
belanghebbende uitsluitend betrekking had op de toeslagjaren 2013 tot en met 2015. Er zijn geen, althans onvoldoende, aanwijzingen dat het verzoek ook het jaar 2016 omvatte. Tijdens het gesprek met de persoonlijk zaakbehandelaar is bovendien niet gebleken dat andere jaren in de beoordeling moesten worden betrokken. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat UHT ten onrechte heeft nagelaten om overige (toeslag)jaren in de herbeoordeling te betrekken en dat de bestreden beschikkingen om die reden moeten worden herroepen.

Belanghebbende stelt dat zij in 2016 eveneens opvang heeft afgenomen, maar geen KOT heeft ontvangen. Tijdens de hoorzitting verklaarde gemachtigde dat het
herbeoordelingsverzoek door de gemeente is ingediend en dat belanghebbende zichzelf niet heeft aangemeld voor de herbeoordeling. UHT heeft inmiddels toegezegd het jaar 2016 op verzoek van belanghebbende alsnog te (her)beoordelen en hiervoor intern actie te ondernemen. Hiermee komt UHT tegemoet aan het verzoek van belanghebbende.

Aangezien het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikkingen de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheid om het jaar 2016 (alsnog) in haar advisering te betrekken.
De Commissie kan daarover eventueel pas een advies uitbrengen als UHT na herbeoordeling van dit jaar een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen.


De compensatieberekening
Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift heeft UHT de compensatie-berekening nogmaals tegen het licht gehouden en vastgesteld dat de componenten f en o van de berekening onjuist zijn. Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde gesteld dat ook component b met betrekking tot het jaar 2014 onjuist is.

KOT nadat deze onterecht naar beneden werd aangepast (component b)
Gemachtigde stelt dat het bedrag dat onder component b moet worden opgenomen over 2014 € 6.470 bedraagt. UHT is echter van mening dat het juiste bedrag € 9.864 is.

De Commissie overweegt dat uit de stukken blijkt dat de vooringenomen handeling van de B/T bestond in het ambtshalve stopzetten van de lasten voor de BSO op 2 januari 2014. Deze verwerking leidde ertoe dat de KOT op 22 januari 2014 (onterecht) werd verlaagd naar € 9.864. De tweede verlaging, die plaatsvond bij de vaststelling van de definitieve KOT van 7 januari 2016, hield verband met het feit dat belanghebbende vanaf 28 augustus 2014 niet langer tot de doelgroep behoorde en geen recht meer had op KOT. Deze correctie kan worden aangemerkt als regulier en in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving. De terugvordering is vervolgens verrekend. De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om de toelichting van UHT in haar aanvullende schriftelijke beschouwing op dit punt voor onjuist te houden en adviseert het bedrag van € 9.864 in stand te laten.

Verschil met de laatst vastgestelde beschikking KOT (component f)
UHT stelt dat bij het vaststellen van het verschil met de laatst vastgestelde beschikking KOT voor de jaren 2013 en 2014 ten nadele van belanghebbende van een onjuist bedrag is uitgegaan. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel in de compensatieberekening bij de beslissing op bezwaar in het voordeel van belanghebbende aan te passen in lijn met haar toezeggingen op dit punt in haar schriftelijke beschouwing en de compensatie dienovereenkomstig opnieuw te berekenen.


Rentevergoeding over de gemiste KOT (component o)
UHT komt tot de conclusie dat de rentevergoeding over de gemiste KOT incorrect is berekend, maar laat de berekening op dat punt in stand omdat zij belang-hebbende in bezwaar niet in een nadeliger positie wil brengen. De Commissie adviseert UHT daarom om haar toezegging op dit punt gestand te doen bij het nemen van de beslissing op bezwaar om voor die jaren de data uit de primaire beschikking aan te houden.

Vergoeding van immateriële schade (component n)
UHT komt in haar schriftelijke beschouwing tot de conclusie dat de startdatum voor de berekening van de immateriële schadevergoeding 21 januari 2014 dient te zijn, in plaats van de gehanteerde startdatum van 2 januari 2014. De Commissie kan zich niet vinden in het standpunt van UHT.


De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht de forfaitaire
vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. UHT hanteert echter een voor belanghebbenden begunstigend beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste (interne of externe) vooringenomen handeling door B/T. Naar de opvatting van de Commissie moet dit beleid ook in het geval van belanghebbende worden gevolgd.
De Commissie acht het aangewezen om de eerste vooringenomen handeling door B/T te dateren op 2 januari 2014. Uit de tijdlijn blijkt immers dat B/T op deze datum besloot de KOT ambtshalve onterecht te verlagen.

De Commissie zal UHT daarom adviseren de beschikking overeenkomstig dit van de Wht afwijkende maar voor belanghebbende begunstigende gehanteerde beleid toe te passen.
Aangezien, naar uit het voren overwogene blijkt, sprake is van een gedeeltelijke
gegrondverklaring van het bezwaar, zal UHT de periode waarover de immateriële schade wordt berekend door laten lopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar.

De Commissie merkt volledigheidshalve op dat de vergoeding voor immateriële schade niet hoger mag zijn dan het bedrag onder component e.

Aanvullende vergoeding van 1% (component p)
Het advies van de Commissie om de voornoemde componenten in de
compensatieberekening aan te passen, leidt ertoe dat de aanvullende vergoeding van 1% over een hoger subtotaal moet worden berekend in de beslissing op bezwaar dan het geval is in de laatste compensatiebeschikking. De Commissie adviseert UHT om deze component daarom eveneens in de herberekening mee te nemen.


Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • het bezwaar gericht tegen de beschikkingen van 26 mei 2022 met kenmerken UHT-DH5 A en UHT-DC-I A ongegrond te verklaren;
  • het bezwaar gericht tegen de beschikkingen van 26 mei 2022 met kenmerken
    UHT-DC I en UHT-DHR gegrond te verklaren;
  • component f van de compensatieberekening voor zowel 2013 als 2014 aan te passen naar € 0;
  • de vergoeding voor de immateriële schade opnieuw te berekenen en uit te gaan
    van de startdatum van 2 januari 2014 en uit te gaan van de einddatum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen;
  • de aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) aan te passen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe
    te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste
    tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter