BAC 2022-07364
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 3 mei 2022 (UHT-DC I en UHT-DC-I A)
Hoorzitting: 26 februari 2025 om 11:15 uur
Overdracht aan UHT: 18 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan
te passen en een vergoeding van de proceskosten toe te kennen
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 3 mei 2022.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van
€36.665,- voor de jaren 2015 en 2016 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2014.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van
de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 februari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014, 2015 en 2016.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende 2 december 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
geadviseerd dat gedurende het jaar 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. - UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I aan belang-hebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van €36.665,- voor de jaren 2015 en 2016 en bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC-I A geen compensatie toegekend voor het jaar 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 11 mei 2022, ingekomen op 13 mei 2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 5 maart 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 12 april 2024 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 15 augustus 2024 een aanvullende schriftelijke reactie ingediend waarbij zij antwoord heeft gegeven op enkele vragen van de gemachtigde uit het aanvullend bezwaarschrift van 12 april 2024.
- Op 26 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 28 februari 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 10 maart 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2014 af te wijzen en de toegekende compensatie voor de jaren 2015 en 2016 op de juiste wijze heeft berekend.
Toeslagjaar 2014
Belanghebbende is van mening dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd over
toeslagjaar 2014. De KOT is te laat uitbetaald en er is te weinig KOT uitbetaald.
Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat zij vindt dat zij te hard is aangepakt door B/T. B/T vroeg (herhaaldelijk) om stukken, maar belanghebbende had de gevraagde stukken al aangeleverd. De kosten voor opvang heeft zij destijds vier maanden lang moeten voorschieten terwijl zij ook bezig was als startend ondernemer. Volgens haar gemachtigde is sprake van vooringenomen handelen door B/T. Het lijkt erop dat er een extra onderzoek naar belanghebbende is gedaan.
De Commissie heeft UHT verzocht om in een nadere schriftelijke reactie antwoord te geven op enkele vragen. De Commissie vroeg om duidelijkheid over de code "BTSL-04- KOT" (brief van 20 mei 2014, productie 54), de aanleiding voor de uitvraag die bij belanghebbende is gedaan en waarom heeft het zo lang geduurd voordat belanghebbende uitsluitsel kreeg na haar aanvraag KOT in 2014.
UHT heeft toegelicht dat de code “BTSL-04 KOT” staat voor Belastingdienst Toeslagen 2014 kinderopvangtoeslag. De reden voor het versturen van de uitvraag is volgens UHT gelegen in het feit dat belanghebbende ondernemer was en er sprake was van “een uitval HOTHOR”. De aanvraag van belanghebbende is hierdoor als “risicovol” bestempeld, waardoor extra actie nodig was, aldus UHT. UHT erkent dat de tijdsduur tussen de aanvraag en het voorschot dat is uitbetaald stressvol moet zijn geweest voor belanghebbende maar er is geen aanleiding voor de conclusie dat er vooringenomen is gehandeld. B/T moet de tijd hebben om te onderzoeken of een aanvraag terecht is, aldus UHT. In reactie hierop geeft gemachtigde aan dat deze handelwijze wel vooringenomen is. Er was voor B/T geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van de aanvraag.
Bovendien had direct contact kunnen worden opgenomen met belanghebbende en de kinderopvanginstelling, maar dat is niet gebeurd.
De Commissie overweegt als volgt.
Uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende op 28 maart 2014 aan B/T doorgeeft dat zij voor haar jongste kind eveneens opvang afneemt (productie 52). Uit een systeemnotitie (productie 53) blijkt dat op 25 april 2014 thematisch toezicht is gestart, en dat op 20 mei 2014 “inzake hothor” bij belanghebbende om aanvullende informatie is gevraagd over de jaren 2013 en 2014 (productie 54).
De gevraagde documenten worden door belanghebbende aangeleverd en door B/T ontvangen op 10 juni 2014, waarbij belanghebbende heeft gemeld dat zonder spoedige betaling de kinderen van de opvang gehaald worden omdat ze niet meer welkom zijn en er al twee maanden achterstand is (productie 12). Belanghebbende heeft vervolgens, kennelijk omdat zij inmiddels te horen had gekregen dat de kinderen per 1 juli 2014 niet meer welkom waren op de kinderopvang, op 23 juni 2014 telefonisch contact gezocht met B/T (productie 53). Op 25 juni 2014 heeft B/T opnieuw contact gehad met belanghebbende en is haar gemeld dat zij van de uitsluitlijst is verwijderd en betaling van de KOT in gang wordt gezet. Uit de
notitie blijkt dat B/T ook met de kinderopvanginstelling contact heeft gehad, die heeft toegezegd dat de kinderen niet worden geweigerd. Vervolgens vindt op
22 juli 2014 de uitbetaling van het voorschot van de KOT plaats.
Het desbetreffende voorschot is vervolgens gehandhaafd in de definitieve beschikking van 10 juni 2016.
De Commissie is van oordeel dat het instellen van een (extra) controle of het tussentijds opvragen van gegevens op zichzelf onvoldoende is om te concluderen dat de B/T vooringenomen heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig. Een uitvraag of controle als gevolg van het door de B/T gegeven kenmerk “HOTHOR” dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar levert daar op zichzelf niet het doorslaggevende bevestigende antwoord op. De Commissie constateert dat belanghebbende is gesignaleerd als HOTHOR, met een standaard uitvraag van gegevens als gevolg. Na ontvangst van de informatie op 10 juni 2014 heeft B/T weliswaar niet per omgaande op de expliciet geuite zorg van belanghebbende gereageerd, maar na haar telefoontje op 23 juni 2014 is voortvarend de dreigende verwijdering van de kinderen van de opvang afgewend. Uit de geschetste feiten en omstandigheden volgt duidelijk dat de periode in het voorjaar van 2014 tot 25 juni 2014 bijzonder stressvol is geweest voor belanghebbende, maar uit de voorhanden gegevens leidt de Commissie niet af dat sprake is van vooringenomenheid als in de Wht bedoeld. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Over de (niet nader geconcretiseerde) stelling van belanghebbende dat zij te weinig KOT heeft ontvangen overweegt de Commissie dat de Wht (enkel) is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie. UHT heeft niet de bevoegdheid om over te gaan tot herziening van de in het verleden vastgestelde KOT.
Dit valt buiten het bestek van de Wht en daarmee ook van de Commissie.
Het bezwaar treft ook in zoverre geen doel.
Compensatieberekening 2015 en 2016
Belanghebbende meent dat de toegekende compensatie voor de jaren 2015 en 2016 onjuist is berekend. Er is geen rekening gehouden met verrekeningen.
Over het jaar 2016 wordt aangevoerd dat geen compensatie is toegekend over de periode dat de kinderen van belanghebbende niet naar de opvang konden. Bovendien kloppen de bedragen ten aanzien van de materiële en immateriële schade niet.
Naar aanleiding van dit bezwaar heeft UHT de compensatieberekening over de jaren 2015 en 2016 nader bekeken en erkend dat de compensatieberekening onjuist is. Het gaat om de volgende componenten. Allereerst is de berekening van component c over toeslagjaar 2015 onjuist. Het juiste bedrag moet zijn €22.295,- (€22.145,- + €150,-).
Als gevolg hiervan dient ook component f over toeslagjaar 2015, de materiële schade, aangepast te worden nu de grondslag hiervan, component c, hoger is.
Het juiste bedrag van component f moet zijn (25% van €22.295,-) = €5.574,-. Daarnaast is component m, de rentevergoeding voor gemiste KOT, onjuist berekend.
De juiste rentevergoeding over toeslagjaar 2015 zal in de beslissing op bezwaar worden opgenomen omdat dat bedrag thans nog niet kan worden vastgesteld.
De juiste rentevergoeding over toeslagjaar 2016 moet zijn €2.254,-. Component o zal voor de jaren 2015 en 2016 gezamenlijk worden aangepast naar €35.032,-.
Tot slot dient ook de immateriële schade (component l) en de 1%-vergoeding over het totaal (component n) te worden aangepast.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en adviseert UHT het bezwaar tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DC I gegrond te verklaren, het betreffende besluit te herroepen en de compensatieberekening aan te passen zoals hiervoor omschreven.
De Commissie overweegt dat de verrekening van de KOT-vorderingen in het jaar 2015 met het kindgebonden budget en de zorgtoeslag van belanghebbende op zichzelf geen grondslag vormt voor compensatie. Wel kan de Commissie zich goed voorstellen dat juist de verrekeningen grote problemen hebben veroorzaakt voor belanghebbende nu zij geruime tijd geen toeslagen heeft ontvangen. Dat dit voor problemen zorgt bij belanghebbende staat dan ook niet ter discussie. In de forfaitere compensatie wordt echter met die omstandigheid rekening gehouden. Eventuele schade die dit te boven gaat kan worden voorgelegd bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).
Belanghebbende heeft verder nog aangevoerd dat de KOT te laat is uitbetaald en de kinderen over die periode niet naar de opvang konden. Zij wil daarvoor ook
gecompenseerd worden. UHT heeft aangegeven dat in de compensatieberekening over 2016 is uitgegaan van de periode waarover opvang is afgenomen en dat de berekening in zoverre correct is geweest. De Commissie kan belanghebbende in de door haar aangevoerde grond, zonder een nadere toelichting daarop, niet volgen. Die grond kan om die reden geen doel treffen.
Kosten dwangbevel
Belanghebbende heeft verder gevraagd om een toelichting op de kosten voor
dwangbevelen ad € 1.522,-, in het bijzonder de precieze samenstelling van dit bedrag en of er boetes zijn inbegrepen (LIC-overzicht 2015, productie 28).
Hierover heeft UHT in haar nadere schriftelijke reactie toegelicht dat het bedrag is opgenomen in de compensatieberekening, onder component i (productie 62). Verder geeft UHT aan dat in dit bedrag geen boetes zijn begrepen. De Commissie heeft geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van deze toelichting. Dit onderdeel behoeft daarom geen verdere bespreking meer.
Niet herbeoordeelde jaren (2017 tot en met 2021)
Belanghebbende heeft voorts, samengevat weergegeven, betoogd dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd over de jaren 2017 tot en met 2021. UHT heeft in reactie hierop in de beschouwing uiteen gezet dat belanghebbende geen verzoek om herbeoordeling van de desbetreffende jaren heeft gedaan zodat die jaren om die reden ook niet zijn herbeoordeeld. Belanghebbende dient daar een verzoek voor in te dienen.
De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende zag op de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016. Uit de voorhanden zijnde dossierstukken blijkt niet dat belanghebbende ook heeft verzocht om een herbeoordeling van andere jaren dan de hiervoor genoemde jaren. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de toeslagjaren 2017 tot en met 2021 in de herbeoordeling te betrekken. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om de niet meegenomen jaren (alsnog) in haar advisering te betrekken.
Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren gegrond zijn en zullen moeten leiden tot herroeping van de
bestreden beslissing met kenmerk UHT-DC I, zal de Commissie UHT adviseren de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC IA ongegrond te verklaren;
- het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen;4
- de compensatieberekening als volgt aan te passen:
- component c voor het jaar 2015 aan te passen naar €22.295,-;
- component f voor het jaar 2015 aan te passen naar €5.574,-;
- component m voor het jaar 2015 aan te passen naar een nader te bepalen bedrag bij beslissing op bezwaar en voor het jaar 2016 aan te passen naar €2.254,-;
- component o voor de jaren 2015 en 2016 gezamenlijk aan te passen naar €35.032,-;
- de einddatum van de vergoeding van immateriële schade vast te stellen op de datum van de beschikking op bezwaar;
- de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen; - een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter