BAC 2022-08639
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan:Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 9 juni 2022 (UHT-DC I)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht aan UHT: 11 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 33.545,- voor de jaren 2014 tot en met 2018.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) bestemd.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 15 juni 2020 verzocht om een herbeoordeling van de
kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). De jaren 2014 tot en met 2018 zijn
betrokken in de herbeoordeling. - UHT heeft bij beschikking van 18 februari 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie
toegekend voor een bedrag van € 33.545,-. - Gemachtigde heeft bij brief van 29 juni 2022, ingekomen op dezelfde datum,
tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. - Gemachtigde heeft bij brieven van 15 december 2023 en 28 april 2024 het
bezwaarschrift aangevuld. - UHT heeft op 29 augustus 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij e-mail van 10 maart 2025 te kennen gegeven dat
belanghebbende geen gebruik maakt van de mogelijkheid de bezwaren op een
hoorzitting toe te lichten. De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3
onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende en adviseert op basis van de aan haar bekende stukken. - Dit advies wordt uitgebracht door de gemachtigde en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Volledigheid dossier
Belanghebbende stelt dat het bezwaardossier onvolledig is. De beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 12 december 2024 toegezonden aan belanghebbende. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
Grondslag compensatie toeslagjaar 2014 (component a t/m e)
De compensatie berekening is thans gebaseerd op de verlaging van de KOT van
€ 12.410,- (zoals beschikt op 27 december 2013) naar € 0 (zoals beschikt op 21 mei 2024), omdat beoordeeld is dat bij deze verlaging sprake was van groeps-gewijs vooringenomen handelen. Belanghebbende was namelijk betrokken bij het CAF-11- vergelijkbare onderzoek CAF115 – Inverness. Omdat UHT daarnaast besloten heeft dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie over de periode januari tot en met mei 2014, is 7/12e deel van deze terugvordering gecompenseerd.
De Commissie is van mening dat UHT de grondslag van compensatie voor toeslagjaar 2014, als opgenomen in de componenten a t/m e, niet correct heeft vastgesteld. Dit gedeelte van de compensatieberekening komt voort uit het bepaalde in artikel 2.2, onderdeel a, van de Wht, gelezen in samenhang met artikel 2.3, lid 1, van de Wht. Kort gezegd bestaat de compensatie in de eerste plaats uit KOT die ten onrechte is teruggevorderd of niet is toegekend, vermeerderd met in rekening gebrachte rente (component e).
De latere verlaging van de KOT van 2014, van € 14.856,- (zoals beschikt op 27 maart 2015) naar € 0 (zoals definitief beschikt op 5 augustus 2016), moet volgens de Commissie eveneens worden aangemerkt als een vooringenomen handeling, omdat ook die verlaging voortvloeit uit het CAF1515 - Inverness onderzoek.
Dat blijkt volgens de Commissie voldoende uit de melding van 9 februari 2016 (productie 29) en de daaropvolgende brief van 16 februari 2016 (productie 21), waarin belanghebbende geïnformeerd werd dat haar KOT voor 2014, 2015 en 2016 op nihil zou worden gesteld.
Het komt de Commissie juist voor dat in dit geval de grondslag voor compensatie wordt vastgesteld op het hoogste terugvorderingsbedrag, te weten € 14.856, vermeerderd met de daarbij in rekening gebrachte rente van € 650,-. Dat is een door UHT voorgeschreven wijze van berekenen bij meerdere vooringenomen verlagingen voor één toeslagjaar (Handboek IB - Vaktechniek, v. 3.8, voorbeeld 6: compensatieberekening, p. 60). Er is geen aanleiding om deze terugvordering gedeeltelijk te compenseren, nu bij de beschikking van 27 maart 2015 enkel voor de periode juni tot en met december 2014 KOT is toegekend. Niet in geschil is dat belanghebbende voor die periode recht heeft op compensatie. De Commissie adviseert UHT daarom om de componenten a en c van het jaar 2014 aan te passen naar een bedrag van € 14.856,-, en component e van dit jaar te wijzigen in een bedrag van € 15.506,-.
Grondslag compensatie toeslagjaar 2016
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de maanden januari tot en met juli van het jaar 2016, omdat uit de KOI-viewer (productie 87) in combinatie met de door belanghebbende toegestuurde jaaropgave (productie 60) volgt dat zij in die periode geen gebruik maakte van geregistreerde kinderopvang.
Aan belanghebbende is om die reden een gedeeltelijke compensatie toegekend voor toeslagjaar 2016, op basis van 5/12e deel van het beschikkingsbedrag van
28 december 2015.
Belanghebbende stelt dat zij het hele jaar 2016 opvang heeft afgenomen en dat zij
daarom recht heeft op een volledige compensatie over toeslagjaar 2016.
De Commissie merkt ten eerste op dat de wijze waarop UHT de gedeeltelijke toekenning heeft berekend, haar onevenredig voorkomt. De te compenseren voorschotbeschikking van 28 december 2015 is gebaseerd op 624 opvanguren in 2016 voor kind 1 en 1.248 opvanguren in 2016 voor kind 2 (productie 59, SAS-overzicht, rekenuren per maand maal 12). Uitgaande van de KOI-viewer en de jaaropgave waar UHT haar standpunt op baseert dat aan belanghebbende slechts een gedeeltelijke compensatie toekomt, zijn door belanghebbende in 2016 610 opvanguren voor kind 1 en 1.150 opvanguren voor kind 2 afgenomen. Alleen al gelet op dit relatief geringe urenverschil (van minder dan 10%) kan niet worden gevolgd dat slechts 5/12e deel van de terugvordering gecompenseerd wordt.
De Commissie is bovendien van mening dat UHT onvoldoende gemotiveerd heeft dat sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende toerekenbaar zijn waardoor niet het gehele jaar 2016 voor compensatie in aanmerking zou komen. Uit de informatie waar UHT naar verwijst blijkt immers niet evident dat belanghebbende tussen januari en juli 2016 geen geregistreerde opvang heeft afgenomen. Daarbij acht de Commissie van belang dat belang-hebbende op 15 april 2015 een overeenkomst met bureau [naam] heeft gesloten, met een looptijd tot 15 april 2017 (productie 46).
Op 1 augustus 2016 sluit zij weliswaar een nieuwe overeenkomst met bureau [naam], met ingangsdatum 9 augustus 2016 (productie 76), maar in de jaren 2014 tot en met 2018 is de opvang telkens afgenomen bij dezelfde gastouder, zo volgt onder meer uit de SAS-overzichten. In het antwoordformulier heeft belanghebbende ingevuld dat de opvangperiode van 1 januari tot 31 december 2016 liep. De daarbij overgelegde jaaropgave van [naam] vermeldt eveneens de periode januari tot en met december (productie 60). De KOI-viewer (productie 87) kan daarnaast op zichzelf geen bewijs vormen dat de opvang in 2016 pas in augustus startte, omdat bekend is dat in de KOIviewer opvanggegevens kunnen ontbreken, bijvoorbeeld in het geval dat in één jaar bij meerdere instellingen opvang is afgenomen.
Het is daarnaast begrijpelijk dat belanghebbende thans, gezien het ruime tijdverloop, geen nadere stukken meer heeft die onderbouwen dat belanghebbende in de periode januari tot en met juli 2016 kinderopvang afnam. Gezien de aard van de hersteloperatie mag dat niet voor rekening van belanghebbende komen.
Van een situatie waarin compensatie achterwege blijft, als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid van de Wht, is aldus onvoldoende gebleken. De Commissie adviseert UHT daarom om belanghebbende een volledige compensatie toe te kennen voor het jaar 2016 op grond van vooringenomen handelen.
Component f van toeslagjaar 2016
De Commissie acht daarnaast niet correct dat een bedrag van € 200,- aan rente is
opgenomen onder component f (AF: niet terugbetaalde/verrekende KOT).
Aan belanghebbende is bij definitieve beschikking van 11 mei 2018 geen rente toegekend, maar juist € 200,- rente in rekening gebracht (zo blijkt uit het SAS-overzicht, productie 59, en kan worden herleid uit het LIC-overzicht, productie 84). Het is dan niet correct om een bedrag van € 200,- in mindering te brengen op de compensatie. De Commissie adviseert UHT daarom het huidige bedrag onder component f van toeslagjaar 2016 te verlagen met € 200,-. Die wijziging is in het voordeel van belanghebbende.
Vergoeding voor juridische hulp
Belanghebbende stelt dat aan haar ten onrechte geen vergoeding is toegekend voor de kosten van juridische hulp die zij gemaakt heeft in het kader van de KOT beslissingen voor het jaar 2018.
UHT heeft in haar beschouwing het standpunt ingenomen dat het bezwaar op dit
onderdeel gedeeltelijk gegrond is. Uit productie 1 volgt dat belanghebbende met behulp van een advocaat in beroep is gegaan tegen de beslissing op bezwaar van 18 maart 2019. UHT zal daarom alsnog een vergoeding voor juridische hulp toekennen voor het jaar 2018, op basis van 1 procespunt. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.
UHT heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat aan belanghebbende een te hoge vergoeding voor juridische hulp is toegekend voor toeslagjaar 2014, nu is gebleken dat belanghebbende bij het bezwaar toentertijd geen gebruik heeft gemaakt van professionele juridische hulp. UHT zal de vergoeding echter niet aanpassen, nu dat in het nadeel van belanghebbende zou zijn. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.
Vergoeding voor immateriële schade
Omdat het compensatiebedrag wijzigt, acht UHT het bezwaar gedeeltelijk gegrond. Om die reden zal UHT, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. Dit is vast beleid van UHT. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen.
De Commissie overweegt met betrekking tot de startdatum van de vergoeding voor immateriële schade als volgt. Op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht, moet de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. UHT hanteert echter een voor belanghebbenden begunstigend beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste (interne of externe) vooringenomen handeling door de B/T. Dat beleid heeft UHT kennelijk bij de bestreden beschikking toegepast door de vergoeding te berekenen vanaf
25 februari 2014: de datum van een interne melding met betrekking tot de verlaging van de KOT voor toeslagjaar 2014, die wordt vermeld in het informatie- en beoordelingsformulier (productie 20). De Commissie adviseert UHT daarom om de startdatum van 25 februari 2014 te handhaven.
Rentevergoeding over gemiste KOT
UHT heeft ambtshalve geconstateerd dat de rentevergoeding over gemiste KOT voor alle jaren onjuist is vastgesteld. Uit gecorrigeerde berekeningen in de producties 88 tot met 92, volgt dat de toegekende bedragen hoger zijn dan de correcte bedragen. Omdat correctie in het nadeel van belanghebbende zou zijn, laat UHT dit onderdeel van de compensatieberekening ongewijzigd. De Commissie neemt met instemming kennis van dit standpunt van UHT.
1% aanvullende vergoeding
Nu het subtotaal van de compensatieberekening zal wijzigen, adviseert de Commissie, in lijn met het voornemen van UHT, om ook de aanvullende vergoeding van 1% aan te passen.
Proceskostenvergoeding
Aangezien belanghebbende bij het indienen van haar bezwaarschrift is bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener en de Commissie van mening is dat het primaire besluit moet worden herroepen, adviseert de Commissie om belang-hebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van 1 procespunt met een wegingsfactor 2.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren
en om:
- de compensatieberekening aan te passen op de volgende onderdelen:
o de grondslag van compensatie voor het jaar 2014
o de grondslag van compensatie voor het jaar 2016
o de vergoeding voor juridische hulp voor het jaar 2018
o de vergoeding voor immateriële schade
o de 1% aanvullende vergoeding - een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe
te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter