BAC 2022-07865
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 mei 2022 (UHT-DH A en UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 26 februari 2025
Overdracht advies aan UHT: 24 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 5 mei 2022 met de kenmerken UHT-DH A en
UHT-DH5 A.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 25.582,-, aangevuld tot € 30.000,-, voor de jaren 2015 en 2016 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2014, 2017, 2018 en 2019.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 29 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 tot en met 2019.
- UHT heeft bij beschikking van 1 maart 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 9 november 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2014, 2017, 2018 en 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DH A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2017 tot en met 2019.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DH5 A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor het jaar 2014.
- UHT heeft bij de beschikking met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 25.582,-, aangevuld tot
€ 30.000,- ,voor de jaren 2015 en 2016. - Gemachtigde heeft bij brief van 30 mei 2022, ingekomen op 2 juni 2022, tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 30 november 2023 de bezwaarschriften aangevuld en het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I ingetrokken.
- UHT heeft op 12 april 2024 en 24 februari 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 26 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Gelet op het bezwaar van belanghebbende ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen voor de jaren 2014, 2017, 2018.
Toeslagjaar 2014
De KOT van toeslagjaar 2014 is in de definitieve beschikking van 29 april 2016 neerwaarts gecorrigeerd wegens een wijziging in het toetsingsinkomen en naar aanleiding van de gegevens die zijn doorgegeven door kinderopvanginstelling Partou BV (KOI-viewer, productie 82). Uit die gegevens volgt een opvangperiode van 20 juni 2014 tot 17 november 2011 voor kind 1 (geboren op 29 juni 2007) en een opvangperiode van 1 april 2014 tot 12 september 2014 voor kind 2 (geboren op 20 januari 2005). Belanghebbende betwist deze informatie. Zij stelt dat haar kinderen het volledige jaar 2014 samen naar dezelfde BSO gingen, die zich in hetzelfde gebouw bevond als de basisschool waar zij op zaten. Daarom is belanghebbende van mening dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen heeft gehandeld door de KOT neerwaarts te corrigeren.
UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat B/T uit mocht gaan van de juistheid van de gegevens in de KOI-viewer, nu er geen redenen waren om daaraan te twijfelen. Er is geen sprake van vooringenomen handelen, aldus UHT.
De Commissie overweegt dat dat B/T in redelijkheid wel had moeten twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de KOI-gegevens. Daarvoor zijn de volgende feiten van belang. Op zich zelfgenomen is het niet logisch dat twee kinderen uit hetzelfde gezin van 7 en 9 jaar oud, die beide naar dezelfde basisschool en opvanglocatie gaan, op verschillende momenten zouden stoppen met opvang. Gelet op de datum van de definitieve beschikking werd de KOT voor 2014 pas in 2016 opnieuw beoordeeld aan de hand van de KOI-gegevens. Tussen de jaren 2014 en 2016 is de KOT niet stopgezet door belanghebbende en heeft B/T de KOT automatisch gecontinueerd voor toeslagjaren 2015 en 2016. In dat verband is evenmin logisch dat de opvang in 2014 op respectievelijk 12 september 2014 en 17 november 2014 gestopt zou zijn en daarna wel automatisch continueerde vanaf 1 januari 2015. Dat er wel opvang was vanaf 1 januari 2015 staat ook niet ter discussie.
Dat B/T op basis van deze gegevens tot een definitieve beschikking is gekomen, zonder dat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om informatie aan te leveren, getuigt van vooringenomen handelen.
De opmerking van UHT op de hoorzitting dat belanghebbende niet in bezwaar is gegaan tegen de definitieve beschikking, kan niet tot een andere conclusie leiden. Hierbij merkt de Commissie op dat in die beschikking niet kenbaar is gemaakt op basis van welke gegevens de KOT is aangepast (productie 25). Belanghebbende kon op basis van die beschikking niet afleiden waarom de KOT is verlaagd.
De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar gegrond te verklaren en aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen voor het jaar 2014.
Toeslagjaar 2017
Ten aanzien van het jaar 2017 heeft belanghebbende aangevoerd dat B/T ten onrechte de KOT-aanvraag van 2017 niet in behandeling heeft genomen, zoals destijds aan belanghebbende medegedeeld in de brief van 18 februari 2017 (productie 44). Deze afwijzing kwam voort uit de vooringenomen behandeling ten aanzien van het jaar 2016, zodat volgens belanghebbende ook voor het jaar 2017 geldt dat B/T vooringenomen heeft gehandeld.
UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vooringenomen handelen en dat het niet-toekennen van de KOT in datzelfde jaar nog hersteld is.
De Commissie stelt het volgende vast. Op 29 oktober 2016 ontvangt belang-hebbende een brief dat haar KOT voor het jaar 2016 is stopgezet (productie 41). De laatste KOT-uitbetaling voor 2016 vindt plaats op 14 oktober 2016 (productie 78). In de brief van 18 februari 2017 staat dat de KOT-aanvraag van belang-hebbende voor het jaar 2017 niet in behandeling wordt genomen en dat belanghebbende alsnog een aanvraag kan indienen als zij de gevraagde gegevens voor het jaar 2016 instuurt (productie 44). In reactie op deze brief heeft belanghebbende bewijsstukken opgestuurd, die op 22 februari 2017 door B/T zijn ontvangen (productie 45). B/T heeft naar aanleiding daarvan bij brief van 13 maart 2017 te kennen gegeven dat belanghebbende alsnog een KOT voorschot-beschikking zal ontvangen voor het jaar 2017 (productie 48).
Deze voorschotbeschikking is op 21 april 2017 afgegeven (productie 49).
De uitbetaling van het eerste voorschot vond plaats op 13 april 2017
(productie 79).
De Commissie is gelet op het voorgaande van opvatting dat het niet-continueren en vervolgens afwijzen van de aanvraag van de KOT voor 2017 rechtstreeks samenhangt met en voortvloeit uit de stopzetting van de KOT in het jaar 2016, zodat ook voor het jaar 2017 moet worden aangenomen dat sprake was van vooringenomen handelen. Daarbij acht de Commissie voldoende aannemelijk dat belanghebbende materiële en immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 2.1 van de Wht. Na de stopzetting in oktober 2016 heeft het immers ruim
5 maanden geduurd voordat aan belanghebbende opnieuw een KOT-voorschot werd uitbetaald. Belanghebbende heeft toegelicht dat zij daardoor maandenlang in financiële moeilijkheden verkeerde.
Belanghebbende komt daarom in aanmerking voor compensatie voor het jaar 2017, op grond van artikel 2.1, lid 1 en onder a, van de Wht. Voor zover UHT zich op het standpunt stelt dat de schade hersteld is met het alsnog toekennen van KOT bij de beschikking van 21 april 2017, meent de Commissie dat die stelling niet kan leiden tot het achterwege laten van compensatie. Wel dient alsnog toegekende KOT in mindering te worden gebracht op het compensatiebedrag, zoals bepaald in artikel 2.3, lid 1 en onder b, van de Wht. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen voor het jaar 2017.
Toeslagjaar 2018
Belanghebbende voert aan dat B/T bij de definitieve beschikking van toeslagjaar 2018 ten onrechte het aantal opvanguren verlaagd heeft van 143 uren naar 110 uren. Zij verklaart dat zij die wijziging niet zelf doorgegeven heeft en dat zij opvang heeft afgenomen bij zowel kinderopvanginstelling 1 als kinderopvanginstelling 2.
De Commissie stelt vast dat de verlaging van de KOT gebaseerd is op de informatie uit het antwoordformulier en de jaaropgave van kinderopvanginstelling 1 die belang-hebbende op 5 juni 2019 heeft toegezonden (productie 63). Hieruit volgt dat bij kinderopvanginstelling 1 1320 uren zijn afgenomen, wat neerkomt op een maandelijks gemiddelde van 110 uren. Uit het SAS-overzicht (productie 67) blijkt dat B/T de uren van 143 naar 110 rekenuren heeft bijgesteld. Uit hetzelfde antwoord-formulier en de bijgevoegde jaaropgave van kinderopvanginstelling 2, volgt echter ook dat belanghebbende in totaal voor 198 uur aan kinderopvang heeft afgenomen bij kinderopvanginstelling 2. Kennelijk heeft B/T deze 198 uren niet betrokken in de definitieve beschikking van 7 augustus 2020.
De Commissie ziet in het voorgaande, bij gebrek aan andere aanknopingspunten, geen aanleiding om aan te nemen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld. Evenmin zijn er aanknopingspunten voor de beoordeling dat sprake is van hardheid. Aannemelijk is dat sprake is geweest van een reguliere afhandeling op basis van de bewijsstukken, waarbij per abuis een onvolledigheid is opgetreden.
Omdat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onrechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen, adviseert de Commissie UHT om dit onderdeel van het bezwaar e aan te merken als een verzoek om herziening om ervoor zorg te dragen dat het herzieningsverzoek door het juiste onderdeel van de Dienst Toeslagen in behandeling wordt genomen en deze door te zenden conform artikel 2:3 Awb.
De Commissie wijst er, gelet op de herzieningstermijn, op dat de definitieve beschikking over 2018 op 7 augustus 2020 is genomen (productie 66).
Compensatieberekening
De Commissie heeft er kennis van genomen dat UHT de compensatieberekening van 5 mei 2022 in de loop van de bezwaarprocedure heeft gewijzigd en gaat ervan uit dat deze wordt betrokken bij de beslissing op bezwaar.
Proceskostenvergoeding
Nu de primaire besluiten naar de mening van de Commissie dienen te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen voor de jaren 2014 en 2017;
- het bezwaar tegen de afwijzing van compensatie voor het jaar 2018 aan te merken als verzoek om herziening van de KOT voor dat jaar en dit te verwijzen naar het juiste onderdeel van de Dienst Toeslagen.
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter