Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-04545

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 18 januari 2022 met de kenmerken: UHT-DC-I A en
UHT-DH A.

Hoorzitting: 20 mei 2025 om 13:00 uur

Overdracht aan UHT: 22 mei 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskosten-vergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen twee beschikkingen van 18 januari 2022. Het gaat daarbij om de volgende beschikkingen:

  • Definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag (hierna:
    KOT) met kenmerk UHT-DC-I A;
  • Beschikking herbeoordeling KOT met kenmerk UHT-DH A.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen
compensatie toegekend voor toeslagjaar 2017.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 16 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de
    KOT over toeslagjaar 2017.
  • UHT heeft bij beschikking van 1 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 21 december 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende toeslajaar 2017 geen sprake is geweest van
    institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandighede
  • UHT heeft met de eerste beschikking van 18 januari 2022, met kenmerk UHT-DCI A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor toeslagjaar 2017 vanwege vooringenomen handelen door de
    Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).
  • UHT heeft met de tweede beschikking van 18 januari 2022, met kenmerk UHT-DH A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een
    tegemoetkoming vanwege hardheid.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 23 februari 2022 tegen de twee beschikkingen
    van 18 januari 2022 een voorlopig bezwaarschrift ingediend.
  • Op 29 augustus 2022 heeft gemachtigde laten weten dat belanghebbende de
    bezwaarprocedure zelf zal voeren.
  • Op 24 november 2022 heeft belanghebbende de gronden van het bezwaar
    aangevuld.
  • UHT heeft op 28 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Belanghebbende heeft in haar e-mail van 20 mei 2025 de Commissie laten weten dat zij om privéredenen niet op de hoorzitting aanwezig zal zijn. In reactie daarop heeft de Commissie per e-mail aan belanghebbende duidelijk gemaakt dat de geplande hoorzitting van 20 mei 2025 om 13:00 uur doorgaat en dat
    belanghebbende middels Webex kan deelnemen. Belanghebbende heeft per email de Commissie bericht dat “niet om een andere afspraak is gevraagd en dat
    zij niet op de hoorzitting zal aansluiten”.
  • De Commissie stelt vast dat belanghebbende, gelet op artikel 7:3 onder sub c van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede
gronden zich slechts heeft gebaseerd op een verzoek van belanghebbende om alleen toeslagjaar 2017 te beoordelen.

Niet herbeoordeelde toeslagjaren
Belanghebbende voert aan dat zij vanaf 2008 KOT ontving en door B/T is benadeeld en te maken heeft gehad met terugvorderingen. Belanghebbende heeft niet alleen over 2017 te maken gehad met een terugvordering van KOT.

De Commissie heeft deze bezwaargrond van belanghebbende zo begrepen dat het
verzoek om een herbeoordeling breder te beoordelen en wel vanaf 2008.

De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op het toeslagjaar 2017. De persoonlijk zaaksbehandelaar heeft het verzoek vervolgens na een gesprek met belanghebbende op 7 december 2021 alleen beperkt tot toeslagjaar 2017. In het gesprek zijn ook de jaren voor 2017 en toeslagjaar 2019 aan de orde gesteld, maar zijn deze buiten de beoordeling gehouden omdat er geen correcties van de KOT hebben plaatsgevonden. De KOT is met betrekking tot het jaar 2020 gecorrigeerd omdat de dochter van belanghebbende niet meer naar de opvang ging.
In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft om meerdere
toeslagjaren in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden
beschikkingen moeten worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de
bestreden beschikkingen de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om meerdere toeslagjaren (alsnog) in haar advisering te betrekken. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

De Commissie ziet zich verder voor de vraag gesteld of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor toeslagjaar 2017 af te wijzen.

Toeslagjaar 2017
De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2017 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering van KOT over toeslagjaar 2017 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. De Commissie komt tot deze conclusie op grond van het volgende: uit de onderliggende stukken volgt dat B/T de KOT, die op voorschotbasis is toegekend ter grootte van € 8.254, neerwaarts heeft bijgesteld naar € 6.884. Deze bijstelling is met de beschikking van 19 juli 2019 aan belanghebbende medegedeeld. Voorafgaand aan deze definitieve toekenning heeft B/T belanghebbende laten weten dat op basis van de gewerkte uren die
UWV doorgaf, tot deze verlaging van de KOT is gekomen. Belanghebbende heeft op basis van 1668 gewerkte uren op jaarbasis recht op maximaal 1168 uur aan buitenschoolse kinderopvang (70% van de 1668 gewerkte uren). Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Uit het LIC-overzicht maakt de Commissie op dat de KOT op het rekeningnummer van belanghebbende is overgemaakt en dat de terugvordering onder de grens van € 1.500 is gebleven, te weten € 1.427. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat belanghebbende niet in aanmerking kan komen voor een O/GStegemoetkoming.

Toegepaste verrekeningen
Uit de onderliggende stukken is het de Commissie niet gebleken dat de terug-vordering van KOT over 2017 is verrekend met bijvoorbeeld huur- en zorgtoeslag dan wel inkomstenbelasting over andere jaren. De Commissie stelt op basis van het LIC-overzicht vast dat belanghebbende op de openstaande vordering van
€ 1.427 maandelijks € 60 heeft afgelost. Het nog openstaande bedrag van € 167 is in het LIC-overzicht voorzien van de toelichting “Invordering momenteel gepauzeerd”. Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikkingen te herroepen, is er geen aanleiding om een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter