BAC 2023-11508
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 25 augustus 2022 (UHT-DC I)
Hoorzitting: 19 mei 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 26 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit te
herroepen en in de beslissing op bezwaar aan te passen. Verder adviseert de
Commissie het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 25 augustus 2022 genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met kenmerk UHT-DC I (hierna ook te noemen: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 94.689 voor de jaren 2008, 2009, 2010 en februari tot en met mei 2011.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 oktober 2020 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2008 tot en met 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 1 april 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat
hij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000. - De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende op 12 april 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende de periode januari en juni tot en met december 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. - UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie
toegekend voor een bedrag van € 94.689 voor de jaren 2008, 2009, 2010 en de
periode februari tot en met mei 2011 vanwege vooringenomenheid. Aan
belanghebbende is geen compensatie toegekend voor de periode januari en juni
tot en met december 2011. - Belanghebbende heeft bij brief van 11 januari 2023 tegen deze beschikking een
bezwaarschrift ingediend. - UHT heeft op 5 november 2024 bij beschouwing schriftelijk gereageerd op het
bezwaarschrift. - Op 19 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een
verslag gemaakt, dat achter dit advies is gehecht. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, 1e commissielid en 2e commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008, 2009, 2010 en de periode februari tot en met mei 2011 op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de periode januari en juni tot en met december 2011 af te wijzen.
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de
standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) bestemd. Indien belanghebbende voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade in aanmerking wil komen, dient hij daartoe een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade in te dienen, dat door UHT voor advies wordt voorgelegd aan de CWS. Dit CWS-advies is vervolgens leidend bij het nemen van het besluit met betrekking tot de aanvullende compensatie.
Volledigheid dossier
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 10 maart 2025 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen
aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Voor zover het bezwaar zich hierop richt, treft dit bezwaar geen doel.
Afwijzing compensatie voor de periode januari en juni tot en met december 2011
De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden die erop duiden dat belanghebbende in januari of juni tot en met december 2011 geregistreerde opvang heeft genoten, waardoor - los van de vraag of er vooringenomen is gehandeld - er voor deze periode evident geen recht bestaat op KOT. Aangezien niet is voldaan aan een essentieel vereiste voor het kunnen verkrijgen van KOT, bestaat geen recht op enige compensatie. Ook is er geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS), zodat ook geen aanspraak kan worden gemaakt op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie merkt volledigheidshalve op dat, voor zover belanghebbende stelt dat het gemis aan KOT over dit jaar het gevolg is van het feit dat hij over de aan 2011 voorafgaande jaren door B/T vooringenomen is behandeld en dat om die reden geen (geregistreerde) opvang is genoten, hij een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijke schade kan indienen bij de CWS.
Immateriële schadevergoeding ontoereikend
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de compensatie ontoereikend is voor de door hem geleden immateriële schade.
De Commissie overweegt dat de Wht twee gescheiden compensatietrajecten kent. Zo bevat de Wht een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten en de hoogte daarvan. Dit is geregeld in de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht. Als een aanvrager van compensatie meer schade heeft geleden dan op grond hiervan wordt vergoed, kan om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade worden verzocht. Dit is geregeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest om de procedure van compensatie en de aanvullende compensatie te scheiden.
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard)vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de CWS bestemd. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening
Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft UHT de compensatieberekening ambtshalve tegen het licht gehouden en vastgesteld dat component o onjuist is berekend. Hierdoor zullen de componenten n en p ook veranderen.
De Commissie acht de toelichting van UHT in de schriftelijke beschouwing ten aanzien van de berekening van de componenten in de compensatieberekening afdoende en navolgbaar en ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. De Commissie adviseert UHT de compensatie opnieuw te berekenen in lijn met haar schriftelijke beschouwing zonder belanghebbende daarbij in een slechtere positie te brengen. In zoverre is het bezwaar dus gegrond.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit (de bestreden beschikking) volgens dit advies dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tevens om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de beschikking van 25
augustus 2022 gedeeltelijk gegrond te verklaren, het besluit te herroepen en in de
beslissing op bezwaar aan te passen en om een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
De secretaris, De voorzitter,