Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-11510

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 december 2022 (UHT-DC I, UHT-DC-I A, UHT-DH A en UHT-DH5 A)

Hoorzitting: 2 april 2025

Overdracht advies aan UHT: 16 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening conform de Bijlage compensatieberekening bij de beschouwing aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €48.593,- voor toeslagjaar 2010, de maanden januari tot en met november van 2013, de jaren 2014 en 2015, de maanden januari en februari van 2016. Er is geen compensatie toegekend voor het jaar 2012, de maand december van 2013, de maanden maart tot en met december van 2016 en de jaren 2017 en 2018.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 22 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2014. In overleg met belanghebbende is dit uitgebreid met de jaren 2010 en 2015 tot en met 2018.
  • UHT heeft bij beschikking van 28 mei 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,- ingevolge de
    Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 17 augustus 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
    geadviseerd dat gedurende de jaren 2012, 2017 en 2018 geen sprake is geweest
    van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. In 2013 en 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) wel vooringenomen gehandeld, maar bestond evident geen recht op KOT voor de maand december van het toeslagjaar 2013 en de maanden maart tot en met december van het toeslagjaar 2016.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 8 september 2022 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €48.292,-.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 7 december 2022 met kenmerk UHT-DC-I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 48.593,- voor het jaar 2010, de maanden januari tot en met november van
    2013, de jaren 2014 en 2015 en de maanden januari en februari van 2016.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen van 7 december 2022 met kenmerk
    UHT-DC-I A, UHT-DH A en UHT-DH5 A aan belanghebbende geen compensatie
    toegekend voor het jaar 2012, de maand december van 2013, de maanden maart tot en met december van 2016 en de jaren 2017 en 2018.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 17 januari 2023, ingekomen op 18 januari
    2023, tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 8 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 2 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een
    verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, 1e commissielid en 2e commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2010, de maanden januari tot en met november van 2013, de jaren 2014 en 2015 en de maanden januari en februari van 2016 op de juiste wijze heeft berekend. Ook ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing tot afwijzing van het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2012, de maand december van 2013, de maanden maart tot en met december van 2016 en de jaren 2017 en 2018.

Geen vooraankondiging
Belanghebbende betoogt dat zij geen vooraankondiging heeft ontvangen, waardoor zij destijds niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. De Commissie stelt vast dat belanghebbende wel een vooraankondiging heeft ontvangen van het compensatiebedrag, gedateerd 8 september 2022. Van de afwijzing van compensatie over de overige jaren heeft zij geen vooraankondiging ontvangen. De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat verder niet is aangegeven welk nadeel belanghebbende door dit nalaten heeft gehad, laat de Commissie dit bezwaar verder buiten beschouwing. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling compensatie over toeslagjaren 2010 en 2013 tot en met 2016
Vergoeding voor immateriële schade en rente over gemiste KOT

De compensatieberekening is in het kader van de bezwaarprocedure ambtshalve door UHT getoetst op juistheid. UHT erkent in de beschouwing dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade (onderdeel n) een onjuiste einddatum is gehanteerd; 22 november 2022 in plaats van 7 december 2022. Dit heeft echter geen invloed op het aantal halve jaren en daarom evenmin op het compensatiebedrag. Omdat het besluit naar aanleiding van de onjuiste berekening van onderdeel o wordt herroepen, zal de einddatum voor de vergoeding voor immateriële schade echter doorlopen tot de datum van de beslissing op bezwaar.

Voorts stelt UHT zich in de beschouwing op het standpunt dat bij de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT (onderdeel o) met betrekking tot toeslagjaren 2010 en 2013 tot en met 2016 is uitgegaan van een onjuiste start- en einddatum. De juiste startdatum is 1 juli na het desbetreffende toeslagjaar tot en met einddatum 7 december 2022. Belanghebbende ontvangt nog een aanvullend bedrag van €10.843,-. Dit wordt in de beslissing op bezwaar aangepast.

Gelet op het voorgaande zal ook de aanvullende vergoeding van 1% (onderdeel p)
worden aangepast.

De Commissie zal gelet op de toezegging in de beschouwing UHT adviseren zoals
vermeld in de Bijlage compensatieberekening.

Geen recht op compensatie

Toeslagjaren 2012, 2017 en 2018
UHT stelt zich op het standpunt dat B/T niet vooringenomen heeft gehandeld in
toeslagjaar 2012 en toeslagjaren 2017 en 2018. Daarnaast stelt UHT zich op het
standpunt dat in die periode geen sprake is geweest van een terugvordering of een
verlaging van de KOT van €1.500,- of meer. Daarom is er ook geen sprake van hardheid van het stelsel.

De Commissie overweegt dat de terugvordering KOT over toeslagjaar 2012 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
Voorts volgt uit het dossier dat er voor toeslagjaar 2017 geen KOT is aangevraagd en teruggevorderd (producties 73 tot en met 77) en dat voor 2018 geen terugvorderingen hebben plaatsgevonden (producties 81 en 82). De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Evident geen recht op KOT in de periode december 2013 en maart tot en met december 2016
Belanghebbende betwist de juistheid van het standpunt van UHT dat er over de periode december 2013 en de periode maart tot en met december 2016 geen opvang is afgenomen en betwist zodoende dat er over deze periode evident geen recht bestond op KOT. Op de hoorzitting heeft belanghebbende gesteld dat het verwijt van evident geen recht is veroorzaakt door de onterechte handeling van B/T. Zonder uitvraag te doen is de KOT stopgezet. Daardoor kon belanghebbende geen kinderopvang meer afnemen.

De Commissie overweegt hierover als volgt.
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Dienst Toeslagen. Vaststaat dat B/T belanghebbende institutioneel vooringenomen heeft behandeld over 2013 en 2016. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, echter achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de periode december 2013 en de periode maart tot en met december 2016, nu belanghebbende in die periode geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang.
Uit de KOI-viewer 2013 (producties 89 en 102) blijkt dat in 2013 tot 1 december gebruik is gemaakt van kinderopvang; niet in de maand december 2013. Over 2016 is op de hoorzitting namens belanghebbende bevestigd dat zij in 2016 na de nihilstelling van het voorschot in februari van dat jaar geen opvang heeft afgenomen, omdat zij die niet meer kon betalen . De Commissie volgt daarom de conclusie dat in de periode december 2013 en de periode maart tot en met december 2016 evident geen recht op KOT bestond.
Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Al met al komt belanghebbende voor de periode december 2013 en de periode maart tot en met december 2016 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.

Werkelijke schade
Belanghebbende betoogt dat de omstandigheid dat evident geen recht op KOT bestond over maart tot en met december 2016 verwijtbaar is aan B/T; belanghebbende kon de opvang niet meer betalen na de onterechte stopzetting van de KOT. Zij meent dat de door haar dientengevolge geleden schade in deze procedure moet worden gecompenseerd.
De Commissie heeft begrip voor het standpunt van belanghebbende dat zij een
vervolgprocedure graag wil voorkomen. Gelet op de wettelijke regeling heeft deze
bezwaarschriftprocedure echter alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is bijvoorbeeld de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) bestemd. Indien belanghebbende van oordeel is dat zij recht heeft op een aanvullende vergoeding, kan zij daartoe een verzoek indienen bij CWS en haar betoog daar inbrengen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

O/GS-tegemoetkoming over 2012
Op de hoorzitting heeft belanghebbende gesteld dat zij niet begrijpt waarom voor
toeslagjaar 2012 geen O/GS-tegemoetkoming is toegekend. In 2012 is van
belanghebbende een bedrag van €1.000,- teruggevorderd. Uit het LIC-overzicht
(productie 32) blijkt dat dit bedrag in juli 2015 in één keer is verrekend met de
huurtoeslag 2015. Omdat zowel vóór als na 2012 O/GS is vastgesteld, ziet
belanghebbende niet in waarom deze regeling dan niet voor 2012 van toepassing is.

De Commissie stelt vast dat uit het O/GS-overzicht in productie 87 blijkt dat voor 2012 geen sprake is geweest van een onterechte kwalificatie O/GS. Verder is niet gebleken dat belanghebbende om een persoonlijke betalingsregeling voor dit jaar heeft verzocht en dat dit verzoek is afgewezen. De Commissie heeft daarom geen aanknopingspunten om te adviseren dat aan belanghebbende voor 2012 een O/GS-tegemoetkoming zou moeten worden toegekend.

Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit met kenmerk UHT-DC I naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de compensatieberekening als volgt aan te passen;
    • de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot en met de datum van
      de beslissing op bezwaar;
    • de rente over gemiste kinderopvangtoeslag aan te passen conform de Bijlage
      compensatieberekening bij de beschouwing;
    • de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw vast te stellen.
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe
    te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste
    tarief.

De secretaris Fungerend voorzitter