BAC 2023-11484
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 22 maart 2021 (UHT DC I)
Hoorzitting: 13 maart 2025
Overdracht advies aan UHT: 9 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit met kenmerk UHT-DC I te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking van 22 maart 2021 met kenmerk UHT-DC I.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 177.870 over de jaren 2008, 2009, 2010, 2011 en 2013.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 19 februari 2020 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2013.
- UHT heeft aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling en belanghebbende heeft dat bedrag ook ontvangen.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 176.741.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 22 maart 2021 met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €177.870.
- Gemachtigde heeft op 23 januari 2023, ingekomen op 23 januari 2023, tegen
deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. - UHT heeft op 8 mei 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Gemachtigde heeft op 11 februari 2025 het bezwaar schriftelijk aangevuld.
- UHT heeft op 13 februari 2025 een aanvullende schriftelijke beschouwing
ingediend. - Op 13 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, 1e commissielid en 2e commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Compleetheid dossier en motivering besluit
Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe de compensatie van €177.870 over de toeslagjaren 2008 tot en met 2013 tot stand is gekomen. Belanghebbende merkt daarbij op dat zij geen persoonlijke dossier heeft ontvangen.
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikking weliswaar niet voldoende heeft toegelicht, maar dat door middel van het indienen van de (aanvullende) schriftelijke beschouwing, een nieuwe compensatieberekening volgens het meest actuele overzicht, een uitgebreide uitleg met behulp van de verzochte LIC-overzichten, SAS-overzichten en overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd.
Ten aanzien van het ontbreken van het persoonlijk dossier overweegt de commissie als volgt. Op grond van artikel 7:4 lid 2 van de algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 13 januari 2025 aan gemachtigde toegestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende genoegzaam kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het
bestreden besluit. Dat belanghebbende de noodzaak voelt om haar persoonlijk dossier in handen te krijgen, begrijpt de Commissie en zij adviseert UHT daarom zich zoveel mogelijk in te spannen om het persoonlijk dossier aan belanghebbende te verstrekken. Tegelijkertijd is de Commissie van oordeel dat dat het niet hebben van het gehele persoonlijk dossier belanghebbende niet in de weg staat om op basis van het bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe het compensatiebedrag tot stand is gekomen. Uit de stellingname van UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt dan ook ongegrond.
Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals opgenomen in artikel 6 van EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over het volledige dossier. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de
hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen, en daarvan gebruik gemaakt om haar standpunt uiteen te zetten. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Hoogte compensatieberekening toeslagjaren 2008 tot en met 2011 en 2013
UHT heeft in haar Beschouwing van 8 mei 2024 de compensatieberekening over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 en 2013 op punten aangepast. Belanghebbende heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij na die aanpassingen geen bezwaren meer heeft tegen de hoogte van de compensatieberekening over deze jaren met uitzondering van het bedrag dat in de compensatieberekening over 2008 is opgenomen ter zake van kosten van juridische hulp (factor h). De Commissie komt hierop nog terug. De Commissie adviseert UHT overigens om, aansluitend bij haar eigen standpunt, de compensatieberekening opnieuw vast te stellen overeenkomstig het in de Beschouwing gestelde.
Vergoeding voor juridische kosten
Belanghebbende is van mening dat de vergoeding voor gemaakte juridische kosten over het toeslagjaar 2008 te laag is vastgesteld. Volgens belanghebbende is de vergoeding die haar gemachtigde destijds ontving van de Raad voor Rechtsbijstand ten onrechte in mindering gebracht. UHT heeft ter zitting toegelicht dat zij ook het standpunt inneemt dat de vergoeding voor juridische kosten over het toeslagjaar 2008 te laag is vastgesteld. Volgens UHT komt zowel het bezwaar zonder hoorzitting als het beroep zonder hoorzitting voor vergoeding in aanmerking. Daarom moeten volgens UHT twee procespunten worden toegekend
tegen het hoogst geldende tarief (één punt tegen het tarief van 2021 en één punt tegen het thans geldende tarief). UHT stelt echter dat de vergoeding van de Raad voor Rechtsbijstand vervolgens op dit bedrag in mindering moet worden gebracht.
De Commissie overweegt als volgt. De Wht bepaalt dat recht bestaat op een forfaitair compensatiebedrag voor de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan de belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, die is vastgesteld overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, met wegingsfactor twee. De Wht bepaalt voorts dat dit bedrag wordt verminderd met een reeds toegekende of nog toe te kennen proceskostenvergoeding. De systematiek van de gesubsidieerde rechtsbijstand brengt met zich mee dat een professionele rechtsbijstandverlener een vaste vergoeding krijgt op
basis van een puntenstelsel dat is bepaald door het gewicht van een zaak. Omdat een vergoeding van de Raad voor Rechtsbijstand aan de rechtsbijstandverlener wordt betaald en dus niet aan zijn cliënt ten goede komt, kan bezwaarlijk worden gezegd dat de vergoeding van de Raad voor Rechtsbijstand als een aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding kwalificeert. De Commissie is daarom van oordeel dat de destijds aan de rechtsbijstandverlener van belanghebbende betaalde vergoeding van de Raad voor Rechtsbijstand door UHT ten onrechte op de vergoeding voor juridische kosten in mindering is gebracht. Het bezwaar is op dit punt gegrond.
Toeslagjaar 2012
UHT erkent in de beschouwing van 8 mei 2024 dat alsnog recht bestaat op compensatie over het toeslagjaar 2012 op grond van vooringenomen handelen. De KOT over het toeslagjaar 2012 is bij voorschotbeschikking van 21 november 2012 op nihil gesteld. Volgens UHT heeft belanghebbende destijds niet gereageerd op verzoeken om informatie. De desbetreffende opvraagbrieven zijn niet meer beschikbaar. Daarom is belanghebbende volgens UHT mogelijk niet voldoende gelegenheid gegeven om aan te tonen dat zij recht had op KOT. UHT concludeert dat recht bestaat op compensatie uitgaande van het bedrag aan KOT, zoals dat vastgesteld was voorafgaand aan de nihilstelling. De Commissie neemt met instemming kennis van het voornemen van UHT om belanghebbende alsnog op grond van vooringenomen handelen te compenseren. De Commissie adviseert de berekening van het bedrag aan compensatie dat belanghebbende over het toeslagjaar 2012 toekomt op te nemen in de beslissing op bezwaar. Het bezwaar is op dit onderdeel gegrond.
Beoordeling toeslagjaren 2006, 2007, 2019 en 2020
Belanghebbende stelt dat de jaren 2006, 2007, 2019 en 2020 ten onrechte niet zijn meegenomen in de beoordeling. De Commissie stelt vast dat deze jaren inderdaad nog niet zijn beoordeeld en geen onderdeel uitmaken van deze bezwaarprocedure. UHT vermeldt in de aanvullende beschouwing van 13 februari 2025 dat deze jaren alsnog zullen worden beoordeeld. Nadat UHT daarop een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen, kan belanghebbende een nieuw bezwaarschrift indienen, waarna de Commissie daarover een advies kan uitbrengen.
Vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende stelt dat zij niet kan controleren of de juiste aanvangsdatum en
einddatum zijn aangehouden voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade. De Commissie is van oordeel dat uit de voorhanden zijnde gegevens niet is gebleken dat de gehanteerde startdatum in het nadeel van belanghebbende zou zijn bepaald. Nu de Commissie het bezwaar deels gegrond acht, adviseert zij om de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar. Voorts adviseert de Commissie om bij de herberekening van de vergoeding voor immateriële schade alle ingevolge de Wht daarmee samenhangende vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies.
Kosten van rechtsbijstand
Nu het bezwaar tegen de bestreden beschikking naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie om het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand, toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- De bestreden beschikking van 22 maart 2021 met kenmerk UHT-DC I te herroepen en de compensatie over de jaren waarover deze reeds was toegekend opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies;
- Alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2012 op grond van institutioneel vooringenomen handelen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
De Secretaris De voorzitter