BAC 2022-07805
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 19 april 2022 (UHT-DC I & UHT-DHR)
Hoorzitting: 16 januari 2025
Overdracht advies aan UHT: 21 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
de bezwaren in de onderhavige zaak gedeeltelijk gegrond te verklaren, de
bestreden besluiten met kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR deels te herroepen
en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de
Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 98.846,- wegens hardheid over het toeslagjaar 2008 en vooringenomenheid over de toeslagjaren 2009 tot en met 2011.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de
kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2008. In overleg met
belanghebbende is het verzoek om herbeoordeling uitgebreid met de toeslagjaren
2009 tot en met 2011. - UHT heeft bij beschikking van 28 april 2021, met kenmerk UHT-B DMB2, aan
belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van
€30.000,- (Catshuisregeling), maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is. - Bij vooraankondiging van 11 oktober 2021, met kenmerk UHT-VC I, is aan
belanghebbende een voorlopig compensatiebedrag toegekend van € 96.177,-
wegens vooringenomenheid over de toeslagjaren 2009 tot en met 2011.
Aangezien al eerder een bedrag van €30.000,- is uitbetaald, is aan belanghebbende een bedrag van € 66.177,- uitbetaald. - Bij vooraankondiging van 13 januari 2022, met kenmerk UHT-VHR, is aan
belanghebbende een voorlopig compensatiebedrag toegekend van € 96.177,-
wegens hardheid over het toeslagjaar 2008 en vooringenomenheid over de
toeslagjaren 2009 tot en met 2011. Dit bedrag is op 25 mei 2021 en 6 oktober
2021 al aan belanghebbende uitbetaald. - UHT heeft bij bestreden beschikking van 19 april 2022, met kenmerk UHT-DC I,
aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een definitief bedrag van
€ 98.846,- wegens vooringenomenheid over de toeslagjaren 2009 tot en met 2011. De bijlage bij deze beschikking laat zien dat deze berekening ook betrekking heeft op het toeslagjaar 2008. Aangezien al eerder een bedrag van
€ 96.177,- is uitbetaald, is aan belanghebbende een bedrag van € 2.669,- uitbetaald. - UHT heeft bij bestreden beschikking van 19 april 2022, met kenmerk UHT-DHR, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een definitief bedrag van € 98.846,- wegens hardheid over het toeslagjaar 2008. De bijlage bij deze beschikking laat zien dat deze compensatie berekening ook de toeslagjaren 2009 t/m 2011 omvat.
- Gemachtigde heeft bij brief van 31 mei 2022, ingekomen op 2 juni 2022, tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij e-mail van 27 maart 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 13 februari 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 10 januari 2025 een aanvullend bezwaarschrift ingediend.
- Op 16 januari 2025 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden in aanwezigheid van partijen. Een verslag hiervan is achter dit advies gevoegd.
- UHT heeft op 16 januari 2025 aanvullende stukken ingediend. Gemachtigde heeft hier op 23 januari 2025 op gereageerd.
- UHT heeft op 3 februari 2025 een aanvullende beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft hier op 11 februari 2025 op gereageerd.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden, heeft de bezwaren behandeld en het hiernavolgende advies opgesteld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat de beschikking niet goed leesbaar is zonder de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC). Daarnaast is het voor belanghebbende onduidelijk waarom in de beschikking met kenmerk UHT-DHR het toeslagjaar 2008 wordt gecompenseerd op basis van hardheid. Belanghebbende heeft dit punt in haar zienswijze ook al benoemd. Door de voorgaande punten is belanghebbende van mening dat de beschikkingen onzorgvuldig zijn voorbereid en onvoldoende zijn gemotiveerd.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de
motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikking weliswaar niet voldoende heeft toegelicht, maar dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van de door belanghebbende genoemde LIC-overzichten, de SAS-overzichten en overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2008
Belanghebbende stelt dat uit het dossier ook niet volgt waarom sprake is van hardheid over het toeslagjaar 2008. Daarnaast stelt zij dat over dat toeslagjaar sprake is van vooringenomenheid, nu zij onvoldoende in de gelegenheid is om te reageren op het handelen van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Ook weerspreekt zij het standpunt van UHT dat zij uitsluitend opvang heeft afgenomen van 1 mei tot en met 31 augustus 2008.
UHT heeft in haar beschouwing toegelicht dat de KOT over het toeslagjaar 2008 is
uitbetaald aan de kinderopvanginstelling, maar is teruggevorderd bij belang-hebbende. Het bedrag aan KOT dat is teruggevorderd bedraagt meer dan € 1.500 en de KOT is definitief vastgesteld. Dit maakt dat sprake was van hardheid over het toeslagjaar 2008. Met betrekking tot de vraag of over dit toeslagjaar sprake was van vooringenomenheid, stelt UHT dat dit niet het geval was. De neerwaartse bijstelling was volgens UHT het gevolg van informatie uit systemen van B/T en informatie die belanghebbende zelf heeft aangeleverd. Uit deze informatie volgde dat belanghebbende een toeslagpartner had en dat dit gevolgen had voor het gezamenlijk toetsingsinkomen. UHT stelt dat in de beschouwing van 13 februari 2024 sprake was van een verschrijving en dat ook in de maanden september en oktober 2008 sprake was van opvang. Deze maanden zijn volgens UHT ook meegenomen in de definitieve beschikking KOT over toeslagjaar 2008.
De neerwaartse bijstelling was het gevolg van een hoger toetsingsinkomen en een
kortere periode waarin opvang werd afgenomen. UHT stelt dat B/T uitvraagbrieven en een rappelbrief heeft verstuurd met verzoeken om informatie over toeslagjaar 2008, maar dat belanghebbende hierop niet heeft gereageerd.
Dit leidt voor UHT tot de conclusie dat over toeslagjaar 2008 geen sprake was van vooringenomenheid. Volgens belanghebbende heeft zij wel gereageerd, maar niet met de juiste gegevens.
De Commissie is van mening dat UHT met haar uitleg in de beschouwingen voldoende heeft onderbouwd waarom belanghebbende over toeslagjaar 2008 is gecompenseerd op basis van hardheid. Daarnaast onderschrijft de Commissie het standpunt dat geen sprake was van vooringenomenheid over toeslagjaar 2008.
De Commissie is van oordeel dat de neerwaartse bijstelling haar grondslag vond in een hoger gezamenlijk toetsingsinkomen en een kortere opvangperiode die door belanghebbende zelf is doorgegeven. B/T heeft uitvraag bij belanghebbende gedaan, maar niet de verzochte informatie ontvangen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Hoogte van de compensatieberekening over toeslagjaar 2011
Belanghebbende stelt dat onduidelijk is waarom UHT niet is uitgegaan van het bedrag van € 20.963 onder component a van de compensatieberekening over toeslagjaar 2011. Daarnaast merkt zij op dat uit het LIC-overzicht volgt dat kosten in rekening zijn gebracht voor een aanmaning en dwangbevel. Belanghebbende ontvangt graag de bevestiging dat zij deze kosten niet heeft voldaan. Anders is zij van mening dat zij gecompenseerd dient te worden voor deze kosten.
UHT stelt dat de eerste voorschotbeschikking KOT van € 20.963 is vastgesteld op basis van de automatische continuering van de KOT vanuit het voorgaande toeslagjaar. De KOT is daarna op 16 februari 2011 neerwaarts bijgesteld naar
€ 17.452 vanwege een lager uurtarief en een verlaging in het aantal rekenuren. UHT heeft aanvullende stukken ingediend waaruit volgens haar blijkt dat belanghebbende deze wijziging met ingang van 1 februari 2011 zelf op 12 februari 2011 heeft doorgegeven. De KOT is vervolgens bij voorschotbeschikking van 26 juli 2011 op nihil vastgesteld. De KOT is definitief op nihil
vastgesteld bij beschikking van 2 juli 2013. Volgens UHT was bij de voorschotbeschikking van 26 juli 2011 wel sprake van vooringenomen handelen. B/T heeft destijds twee brieven verstuurd aan belanghebbende, waar niet op gereageerd is omdat belanghebbende stelt dat zij die brieven nooit heeft ontvangen. Eerder had B/T op 14 juli 2011 bericht ontvangen van de kinderopvanginstelling dat over de toeslagjaren 2010 en 2011 geen opvang heeft plaatsgevonden. De KOT is naar aanleiding van deze melding op 2 juli 2013 definitief op nihil gesteld wegens non-respons. De kinderen van belanghebbende hebben echter in de toeslagjaren 2010 en 2011 wel degelijk op de opvang gezeten en belanghebbende beschikt over de jaaropgaven. De jaaropgaven van belanghebbende komen overeen met de informatie uit de systemen van B/T. B/T had destijds op basis van die informatie verdere uitvraag bij belanghebbende kunnen doen, maar heeft dit nagelaten.
Deze omstandigheden leveren samen vooringenomenheid op.
Volgens UHT is het bedrag van € 17.452 terecht vastgesteld als de hoogte van de KOT voorafgaand aan de vooringenomen handeling. Daarnaast bevestigt UHT dat
belanghebbende de kosten van de aanmaning en het dwangbevel niet heeft voldaan.
De Commissie onderschrijft het standpunt dat de neerwaartse bijstelling van 16 februari 2011 het gevolg was van een lager uurtarief dat belanghebbende zelf heeft doorgegeven en dat op dit punt geen sprake was van vooringenomenheid. De Commissie volgt het standpunt van belanghebbende dat onduidelijk is wie de wijziging heeft gedaan niet. Uit de door UHT aangeleverde aanvullende stukken is op te maken dat belanghebbende deze wijziging met ingang van 1 februari 2011 op 12 februari 2011 zelf heeft doorgegeven.
Daarnaast komt de Commissie tot de conclusie dat sprake is geweest van
vooringenomenheid bij de voorschotbeschikking van 26 juli 2011 en de definitieve
nihilstelling van 2 juli 2013. Naar het oordeel van de Commissie is het bedrag van
€ 17.452 correct opgenomen onder component a van de compensatieberekening over toeslagjaar 2011, omdat dit de hoogte van de KOT was voorafgaand aan de
vooringenomen handeling. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Rentevergoeding voor gemiste KOT
UHT heeft ambtshalve de berekening van de rentevergoeding voor gemiste KOT
gecontroleerd. Hieruit volgt dat de hoogte van deze component voor alle gecompenseerde jaren onjuist is vastgesteld. Over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 is deze component te laag vastgesteld wegens een onjuiste einddatum.
Over het toeslagjaar 2011 is deze component te hoog vastgesteld wegens een onjuiste startdatum. UHT is voornemens om de berekening van de rentevergoeding voor gemiste KOT over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 te wijzigen in het voordeel van belanghebbende en de berekening van de rentevergoeding voor gemiste KOT over toeslagjaar 2011 in stand te laten omdat deze laatste berekening in het voordeel van belanghebbende is.. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT en adviseert de berekening van de rentevergoeding voor gemiste KOT over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 in het voordeel van belanghebbende te wijzigen en de berekening van deze component over toeslagjaar 2011 in stand te laten.
Vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende stelt dat de vergoeding voor immateriële schade van € 500 per half jaar voor het gehele compensatiebesluit ontoereikend is. Zij stelt dat uit jurisprudentie volgt dat het tarief van € 500 per half jaar alleen kan worden gehanteerd voor de fases van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling. Belanghebbende stelt dat zij hierdoor recht op een hogere vergoeding voor immateriële schade.
UHT stelt dat uit artikel 2.3 lid 4 van de Wht volgt dat de vergoeding voor de immateriële schade wordt vastgesteld door € 500 per half jaar te rekenen tussen de eerste neerwaartse bijstelling en de definitieve compensatiebeschikking, met een afronding van het aantal halve jaren naar boven. Dit bedrag mag niet hoger zijn dan het van alle gecompenseerde toeslagjaren opgetelde bedrag onder component a. De Commissie is van mening dat UHT op de juiste wijze uitvoer heeft gegeven aan de wet en de vergoeding voor immateriële schade op de juiste wijze heeft vastgesteld. Nu het bezwaar met betrekking tot de rentevergoeding voor gemiste KOT gegrond wordt geacht, adviseert de Commissie om de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade vast te stellen op de dagtekening van de beslissing op bezwaar conform het standpunt van UHT.
Aanvullende vergoeding van 1%
Aangezien het bezwaar met betrekking tot de rentevergoeding voor gemiste KOT
gegrond wordt geacht en de vergoeding voor immateriële schade wordt aangepast tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar, is UHT voornemens om de aanvullende vergoeding van 1% eveneens aan te passen. De Commissie onder-schrijft dit standpunt en adviseert de aanvullende vergoeding aan te passen bij het nemen van een beslissing op bezwaar.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is en het bestreden besluit dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikkingen met kenmerken UHT-DCI toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar gericht tegen de bestreden beschikkingen van 19 april 2022 met
kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR gegrond te verklaren in die zin dat:- de berekeningen van de rentevergoeding voor gemiste KOT over de
- toeslagjaren 2008 tot en met 2010 aan te passen;
- de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot aan de
dagtekening van de beslissing op bezwaar; - de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal aan te passen;
- de overige bezwaren ongegrond te verklaren
- het verzoek om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze procedure toe te wijzen, op basis van twee procespunten met een wegingsfactor twee.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter